Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2414

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201305021/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "MFC" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2014/524
ABkort 2014/269

Uitspraak

201305021/1/R4.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Rozenburg,

2. [appellant sub 2], wonend te Rozenburg,

appellanten,

en

de raad van de deelgemeente Rozenburg, thans: de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "MFC" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door H. de Bruin en A. de Bloeme, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. R. Brouwer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, P. Slangen, ing. F. van der Lans, ing. B. Buitendijk, P.Y.J. Blok-van Werkhoven en dr. ir. L.J. Vijgen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bestemmingsplan voorziet in de toekenning van de bestemmingen "Gemengd" en "Groen" en de aanduidingen "bouwvlak", "maximale bouwhoogte 10 m" en "maximaal bebouwingspercentage 3910 m2" aan een perceel aan de Zuidzijde te Rozenburg om de oprichting van een multifunctioneel centrum met een zwembad, een sporthal en accommodaties voor sociale verenigingen mogelijk te maken.

3. Ter zitting is vastgesteld dat De Bruin en De Bloeme geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. Zij hebben echter niet beoogd zelf beroep in te stellen, maar om [appellant sub 1] te adviseren bij zijn beroep.

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Artikel 3:46 verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

5. De raad heeft gesteld dat het, gelet op de afstand van de woning van [appellant sub 1] tot het plangebied, de vraag is of hij belanghebbende is. [appellant sub 1] woont op een afstand van ongeveer 100 meter van het plandeel met de bestemming "Gemengd". Gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die op het door [appellant sub 1] bestreden plandeel mogelijk wordt gemaakt, is de Afdeling van oordeel dat hij als omwonende een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft.

5.1. [appellant sub 1] betoogt dat het multifunctioneel centrum niet op de locatie Zuidzijde kan worden gebouwd in verband met de externe veiligheidsrisico’s. [appellant sub 1] ondervindt op zijn eigen perceel echter geen externe veiligheidsrisico's van de door het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling. Het relativiteitsvereiste als vervat in art. 8:69a van de Awb brengt daarom in dit geval met zich dat hij zich niet op de schending van regels van externe veiligheid kan beroepen. Dat hij stelt het multifunctioneel centrum in de toekomst ook zelf te willen gebruiken, maakt dit niet anders. Hetgeen hij daarover heeft aangevoerd dient daarom buiten inhoudelijke bespreking te blijven.

6. [appellant sub 1] voert aan dat hij Veilig Verkeer Nederland heeft verzocht om de verkeerssituatie te beoordelen. Hij betoogt dat volgens het door Veilig Verkeer Nederland opgestelde rapport aan het bestemmingsplan een verkeersplan moet zijn gekoppeld, maar dat dit ontbreekt.

6.1. De Afdeling overweegt dat in de Wet ruimtelijke ordening noch enige andere wettelijke bepaling een verplichting is opgenomen bij een bestemmingsplan een verkeersplan op te nemen. Wel moet worden beoordeeld of de verkeerssituatie ten gevolge van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In de toelichting bij het bestemmingsplan is op basis van het in de bijlage opgenomen "Verkeersonderzoek Zuidzijde. Consequenties bij Realisatie Multifunctioneel Centrum", ingegaan op de verkeerssituatie. Volgens de toelichting leidt elke combinatie van een zwembad en sporthal tot een verkeersgeneratie van 300 - 350 motorvoertuigen per etmaal en past dit ruimschoots binnen de verkeersgeneratie van 400 - 450 motorvoertuigen per etmaal waar in het verkeersonderzoek van uit is gegaan. Volgens het verkeersonderzoek zijn de wegen voldoende ingericht om dit extra verkeer te kunnen verwerken. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van dit onderzoek te twijfelen. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingplan leidt tot een aanvaardbare situatie voor de verkeersveiligheid.

Het betoog faalt.

7. [appellant sub 1] voert aan dat de kosten van de oprichting van het multifunctioneel centrum op de onderhavige locatie zeer hoog zijn in vergelijking met de keuze voor de oprichting van het multifunctioneel centrum aan de Rivierenlaan.

[appellant sub 2] betoogt dat motivering van de keuze voor de locatie niet uit het bestemmingsplan blijkt, nu de haalbaarheidsstudies en onderbouwing van de locatie aan de Zuidzijde geen deel uitmaken van het bestemmingsplan of de bijlagen daarbij. Evenmin is in de reactie op de zienswijze de planologische aanvaardbaarheid van de locatie gemotiveerd, nu daarin slechts de uitvoerbaarheid aan de orde is gekomen en het belang van het behoud van het groen niet is afgewogen. [appellant sub 2] voert aan dat de locatie aan de Rivierenlaan zich beter leent voor de vestiging van het multifunctioneel centrum dan de locatie aan de Zuidzijde waarvan het bestemmingsplan uitgaat. Deze locatie biedt meer ruimte dan de locatie aan de Zuidzijde en veroorzaakt vrijwel geen overlast voor omwonenden, omdat het multifunctioneel centrum op die locatie niet aan tuinen grenst, aldus [appellant sub 2].

7.1. De raad stelt dat de kosten van maatregelen zijn geïntegreerd in het plan van eisen en het budget voor het multifunctioneel centrum. De raad wijst erop dat de gemeente het project uitvoert en dat het inmiddels is aanbesteed. Volgens de raad zijn er voldoende beschikbare middelen ook bij hogere kosten. De raad stelt dat de gemeente groot belang hecht aan het project en zal voorkomen dat het strandt.

De raad stelt voorts dat in reactie op de zienswijze uiteen is gezet waarom de locatie Zuidzijde uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. In eerste instantie werden de locaties Rivierenlaan en Oost beoordeeld. Ten aanzien van de locatie Oost geldt dat op deze locatie mogelijk de Blankenburgtunnel zal worden aangelegd, zodat provincie en rijk niet met deze locatie zullen instemmen. Vervolgens is de locatie Zuidzijde voorgesteld. Ten aanzien van de locatie Rivierenlaan bleek dat deze in verband met de bouw van woningen waarschijnlijk leidt tot maatrampklasse IV, terwijl volgens de Externe Veiligheidsvisie maximaal maatrampklasse III beheersbaar is. Ten aanzien van locatie Zuidzijde blijkt dat deze in maatrampklasse III zal vallen. De locaties Zuidzijde en Rivierenlaan zijn voor het overige vergelijkbaar: beide locaties liggen aan de rand van de bebouwde kom, op vergelijkbare afstanden van woningen en van de leidingenstrook, de spoorlijn, de Droespolderweg en de A15. In beide gevallen zal het verkeer het bedrijventerrein moeten passeren. Bij een keuze voor de locatie Rivierenlaan zal Rozenburg echter gedurende twee jaar geen zwembad hebben.

7.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De Afdeling overweegt dat de raad zich wat betreft de locatie Oost op het standpunt heeft gesteld dat het provinciebestuur en het rijk niet in zullen stemmen met deze locatie. Ten aanzien van de locatie Rivierenlaan en die aan de Zuidzijde heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze vergelijkbaar zijn, maar dat de locatie Rivierenlaan in een hogere maatrampklasse zal vallen en dat de bewoners van de gemeente dan gedurende twee jaar niet over een zwembad kunnen beschikken. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op deze standpunten heeft kunnen stellen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de mogelijke alternatieven voldoende bezien.

In de toelichting bij het bestemmingsplan staat dat het plangebied volledig in eigendom is van de gemeente Rotterdam en dat de deelraad voor de realisatie van het gebouw, de parkeervoorzieningen, het water en groen en de infrastructurele voorzieningen een krediet beschikbaar heeft gesteld. Volgens de toelichting zal na realisatie de afdeling Vastgoed de beheerder worden van het complex, die het op haar beurt verhuurt aan de eindgebruikers, zodat de kosten voor de gemeente zodoende met de exploitatie kunnen worden gedekt. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 2] stelt dat niet wordt voldaan aan de richtafstand uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Daartoe voert hij aan dat de afstand tot de perceelsgrens en niet de afstand tot het bouwvlak moet worden aangehouden, nu sprake is van een nieuwe situatie. Bovendien kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bouwvlak. Hij wijst erop dat volgens de raad de meeste hinder afkomstig is van het parkeerterrein zodat binnen het hele bestemmingsvlak milieuhinder kan worden veroorzaakt. Er is volgens hem geen aanleiding om de richtafstand met een afstandstap te verlagen.

8.1. De raad stelt dat in de VNG-brochure voor sporthallen en overdekte zwembaden een richtafstand van 50 m tot de gevel van woningen wordt aanbevolen, indien het project in een rustige omgeving is voorzien. Deze richtafstand kan met één afstandstap worden verlaagd indien de omgeving gemengd gebied is. In dat geval wordt de richtafstand 30 m. Volgens de raad ligt het multifunctioneel centrum in gemengd gebied, nu het direct langs de hoofdinfrastructuur is gelegen. Volgens de raad bedraagt de afstand van het multifunctioneel centrum tot de woning van [appellant sub 2] meer dan 30 m, zodat in zoverre niet van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gesproken. Dit wordt volgens de raad bevestigd door het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Volgens dat akoestisch onderzoek bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het parkeerterrein op de gevel van de woningen 49 dB(A). De maximale geluidniveaus bedragen ter plaatse van de woningen in de dagperiode ten hoogste 65 dB, in de avond- en nachtperiode maximaal 66 dB. Deze niveaus acht de raad niet onaanvaardbaar, mede gelet op het feit dat het multifunctioneel centrum in de nachtperiode gesloten is. Op basis van de stedenbouwkundige randvoorwaarden zal een grondwal worden aangelegd, waardoor de feitelijke geluidbelasting iets lager zal zijn.

8.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de wijk kan worden gekarakteriseerd als gemengd gebied, nu de woningen in de omgeving van het plangebied zijn gelegen in een gebied waar reeds een verhoogde milieubelasting optreedt, als gevolg van de ligging nabij hoofdinfrastructuur, te weten de havenspoorlijn en de A15, en de ligging binnen de geluidzones van het gezoneerde industrieterrein Botlek-Pernis en Europoort-Maasvlakte. [appellant sub 2] heeft terecht aangevoerd dat de richtafstanden volgens de VNG-brochure gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die milieubelastende activiteiten toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In zoverre heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de richtafstand wordt voldaan. De raad heeft zich echter tevens op het standpunt gesteld dat na uitvoering van het bestemmingsplan ter plaatse van de bestaande woningen aan de Zuidhoek sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volgens het rapport "MFC Rozenburg. Update milieuonderzoeken" van DCMR van 10 juli 2012, dat als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen, zijn de geluidbijdragen vanwege het verkeer van en naar het multifunctioneel centrum praktisch verwaarloosbaar voor wat betreft de dag- en nachtperiode en geeft het extra verkeer voor de avondperiode een toename van de totale geluidniveaus van 1 dB. Volgens dit rapport is een dergelijke toename nauwelijks waarneembaar voor het menselijk gehoor. Volgens het rapport "Akoestisch onderzoek MFC Rozenburg" van Witteveen + Bos van 18 september 2012, dat als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen, wordt de toetswaarde voor het maximale geluidniveau gedurende de nachtperiode zonder geluidscherm met 1 dB overschreden op de woningen aan de Zuidhoek 2 t/m 32 ten gevolge van het geluid vanwege het parkeren op het openbare parkeerterrein. Wanneer een geluidscherm van 2,0 meter ten opzichte van het maaiveld wordt geplaatst wordt de geluidbelasting gereduceerd tot de toetswaarde. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid van deze rapporten te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat zich ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal voordoen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het multifunctioneel centrum in de nachtperiode gesloten zal zijn.

Het betoog faalt.

9. [appellant sub 2] betoogt dat niet duidelijk is waar de bomen die eerder zijn gekapt, zullen worden herplant, nu de locatie onvoldoende ruimte biedt voor de herplanting.

[appellant sub 2] betoogt voorts dat de groenstrook aan de kant van de Zuidhoek te smal is, nu deze smaller is dan de groenstrook aan de zijde van het water. Hij voert aan dat alleen aan de kant van de Zuidhoek woningen aan het plangebied grenzen, zodat het voor de hand ligt om het bouwvlak en het parkeerterrein op te schuiven naar de kant van het water en een bredere groenstrook te realiseren bij de woningen aan de Zuidhoek. In dat geval kan de groencompensatie ook voor een groter deel binnen het plangebied plaatsvinden.

9.1. De raad betoogt dat het verschuiven van het bouwvlak in de richting van het water ten koste zou gaan van de daar aanwezige groengordel die onderdeel is van het Groenstructuurplan. Volgens de raad is het niet nodig om het bouwvlak op te schuiven. De raad stelt dat de gekapte bomen in de directe omgeving van het plangebied zullen worden herplant.

9.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verschuiven van het bouwvlak in de richting van het water ten koste zou gaan van de daar aanwezige groengordel die onderdeel is van het Groenstructuurplan. Daarbij betrekt de Afdeling dat geen noodzaak bestaat tot het verschuiven van het bouwvlak, nu ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de groencompensatie niet binnen het plangebied van het bestemmingsplan behoeft plaats te vinden.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 2] stelt dat onvoldoende is ingegaan op zijn zienswijze met betrekking tot de parkeerproblematiek. Daartoe voert hij aan dat de parkeerbehoefte onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Ook is niet duidelijk of het benodigde aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied kan worden gerealiseerd. Voorts is geen rekening gehouden met de al bestaande parkeerproblematiek.

10.1. De Afdeling overweegt dat in het verkeersonderzoek dat als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen is vermeld dat thans aan de Zuidzijde al is voorzien in 45 parkeerplaatsen en dat ten gevolge van de aanleg van het multifunctioneel centrum een parkeerbehoefte van 128 plaatsen bestaat. Op de locatie van het multifunctioneel centrum zijn thans 18 parkeerplaatsen aanwezig. Deze parkeerplaatsen zullen worden opgenomen in het nieuw aan te leggen parkeerterrein. Het nieuw aan te leggen parkeerterrein zal in minimaal 146 plaatsen voorzien, zodat het kan voorzien in de bestaande 18 parkeerplaatsen en de parkeerbehoefte van 128 plaatsen van het multifunctioneel centrum. In het studiegebied van het verkeersonderzoek zullen met de aanwezige 45 plaatsen aan de Zuidzijde minimaal 191 parkeerplaatsen aanwezig zijn, terwijl in het studiegebied behoefte bestaat aan 175 parkeerplaatsen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding aan de juistheid van dit onderzoek te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling is de parkeerbehoefte voldoende inzichtelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

11. De beroepen zijn ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

433.