Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201400461/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Rijnboog - Paradijs" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400461/1/R6.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Arnhem,

en

de raad van de gemeente Arnhem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Rijnboog - Paradijs" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2014, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door G. Bakker, bijgestaan door mr. C.M.E. Verhaegh, advocaat te 's-Gravenhage, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. T.W.M. Bot, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de herontwikkeling van het zogenoemde Paradijs-gebied in het centrum van Arnhem. Tevens voorziet het voor enkele bestaande functies aan de randen van het plangebied in een actuele juridisch-planologische regeling.

Ontvankelijkheid [appellante sub 1]

2. [appellante sub 1] heeft bij de raad geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Ter zitting heeft [appellante sub 1] uiteengezet dat zij in overleg wilde treden met de gemeente om te komen tot een samenwerking bij de ontwikkeling ter plaatse en dat het indienen van een zienswijze niet binnen dat streven paste. [appellante sub 1] vertrouwde erop dat deze samenwerking tot stand zou komen en mocht hier volgens haar ook op vertrouwen, omdat de gemeente geen gebruik heeft gemaakt van haar voorkeursrecht op het perceel van [appellante sub 1]. Omdat dit vertrouwen niet is gehonoreerd, heeft zij beroep ingesteld, aldus [appellante sub 1] ter zitting.

2.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

2.2. Gelet op de uiteenzetting van [appellante sub 1] heeft zij bewust afgezien van het indienen van een zienswijze over het ontwerpplan. Dat zij erop vertrouwde dat de door haar gewenste samenwerking met de gemeente tot stand zou komen en dat het indienen van een zienswijze om deze reden volgens haar op dat moment onwenselijk was, is een omstandigheid die voor haar rekening komt. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 1] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij heeft nagelaten een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Het beroep van [appellante sub 1] is dan ook niet-ontvankelijk.

Ontvankelijkheid [appellant sub 2]

3. Het beroepschrift van [appellant sub 2] is buiten de beroepstermijn ingediend. [appellant sub 2] betoogt dat dit hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Hij heeft tijdens de beroepstermijn met de gemeente overleg gevoerd over een oplossing van het door hem gevreesde probleem voor de bereikbaarheid van zijn bedrijf na de realisering van het plan. Hierin had de gemeente volgens [appellant sub 2] aanleiding moeten zien om hem uitdrukkelijk te wijzen op de mogelijkheid beroep in te stellen tegen het bestemmingsplan. Hij stelt in dit verband dat de gemeente wist dat hij een leek is op juridisch gebied en dat hij zich beraadde op juridische stappen. Daarnaast stelt [appellant sub 2] dat zijn brief aan de gemeente van 3 januari 2014, die binnen de beroepstermijn is verstuurd, had moeten worden herkend als beroepschrift tegen het bestemmingsplan en had moeten worden doorgezonden aan de Afdeling.

3.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, wordt het beroepschrift, indien het wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.

Ingevolge het derde lid is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

3.2. Niet in geschil is dat de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en de mededeling daarvan aan [appellant sub 2], als indiener van een zienswijze over het ontwerpplan, op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden en dat hierbij een juiste rechtsmiddelverwijzing is vermeld.

Anders dan [appellant sub 2] veronderstelt, bestond voor de raad geen verplichting hem naar aanleiding van het minnelijke overleg nogmaals te wijzen op de mogelijkheid beroep in te stellen tegen het bestemmingsplan.

In zijn brief van 3 januari 2014 gaat [appellant sub 2] naar aanleiding van een eerdere bespreking in op enkele mogelijke oplossingen voor het probleem dat de realisering van het Rijnboog/Paradijs-project volgens [appellant sub 2] voor de bereikbaarheid van zijn bedrijf kan hebben. In de brief staat verder dat [appellant sub 2] op kosten van de gemeente een beroep wil kunnen doen op een juridisch adviseur indien geen overeenstemming wordt bereikt. Tevens schrijft [appellant sub 2] dat hij een afschrift van de brief zal sturen aan de gemeenteraad, omdat het bestemmingsplan nog ter inzage ligt. Hierbij is vermeld dat bij een eerdere mondelinge behandeling van het bestemmingsplan is toegezegd dat voor een passende oplossing zou worden gezorgd en dat [appellant sub 2] daar nog steeds op vertrouwt. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit deze brief niet dat [appellant sub 2] zich niet met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan kan verenigen en met deze brief heeft beoogd tegen dat besluit een rechtsmiddel aan te wenden. De brief kan dan ook niet worden aangemerkt als een bezwaar- of beroepschrift dat bij een onbevoegd bestuursorgaan is ingediend en aan de Afdeling had moeten worden doorgezonden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 2] ten aanzien van het na afloop van de beroepstermijn ingediende beroepschrift redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Het beroep van [appellant sub 2] is daarom niet-ontvankelijk.

Proceskosten

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Jacobs

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

717.