Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2411

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201308499/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Gouwe Park en omgeving" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308499/1/R4.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

wijlen [appellant], voorheen wonend te Moordrecht, gemeente Zuidplas, thans haar rechtsopvolgers de erven van [appellant] (hierna: de erven),

en

de raad van de gemeente Zuidplas,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Gouwe Park en omgeving" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft wijlen [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De erven hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 april 2014, waar de erven, in de persoon van [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door P.J. van der Meer en G.E.M. van Opstal, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het bedrijventerrein Gouwe Park.

3. Het beroep van de erven is gericht tegen de bouwmogelijkheden op de gronden van het perceel [locatie] (hierna: het perceel). De erven willen in plaats van de twee woningen op het perceel, waarvan de bouwkundige staat zeer matig is, op het perceel nieuwbouw verwezenlijken. De erven kunnen zich in dit verband niet verenigen met de grootte van de vastgestelde bouwvlakken en de maximale goot- en bouwhoogte voor het perceel. Zij voeren aan dat het bouwvlak vrijwel krap op de gevels van de huidige bebouwing is gelegd. De erven wensen een bouwvlak dat wat lengte en breedte betreft meer mogelijkheden geeft om de nieuw te bouwen woningen vorm te geven. Tevens willen zij dat het bouwvlak binnen het kadastraal perceel wordt verschoven om bij nieuwbouw de te bouwen woningen in het midden van het perceel te kunnen bouwen. Daarbij wijzen de erven erop dat de huidige totaal bebouwde oppervlakte inclusief alle aanbouw en bijgebouwen groter is dan het thans vastgestelde bouwvlak. De erven stellen ten slotte dat een milieukundige onderbouwing voor de nieuwbouw nu niet noodzakelijk is. Deze milieukundige onderbouwing is volgens hen pas noodzakelijk op het moment dat bij nieuwbouw de woning een andere hoogte zal krijgen en staat los van het voorliggende plan.

3.1 De raad stelt dat in het plan de woningen aan de [locatie], die onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Gouwe Park en omgeving herziening ex artikel 30, lid 1 van de WRO" onder het overgangsrecht vielen, weer als zodanig zijn bestemd conform het bestaande gebruik. Nu het bestaande woningen langs een bestaande weg betreft, in de zin van artikel 76, derde lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), heeft de raad een akoestisch onderzoek als bedoeld in de Wgh niet noodzakelijk geacht. De raad stelt dat bij een verplaatsing en vergroting van het bouwvlak een akoestisch onderzoek als bedoeld in de Wgh noodzakelijk zou zijn geweest, waarbij moet worden getoetst als een nieuwe situatie. Gelet op de milieukundige onderbouwing van de Omgevingsdienst Midden-Holland van 19 februari 2013 komt binnen het gehele gebied de geluidbelasting echter uit boven de maximale grenswaarde van 53 dB uit de Wgh. Hierdoor zijn nieuwe woningen niet mogelijk binnen het kader van deze wet en het hogere waardenbeleid van de gemeente Zuidplas. De raad heeft geen rapportages ontvangen van de erven op grond waarvan aan dit onderzoek moet worden getwijfeld. Op grond van het vorenstaande heeft de raad ervan afgezien een verplaatsing en vergroting van het bouwvlak toe te staan.

3.2 Aan de gronden van het perceel [locatie] is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, van de planregels mogen op of in de tot "Wonen" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. hoofdgebouwen;

b. bijbehorende bouwwerken;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en terreinafscheidingen, palen, reclame- en lichtmasten.

Ingevolge lid 8.2.2 gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

b. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding met de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden’ is aangegeven;

c. de inhoud van een woning inclusief bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 750 m³;

d. de maximale goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ op de verbeelding is aangegeven.

3.3 Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wgh worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidbelasting vanwege de weg waarlangs de zone ligt, van de gevel van de woningen de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 of 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge het derde lid geldt, indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan een weg reeds aanwezig is of in aanleg is, het eerste lid niet met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de betreffende weg opgenomen woningen, die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, een akoestisch onderzoek ingesteld naar de geluidbelasting die door woningen binnen de zone vanwege de weg zou worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidbelasting beperken.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge het zevende lid van dit artikel kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot buiten de bebouwde kom nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd en die dienen ter vervanging van bestaande woningen, voor de te verwachten geluidbelasting vanwege een aanwezige weg een waarde van ten hoogste 58 dB worden vastgesteld, met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot:

a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur;

b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.

3.4 In de beleidsregel "Hogere waarden gemeente Zuidplas" is opgenomen dat de voorkeurgrenswaarden en de maximale grenswaarden voor wegverkeerslawaai voor woningen zijn overgenomen uit artikel 83 van de Wgh.

3.5 Uit artikel 77, eerste lid, van de Wgh, in samenhang met artikel 76, derde lid, van die wet volgt - anders dan de erven hebben betoogd - dat indien het plan niet enkel zou voorzien in het mogelijk maken van de reeds aanwezige woningen, bij de voorbereiding van het plan een akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de Wgh had moeten worden ingesteld. De raad heeft echter afgezien van vergroting en verplaatsing van het bouwvlak en een akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de Wgh, onder verwijzing naar het rapport van de Omgevingsdienst Midden-Holland van 19 februari 2013.

Uit dit rapport komt naar voren dat onder meer onderzoek is verricht naar de geluidbelasting op geluidgevoelige bestemmingen langs wegen, waaronder de woningen op het perceel. Het perceel is gelegen binnen de geluidzone van de Noord Ringdijk, een provinciale weg (de N207). Volgens een in het rapport opgenomen afbeelding waarin de resultaten van het onderzoek naar het wegverkeerslawaai staan weergegeven, heeft de geluidbelasting vanwege de weg een waarde die op het perceel uitkomt boven de 60 dB. Voorts blijkt uit de conclusie van het rapport dat in het plangebied de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen samen tussen de 60 en 70 dB ligt. De erven hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in dit rapport weergegeven bevindingen onjuist zijn. Nu het perceel is gelegen in buitenstedelijk gebied, waarvoor gelet op artikel 83, eerste en zevende lid, van de Wgh waarden van ten hoogste 53 dB en 58 dB zouden kunnen worden vastgesteld, is de raad terecht tot de conclusie gekomen dat een verplaatsing of vergroting van het bouwvlak op het perceel niet mogelijk is, gelet op voornoemde bepalingen van de Wgh. Het desbetreffende betoog faalt.

Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen de erven voor het overige hebben aangevoerd geen bespreking.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

271-817.