Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2434

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201310755/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:11446, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/392 met annotatie van T. de Lange
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310755/1/V2.

Datum uitspraak: 24 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's Hertogenbosch van 30 augustus 2013 en haar uitspraak van 30 oktober 2013, beide in zaak nr. 12/34842 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingewilligd.

Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij tussenuitspraak van 30 augustus 2013 heeft de rechtbank naar aanleiding van het door de vreemdeling ingestelde beroep, de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld het in die uitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 oktober 2013 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak en de tussenuitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De staatssecretaris heeft de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingewilligd onder de beperking 'verblijf als zelfstandige' met de arbeidsmarktaantekening 'arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning is niet vereist'.

3. In de eerste en tweede grief, in onderlinge samenhang bezien, klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij van de vreemdeling niet mag vergen een aanvraag tot wijziging van de beperking van de verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen, verband houdend met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst'. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdeling hierdoor wordt gehinderd in zijn rechten onder de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003, betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004 L 16 en - rectificatie - PB 2006 L 169; hierna: de richtlijn). Anders dan de rechtbank uit artikel 14, derde lid, van de richtlijn heeft afgeleid, kan door de tweede lidstaat, in dit geval Nederland, onderscheid gemaakt worden tussen de verblijfsdoelen arbeid als zelfstandige en arbeid in loondienst.

De staatssecretaris betoogt hiertoe dat lidstaten volgens de richtlijn het recht hebben hun nationale procedures te hanteren ten aanzien van de vereisten voor, respectievelijk het vervullen van een vacature, en het hebben van toegang tot de arbeidsmarkt. Volgens de staatssecretaris is daarom het in artikel 3.4 van het Vreemdelingbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) gemaakte onderscheid tussen de beperkingen verband houdend met de onderscheiden verblijfsdoelen 'het verrichten van arbeid als zelfstandige' en 'het verrichten van arbeid in loondienst', in overeenstemming met de richtlijn.

3.1. In punt 19 van de considerans van de richtlijn is vermeld dat langdurig ingezetenen gebruik moeten kunnen maken van het recht van verblijf in een andere lidstaat om daar te werken als werknemer of als zelfstandige, om er een studie te volgen, of om zich daar te vestigen zonder een economische activiteit uit te oefenen.

In punt 21 van de considerans is, voor zover thans van belang, vermeld dat de lidstaat waarin de langdurig ingezetene zijn recht van verblijf wil uitoefenen, moet kunnen nagaan of de betrokkene voldoet aan de voorwaarden waaraan een verblijf op zijn grondgebied is gebonden.

In punt 22 van de considerans is vermeld dat om ervoor te zorgen dat het recht van verblijf geen dode letter wordt, langdurig ingezetenen in de tweede lidstaat dezelfde rechten moeten genieten als in de lidstaat waarin zij de status hebben verworven, onder de in de richtlijn omschreven voorwaarden. Lidstaten behouden de mogelijkheid om de verblijfsvergunning in te trekken indien de betrokkene niet langer aan de vereisten van de richtlijn voldoet, ook indien een uitkering uit hoofde van de sociale bijstand is toegekend.

Volgens artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de richtlijn mogen lidstaten beperkingen inzake de toegang tot werk als werknemer of als zelfstandige handhaven, indien deze activiteiten, overeenkomstig bestaande nationale of communautaire wetgeving, voorbehouden zijn aan eigen onderdanen, aan burgers van de EU of van de EER.

Volgens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, mag een langdurig ingezetene in een tweede lidstaat verblijven om een economische activiteit uit te oefenen als werknemer of als zelfstandige.

Volgens artikel 14, derde lid, mogen de lidstaten wanneer het gaat om de uitoefening van een economische activiteit als werknemer of als zelfstandige, zoals bedoeld in het tweede lid, onder a, de situatie van hun arbeidsmarkt bezien en hun nationale procedures hanteren ten aanzien van de vereisten voor, respectievelijk, het vervullen van een vacature en het hebben van toegang tot de arbeidsmarkt.

Om redenen van arbeidsmarktbeleid kunnen de lidstaten de voorkeur geven aan EU-burgers, aan onderdanen van derde landen - indien de communautaire wetgeving hierin voorziet - en aan onderdanen van derde landen die legaal in de betrokken lidstaat verblijven en daar een werkloosheidsuitkering ontvangen.

3.2. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdend met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en de voorschriften.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, onderscheidenlijk f, van het Vb 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kan de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 worden verleend onder de beperking: het verrichten van arbeid als zelfstandige; of: het verrichten van arbeid in loondienst.

Ingevolge artikel 3.31, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten, waarvoor een tewerkstellingsvergunning is afgegeven.

Ingevolge artikel 3.100, dient de vreemdeling, indien hij hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag wijziging van het gevraagde verblijfsdoel wenst, een nieuwe aanvraag in.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wav is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bevoegd tot het afgeven en intrekken van een tewerkstellingsvergunning.

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 22 juli 2013 in zaak nr. 201209455/1/V3, blijkt uit punt 22 van de considerans van de richtlijn dat aan de rechten die de langdurig ingezetenen in de tweede lidstaat genieten, voorwaarden als in de richtlijn omschreven kunnen worden verbonden. Uit punt 21 van de considerans blijkt dat de lidstaat waarin de langdurig ingezetene zijn verblijf wil uitoefenen moet kunnen nagaan of de betrokkene voldoet aan de voorwaarden waaraan een verblijf op zijn grondgebied is verbonden. Deze voorwaarden zijn, voor zover het gaat om verblijf als langdurig ingezetene in een tweede lidstaat, opgenomen in hoofdstuk III van de richtlijn. In artikel 14, derde lid, van de richtlijn is bepaald dat lidstaten hun nationale procedures mogen hanteren ten aanzien van de vereisten voor, respectievelijk het vervullen van, een vacature en het hebben van toegang tot de arbeidsmarkt. De toegang voor vreemdelingen tot de Nederlandse arbeidsmarkt is geregeld in de Wav, op grond waarvan een werkgever van een vreemdeling in beginsel moet beschikken over een tewerkstellingsvergunning. De verblijfsvoorwaarden zijn geregeld in de Vw 2000 en het Vb 2000.

3.4. Uit de richtlijn volgt aldus dat de lidstaten de situatie van hun arbeidsmarkt mogen bezien en hun nationale procedures mogen hanteren ten aanzien van de vereisten voor, respectievelijk, het vervullen van een vacature en het hebben van toegang tot de arbeidsmarkt. Eveneens volgt uit de richtlijn dat lidstaten hun nationale procedures mogen hanteren ter beoordeling van een aanvraag van een langdurig ingezetene om een verblijfsvergunning.

Uit artikel 3.4 van het Vb 2000 in verbinding gelezen met artikel 3.31, eerste lid, van het Vb 2000, volgt het onderscheid tussen de beperkingen die verband houden met de onderscheiden verblijfsdoelen 'arbeid als zelfstandige' en 'arbeid in loondienst' bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 en de daaraan verbonden toegang tot de arbeidsmarkt. De aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning met de daaraan verbonden beperking, waarin dit onderscheid tussen de beperkingen verband houdend met voormelde verblijfsdoelen is gehanteerd, is derhalve in overeenstemming met de nationale regeling ter zake en mag dus worden gesteld (zie eerder in gelijke zin voormelde uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2013).

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de richtlijn dan ook niet dat de staatssecretaris in een geval als dit gehouden is aan de vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen onder zowel de beperking verband houdend met het verblijfsdoel 'het verrichten van arbeid als zelfstandige', als de beperking verband houdend met het verblijfsdoel 'het verrichten van arbeid in loondienst'. Daarbij was in dit geval de aanvraag van de vreemdeling niet gericht op een concrete combinatie van 'het verrichten van arbeid in loondienst' naast 'het verrichten van arbeid als zelfstandige'.

Gelet voorts op artikel 3.100 van het Vb 2000, heeft de staatssecretaris van de vreemdeling terecht gevergd dat hij een aanvraag indient tot wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, indien hij alsnog als verblijfsdoel 'arbeid in loondienst' wenst. De staatssecretaris kan alsdan, in het kader van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag, de toegang tot de arbeidsmarkt betrekken, nu artikel 14, derde lid, van de richtlijn uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet.

De grieven slagen.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 8 oktober 2012 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 30 augustus 2013 en 30 oktober 2013, beide in zaak nr. 12/34842;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bosma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014

572-806.