Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:244

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201307000/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft het college een verzoek van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade en om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307000/1/A2.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 juli 2013 in zaak nr. 13/31 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft het college een verzoek van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade en om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en ing. A.F.M. Manders, en het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk, vertegenwoordigd door mr. T.A.P.S. Duffhues, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] is exploitant van een winkel in het pand aan de [locatie] te [plaats]. Bij brief van 22 september 2010 heeft zij het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van planologische besluiten die detailhandel op het in de buurt van dat pand gelegen bedrijventerrein (hierna: het bedrijventerrein) mogelijk hebben gemaakt. Bij brief van 16 november 2011 is de door het college gevraagde onderbouwing van het verzoek overgelegd.

2. Aan het besluit van 29 maart 2012 heeft het college ten grondslag gelegd dat de door [appellante] gestelde inkomstenderving geen ruimtelijk relevant gevolg van de planologische wijziging is en derhalve niet op de voet van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening kan worden vergoed. Voorts heeft het college uiteengezet dat nadeelcompensatie louter op de gevolgen van rechtmatig overheidshandelen ziet en niet op de gevolgen van onrechtmatig overheidshandelen. Volgens het college betekent dit dat de door [appellante] gevraagde nadeelcompensatie vanwege een onrechtmatig besluit van het college om niet handhavend op te treden tegen het in strijd met het bestemmingsplan uitoefenen van detailhandel in dierbenodigdheden in een vestiging van de Boerenbond op het bedrijventerrein niet aan de orde is en dat schadeplichtigheid als gevolg van dat overheidshandelen slechts in een civielrechtelijke procedure kan worden vastgesteld en derhalve buiten de grondslag van de aanvraag valt.

3. [appellante] betoogt in hoger beroep terecht dat de rechtbank ten onrechte met verwijzing naar de tekst van de brief van 22 september 2010 heeft overwogen dat zij uitsluitend om een tegemoetkoming in planschade en om nadeelcompensatie heeft verzocht. In de onderbouwing van 16 november 2011 is tevens uitdrukkelijk gevraagd om vergoeding van de schade vanwege inkomstenderving als gevolg van de weigering van het college om op grond van het bestemmingsplan handhavend op te treden.

Dit laat onverlet dat uit het besluit van 29 maart 2012 valt af te leiden dat het college dit verzoek heeft afgewezen. [appellante] heeft geen bezwaar tegen dit besluitonderdeel gemaakt en er bestaat geen grond voor het oordeel dat dit haar redelijkerwijs niet valt verwijten. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat dit besluitonderdeel in beroep niet alsnog aan de orde kan worden gesteld. Hetgeen alsnog met betrekking tot dat besluitonderdeel naar voren is gebracht, diende derhalve buiten beschouwing te worden gelaten.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

452.