Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2429

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201310334/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:7481, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 29 augustus 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant sub 1] om haar en haar minderjarig kind het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310334/1/V6.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Roosendaal,

2. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 oktober 2013 in zaak nr. 13/1554 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 29 augustus 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant sub 1] om haar en haar minderjarig kind het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant sub 1] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant sub 1] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. P.Th. van Alkemade, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Ambtshalve overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

3. Bij besluit van 15 september 2010 heeft de staatssecretaris een eerder verzoek van [appellant sub 1] om haar en haar minderjarig kind het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de staatssecretaris bij besluit van 8 februari 2011 ongegrond verklaard.

Op 25 mei 2011 heeft [appellant sub 1] het verzoek ingediend. De besluiten van 15 september 2010 en 29 augustus 2012 zijn van gelijke strekking, nu beide strekken tot afwijzing van een verzoek tot naturalisatie. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of het hiervoor onder 2 bedoelde beoordelingskader aan toetsing in de weg staat. Derhalve heeft zij ten onrechte niet eerst beoordeeld of [appellant sub 1] aan het verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd of dat zich een relevante wijziging van het recht voordoet.

4. De staatssecretaris heeft aan zijn besluit van 8 februari 2011 ten grondslag gelegd dat [appellant sub 1] geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd, zodat hij haar nationaliteit niet heeft kunnen vaststellen, en geen sprake was van bewijsnood.

[appellant sub 1] heeft bij haar verzoek van 25 mei 2011 een Guinees paspoort overgelegd. Dit paspoort kan niet dienen ter vaststelling van haar nationaliteit, omdat niet kan worden vastgesteld of dit paspoort op de juiste wijze is opgemaakt en afgegeven, laat staan of bij de afgifte van dit document een deugdelijke beoordeling van haar identiteit heeft plaatsgevonden. Dat de ambassade van Guinee te Brussel in haar verklaring van 8 april 2011 het paspoort authentiek en geldig heeft bevonden, doet daar niet aan af, nu dit niets zegt over de inhoudelijke juistheid van het document. Nu op voorhand is uitgesloten dat dit paspoort aan het eerdere besluit kan afdoen, doen zich reeds hierom geen feiten of omstandigheden voor die een toetsing door de rechter rechtvaardigen.

5. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 januari 2013 alsnog ongegrond verklaren.

Gelet op het vorenstaande, heeft de staatssecretaris geen belang meer bij een beoordeling van het incidenteel hoger beroep, zodat het niet-ontvankelijk is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 oktober 2013 in zaak nr. 13/1554;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk;

V. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

164-800.