Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201310947/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kapelpolder" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310947/1/R3.

Datum uitspraak:2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Maassluis,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kapelpolder" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft stukken die op de zaak betrekking hebben ingediend. Ten aanzien van bijlage 3 bij het raadsvoorstel, betreffende de consequenties van de vaststelling van het plan voor de financiële situatie van de gemeente Maassluis, heeft de raad bij brief van 10 december 2013 verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij beslissing van 20 januari 2014 heeft een andere kamer van de Afdeling het verzoek om geheimhouding ingewilligd. [appellant] is gevraagd om toestemming om mede op grondslag van de geheim te houden bijlage 3 in dit stuk uitspraak te doen. [appellant] heeft geen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2014, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. R.A. Kiek, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.G.M. Hewitt en M. van Tilburg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant] betoogt dat hij ten onrechte niet bij de informele voorbereiding van het plan is betrokken. Voorts betoogt hij dat zijn inspraakreactie niet juist is samengevat.

2.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aanvangt met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van inspraak geen deel uitmaakt van de in de Wro geregelde procedure, kan, indien in een gemeentelijke verordening, als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet, de mogelijkheid of verplichting is opgenomen inspraak te bieden, het betoog dat er fouten zouden zijn gemaakt in de fase van de inspraak in het plan, geen gevolgen met zich brengen voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

3. Voor zover [appellant] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb, overweegt de Afdeling dat deze bepalingen zich er niet tegen verzetten dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd of onzorgvuldig is voorbereid. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet of onjuist in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze mondeling toe te lichten.

4.1. De Afdeling overweegt allereerst dat er geen wettelijke verplichting bestaat de indieners van zienswijzen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Voorts is gebleken dat [appellant] is uitgenodigd voor de zitting van de Hoorcommissie zienswijzen ontwerpbestemmingsplan op 3 september 2013 en dat hij ter zitting gebruik heeft gemaakt van de hem geboden spreektijd om zijn zienswijze toe te lichten.

Voor zover [appellant] betoogt dat hij ten onrechte ook niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze schriftelijk toe te lichten, overweegt de Afdeling als volgt. Vast staat dat [appellant] op 11 maart 2013 een gemotiveerde zienswijze heeft ingediend. De Afdeling overweegt dat de raad niet verplicht is om de gelegenheid te bieden voor het nader motiveren van ingebrachte, reeds gemotiveerde zienswijzen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat hij bij mailbericht van 16 augustus 2013 met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) heeft verzocht om bijlage 3 bij het raadsvoorstel en dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte heeft geweigerd hem dit stuk te verstrekken.

5.1. De Afdeling overweegt dat de Wob een eigen procedure kent. Tegen de weigering van het college heeft [appellant] conform die procedure bezwaar gemaakt. Ingeval [appellant] zich niet met het besluit op bezwaar van het college kan verenigen, kan hij daartegen beroep instellen bij de rechtbank. Gelet hierop staat de weigering van het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van bijlage 3 bij het raadsvoorstel in deze procedure niet ter beoordeling.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het plan in het gebied Kapelpolder, op korte afstand van de oude kern van Maassluis en de woonwijk Het Balkon, een bedrijventerrein toestaat.

[appellant] betoogt voorts dat hij door het plan onevenredig in de gebruiksmogelijkheden voor zijn percelen wordt beperkt.

Hij voert voorts aan dat aan zijn percelen ten onrechte niet tevens de bestemmingen wonen, detailhandel, horeca, kantoor en maatschappelijke voorziening zijn toegekend. Hierdoor wordt, zo stelt van Praag, de verhuur van zijn panden bemoeilijkt.

6.1. De raad stelt dat het bedrijventerrein Kapelpolder van oudsher in de Kapelpolder is gevestigd. De raad stelt dat met het plan hoofdzakelijk wordt beoogd het bestaande gebruik vast te leggen en dat het plan niet voorziet in grootschalige ontwikkelingen. De raad wijst er voorts op dat het plan is vastgesteld in overeenstemming met de Structuurvisie 2012-2025 van de gemeente Maassluis (hierna: de Structuurvisie), waarin voor de Kapelpolder wordt uitgegaan van de ontwikkeling van bedrijvigheid ter versterking van de werkgelegenheid.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het plan niet leidt tot beperkingen van de gebruiksmogelijkheden voor de percelen van [appellant]. De raad stelt dat deze ten opzichte van het voorheen geldende plan juist zijn uitgebreid. In dit verband wijst de raad op de bij het plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten.

De raad stelt zich voorts terzake van de door [appellant] voor zijn percelen gewenste bestemmingen op het standpunt dat het plan een consoliderend karakter heeft, dat toekomstige ontwikkelingen moeten voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en dat ten tijde van de planvaststelling de voor een functiewijziging benodigde onderzoeken niet door [appellant] waren aangeleverd.

6.2. Het plangebied omvat het gemengde bedrijventerrein Kapelpolder ten westen van de binnenstad van Maassluis. De percelen van [appellant] liggen op dit bedrijventerrein en grenzen aan de Industrieweg, het Mackayplein en de Troelstraweg.

Aan de percelen van [appellant] is de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "Bedrijf tot en met categorie 3.2" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 3, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij de planregels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding "Bedrijf tot en met categorie 3.2" bedrijfsactiviteiten behorende tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegestaan.

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Kapelpolder" uit 1971 was aan de percelen van [appellant] de bestemming "Industriële bedrijvigheid met bijbehorende erven" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 1, aanhef en onder f, van de planregels van dat plan waren de gronden met deze bestemming bestemd voor bedrijfsgebouwen met de daarbij behorende woningen, bijgebouwen, andere bouwwerken en open terreinen, met dien verstande dat bij elk bedrijf één dienstwoning mocht worden opgenomen.

6.3. In de Structuurvisie, vastgesteld door de raad op 17 april 2012, is voor de Kapelpolder het versterken van de werkgelegenheid als uitgangspunt genomen. Uit de Structuurvisie volgt dat, ter revitalisering van bedrijvigheid, de beschikbare gronden in de Kapelpolder dienen te worden ontwikkeld voor bedrijven en afrondende woonbebouwing. In de plantoelichting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat met het thans voorliggende plan de uitvoering van de Structuurvisie voor de Kapelpolder planologisch mogelijk wordt gemaakt. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen de in de plantoelichting opgenomen ontstaansgeschiedenis van het bedrijventerrein en het consoliderende karakter van het plan, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bestaande bedrijventerrein Kapelpolder als zodanig is bestemd en er ter plaatse bedrijven zijn toegestaan.

Het betoog faalt.

6.4. Over het betoog van [appellant] dat hij door het plan onevenredig in de gebruiksmogelijkheden voor zijn percelen wordt beperkt, overweegt de Afdeling dat in het voorheen geldende bestemmingsplan op die percelen industriële bedrijvigheid was toegestaan. [appellant] heeft niet inzichtelijk gemaakt dat en op welke wijze hij door het toekennen van de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "Bedrijf tot en met categorie 3.2" ten opzichte van het voorheen geldende plan in zijn gebruiksmogelijkheden wordt beperkt. Gelet op het consoliderende karakter van het plan heeft de raad in redelijkheid bij de vaststelling van de bestemmingen en de bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel mogelijk kunnen aansluiten bij de planologische mogelijkheden van het voorheen geldende plan en bij het bestaande gebruik.

Het betoog faalt.

6.5. Over het betoog dat de raad ten onrechte de gebruiksmogelijkheden voor de percelen van [appellant] niet heeft verruimd, overweegt de Afdeling als volgt. Gebleken is dat [appellant], hoewel de raad hem meermaals heeft verzocht de door hem gewenste ontwikkelingen voor woningbouw nader te concretiseren, ten tijde van de planvaststelling geen concrete bouwplannen heeft ingediend, terwijl hij daarvoor, gelet op de omstandigheid dat het voorontwerpplan vanaf 22 juni 2012 ter inzage heeft gelegen, ruimschoots de tijd heeft gehad. Over de door [appellant] gemaakte vergelijking met door anderen ingediende initiatieven voor woningbouw wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat die bouwplannen evenmin voldoende concreet en onderbouwd waren en om die reden ook niet in het plan zijn opgenomen. Daarnaast heeft de raad zich in de plantoelichting gemotiveerd op het standpunt gesteld dat een functiewijziging naar horeca niet in overeenstemming is met het terzake geldende horecabeleid, als neergelegd in de Nota Horecabeleid 2012, waarin als uitgangspunt wordt gehanteerd dat uitbreiding van horeca op het bedrijventerrein niet wenselijk is en dat horeca moet worden geconcentreerd in winkelgebieden. Uit de plantoelichting volgt voorts dat een functiewijziging naar detailhandel evenmin in overeenstemming is met het terzake geldende beleid, als neergelegd in de Detailhandelsvisie Maassluis 2012, dat in hoofdlijnen erop is gericht om de positie en de functie van het bestaande hoofdwinkelcentrum van Maassluis en omgeving, de Koningshoek, te versterken en om bestaande winkels op het bedrijventerrein op termijn te verplaatsen naar de Koningshoek. Voorts is niet gebleken dat [appellant] bij de in zijn opdracht in augustus 2003 uitgevoerde stedenbouwkundige studie of ten tijde van de planvaststelling concrete initiatieven heeft ingediend voor het gebruik van zijn percelen voor de bestemmingen kantoor en maatschappelijke voorziening. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding gezien om bij de planvaststelling aan de percelen van [appellant], naast de bedrijfsbestemming, tevens de bestemmingen wonen, detailhandel, horeca, kantoor en maatschappelijke voorziening toe te kennen.

Het betoog faalt.

6.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan de percelen van [appellant] de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "Bedrijf tot en met categorie 3.2" heeft toegekend. Hierbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat in de plantoelichting is opgenomen dat de raad in principe niet onwelwillend staat tegen over een eventuele functiewijziging binnen het plangebied en dat een concreet initiatief, waarbij is aangetoond dat sprake is van een haalbaar plan dat tot een kwalitatieve verbetering van het gebied leidt, in een afzonderlijke procedure in overweging kan worden genomen.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

408.