Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201310450/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2012 heeft de raad het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310450/1/A2.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 oktober 2013 in zaak nr. 13/1527 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Ferwerderadiel.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2012 heeft de raad het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade, afgewezen.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 mei 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover dat ziet op de schade in verband met de verwijdering van de praam met schouw en trailer, in stand blijven. De rechtbank heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2012 voor het overige alsnog ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2014, waar [appellant], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door C.J. Corsèl, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 31 oktober 2012 heeft [appellant] een verzoek om vergoeding van schade ter grootte van € 60.000,00 ingediend. De schade zou volgens [appellant] zijn veroorzaakt door toepassen van bestuursdwang betreffende zijn woonschip, de verwijdering van zijn praam met schouw en trailer, en zijn inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (thans de basisregistratie personen, hierna: BRP).

Aan het besluit van 16 mei 2013 heeft de raad ten grondslag gelegd dat het verzoek van [appellant] een herhaalde aanvraag is en dat hij geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden heeft gesteld. De raad heeft om die reden het verzoek ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onder verwijzing naar eerdere afwijzende besluiten op soortgelijke verzoeken van [appellant], afgewezen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2012 ten onrechte onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de eerdere verzoeken bij een ander bestuursorgaan zijn ingediend. De rechtbank heeft het besluit van 16 mei 2013 om die reden vernietigd. Voorts heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, voor zover dat ziet op de beweerdelijk geleden schade in verband met de verwijdering van praam met schouw en trailer, en voor het overige zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.

2. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

[appellant] heeft in zijn verzoek gesteld dat de beweerdelijk geleden schade onder meer is veroorzaakt door besluiten betreffende bestuursdwang van 12 december 1994, 2 mei 1996 en 1 juli 1996, waarbij het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang heeft opgedragen zijn woonschip te verwijderen en te verplaatsen naar een andere locatie.

De Afdeling heeft eerder geoordeeld (uitspraak van 22 juni 1998 in zaak nr. H01.97.0332; aangehecht) dat de aanzegging van bestuursdwang door het college onbevoegdelijk is genomen. Dat neemt niet weg dat niet de raad, maar het college destijds ingevolge artikel 129, eerste lid, van de Gemeentewet in beginsel het bevoegde bestuursorgaan was om besluiten betreffende bestuursdwang te nemen, zodat thans niet de raad, maar het college bevoegd is te beslissen op het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade.

[appellant] heeft in zijn verzoek voorts gesteld dat de beweerdelijk geleden schade is veroorzaakt door zijn inschrijving in de BRP. Naar de Afdeling begrijpt, stelt hij schade te hebben geleden door een adreswijziging die het college in de BRP heeft doorgevoerd, waarbij het college het adres in de BRP in overeenstemming heeft gebracht met het feitelijke adres van [appellant]. Nog daargelaten de vraag in hoeverre dit gestelde schadeveroorzakend besluit een besluit is waartegen bij de bestuursrechter kan worden opgekomen, geldt dat ingevolge artikel 2 van de Wet op de GBA, zoals deze gold ten tijde van belang, het college destijds het bevoegde bestuursorgaan was inzake de BRP. De raad is derhalve niet bevoegd te beslissen op het verzoek om vergoeding van schade voor zover deze ziet op de inschrijving in de BRP.

Voor zover [appellant] een verzoek heeft ingediend tot vergoeding van schade als gevolg van de verwijdering van zijn praam met schouw en trailer, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het hier een civielrechtelijke kwestie betreft. De rechtbank heeft niet onderkend dat in civielrechtelijke kwesties als de onderhavige het college en niet de raad bevoegd is.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren, het besluit van 16 mei 2013 vernietigen en het besluit van 20 december 2012 herroepen. Voorts dient de raad, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2 is overwogen, het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade die zou zijn veroorzaakt door toepassen van bestuursdwang betreffende zijn woonschip, de verwijdering van zijn praam met schouw en trailer, en zijn inschrijving in de BRP, ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Awb ter verdere behandeling naar het college door te zenden.

4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 oktober 2013 in zaak nr. 13/1527;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Ferwerderadiel van 16 mei 2013;

V. herroept het besluit van de raad van de gemeente Ferwerderadiel van 20 december 2012;

VI. verstaat dat de raad van de gemeente Ferwerderadiel het verzoek van [appellant] ter behandeling doorzendt naar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ferwerderadiel;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Ferwerderadiel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

362-705.