Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201309520/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309520/1/V2.

Datum uitspraak: 23 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 september 2013 in zaak nr. 13/9960 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 september 2013 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, gelet op de medische situatie van de vreemdeling, ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet heeft afgezien van het uitvaardigen van het inreisverbod. Voor deze overweging heeft de rechtbank, volgens de staatssecretaris ten onrechte, redengevend geacht dat zonder nader onderzoek naar de medische situatie van de vreemdeling niet kan worden gesteld dat hij in staat is te voldoen aan de op hem rustende vertrekplicht. Voorts heeft de rechtbank in dit kader, volgens de staatssecretaris ten onrechte, redengevend geacht dat overtreding van het inreisverbod strafbaar is.

1.1. Niet in geschil is dat aan de vreemdeling geen uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is verleend. Indien de vreemdeling meent dat het gelet op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen, dient hij, zoals de staatssecretaris terecht betoogt, dat te laten beoordelen in een procedure over toepassing van die bepaling. Toepassing daarvan leidt ertoe dat de vreemdeling gelet op artikel 66a, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf zal hebben en dat de werking van het inreisverbod tijdelijk wordt opgeschort (zie de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2013 in zaak nr. 201210774/1/V3).

In het kader van de toetsing van het inreisverbod geldt voorts dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 mei 2013 in zaak nr. 201206730/1/V4), het aan de strafrechter is om over de strafrechtelijke gevolgen van het inreisverbod te oordelen.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat gelet op vorengaande geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 april 2013 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 september 2013 in zaak nr. 13/9960;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Yildiz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2014

594-681.