Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2410

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201309022/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2013 heeft het college op grond van artikel 110a in samenhang met de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder hogere grenswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai vastgesteld voor een aantal woningen in Numansdorp, te Cromstrijen, ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan "Torensteepolder".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309022/1/R4.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Numansdorp, gemeente Cromstrijen,

2. [appellant sub 2], wonend te Numansdorp, gemeente Cromstrijen,

3. [appellant sub 3], wonend te Numansdorp, gemeente Cromstrijen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2013 heeft het college op grond van artikel 110a in samenhang met de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder hogere grenswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai vastgesteld voor een aantal woningen in Numansdorp, te Cromstrijen, ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan "Torensteepolder".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2014, waar [appellant sub 2] en het college vertegenwoordigd door mr. E. J. van Huut, I. van der Venne, mr. D.H. van de Rijdt, bijgestaan door ing. A. van den Berg en ing. S. Meijerink, zijn verschenen.

Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en A. Ton, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit zijn voor de woningen aan de Tapuit 2, 4, 6, 8, 10 en 12, de Fazantstraat 3, 5, 7, 9, 11, 13 en 15, de Gruttostraat 1 en Goudvink 1 te Numansdorp in de gemeente Cromstrijen hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (hierna: hogere waarden) vastgesteld. De hogere waarden zijn vastgesteld in verband met de aanleg van een nieuwe weg tussen de Schuringsedijk en de Wethouder van der Veldenweg en de reconstructie van de Wethouder van der Veldenweg. De realisatie hiervan wordt in het bestemmingsplan "Torensteepolder" mogelijk gemaakt.

2. Het college stelt dat [appellant sub 3] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit en dat zijn beroep om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe brengt het college naar voren dat voor de woning van [appellant sub 3] bij het bestreden besluit geen hogere waarde is vastgesteld.

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden vanwege de voorgenomen aanleg van een nieuwe weg tussen de Schuringsedijk en de Wethouder van der Veldenweg en de reconstructie van de Wethouder van der Veldenweg, is een noodzakelijke voorwaarde om deze voorgenomen activiteit, eventueel na het nemen van vervolgbesluiten in het kader van de ruimtelijke ordening, te realiseren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 mei 2009 in zaak nr. 200805817/1/M2) zijn bij een dergelijk besluit rechtstreeks de belangen betrokken van iedere persoon die door de realisering van de voorgenomen activiteit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt.

2.3. Het perceel van [appellant sub 3] ligt in de directe nabijheid van de reconstructie van de Wethouder van der Veldenweg, waarvoor bij het bestreden besluit hogere waarden zijn vastgesteld. Onder deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat, nu [appellant sub 3] - als direct omwonende - belang heeft bij de voorgenomen reconstructie van de Wethouder van der Veldenweg, hij door het besluit tot vaststelling van hogere waarden rechtstreeks in zijn belang wordt geraakt. Gelet op het voorgaande kan [appellant sub 3] als belanghebbende bij het bestreden besluit, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt, zodat het door hem daartegen ingestelde beroep ontvankelijk is.

3. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, voor zover thans van belang, kan in nieuwe situaties voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor woningen in stedelijk gebied 58 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot woningen die reeds aanwezig of in aanbouw zijn, voor zover het woningen in binnenstedelijk gebied betreft voor de toekomstige geluidsbelasting vanwege een weg die nog niet is geprojecteerd een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, is, behoudens het tweede en derde lid, de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.

Ingevolge het derde lid, geldt, ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig […] was en niet eerder een hogere waarde […] is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd waren de heersende waarde.

Ingevolge artikel 100a kan in geval van een te reconstrueren weg voor de […] gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende worden vastgesteld, met dien verstande dat:

a. de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan, behoudens in gevallen waarin:

1°. ten gevolge van de reconstructie de geluidsbelasting van de gevel van ten minste een gelijk aantal woningen elders met een ten minste gelijke waarde zal verminderen, en

2°. de wegbeheerder heeft verklaard dat hij financiële middelen ter beschikking stelt uiterlijk voor afloop van de reconstructie ten behoeve van de toepassing van artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid, met betrekking tot woningen die door de reconstructie een hogere geluidsbelasting ondervinden, en

b. ingeval voor de betrokken woning eerder toepassing is gegeven aan artikel 83 of artikel 84, tweede lid, zoals dat luidde voor 1 september 1991 of, indien geen toepassing is gegeven aan het betrokken artikel en de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, de waarde niet hoger mag worden gesteld dan: 2°. 63 dB bij een reconstructie van een weg in stedelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid mag de krachtens het eerste lid, onder a, te stellen hogere waarde niet hoger worden gesteld dan 68 dB.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, is het college van burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Ingevolge het derde lid, kan deze waarde ambtshalve of op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden vastgesteld.

Ingevolge het vijfde lid vinden het eerste en tweede lid slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege […] de weg […] van de gevel van de betrokken woningen […] tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.

4. [appellant sub 3] vreest dat ter plaatse van zijn woning aan de [locatie] te Numansdorp niet voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een binnenwaarde van 33 dB als bedoeld in de Wet geluidhinder. Hij voert daartoe aan dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport ondeugdelijk is, omdat niet duidelijk is op welke wijze de verkeersgegevens zijn bepaald en in hoeverre daarbij rekening is gehouden met het te ontwikkelen verkeersplan in het centrum van Numansdorp waarbij het verkeer van en naar het centrum omgeleid zal worden naar de nieuwe ontsluitingsweg. Verder voert [appellant sub 3] in dit kader aan dat in de geluidberekeningen geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat zijn woning aan een bochtige weg staat. Ook zijn volgens hem de gekozen meetpunten niet de meetpunten waar de hoogste geluidbelastingen worden weergegeven. [appellant sub 3] voert verder aan dat het akoestisch rapport is opgesteld in opdracht van de projectontwikkelaar, zodat volgens hem getwijfeld moet worden aan de objectieve uitkomsten daarvan. Voorts betoogt [appellant sub 3] dat zijn woning ten onrechte niet is betrokken in de doelmatigheidsafweging om stil asfalt toe te passen om de geluidbelasting te beperken.

4.1. Het college stelt dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het besluit, omdat de regeling in de Wet geluidhinder niet strekt tot de bescherming van de belangen van [appellant sub 3] nu bij het bestreden besluit voor de woning van [appellant sub 3] geen hogere waarde is vastgesteld.

4.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb, vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 februari 2012 in zaak nr. 201106658/1/R3)− kort weergegeven en voor zover hier van belang - bevat hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen.

De regeling in de Wet geluidhinder strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de woningen vanwege de weg onderscheidenlijk de reconstructie van de weg maximaal mag optreden. Deze regeling strekt daarmee tot bescherming van de bewoners van de woningen ten aanzien waarvan een dergelijk besluit is genomen.

4.4. Onbetwist is dat [appellant sub 3] niet woonachtig is in een woning, noch eigenaar is van een woning waarvoor bij het bestreden besluit een hogere waarde is vastgesteld. Derhalve strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 3].

Gelet op het vorenstaande kan hetgeen [appellant sub 3] aanvoert over de bij het bestreden besluit vastgestelde hogere waarden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellant sub 3] terzake aanvoert.

5. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen dat voor hun woningen ten onrechte niet de in de Wet geluidhinder opgenomen voorkeursgrenswaarde van 48 dB in acht is genomen bij de keuze voor de aanleg van de nieuwe weg. Volgens hen zijn onvoldoende alternatieven voor de ligging van de nieuwe weg en de aansluiting daarvan op de bestaande wegen onderzocht. Volgens [appellant sub 2] heeft de gemeente zich hierbij te veel laten leiden door de plannen van de projectontwikkelaar. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen voorts dat de geluidbelasting bij hun woningen onvoldoende in kaart is gebracht in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport.

[appellant sub 1] voert daartoe aan dat ten onrechte alleen de geluidbelasting op de gevel van zijn woning vanwege de reconstructie van de Wethouder van der Veldenweg is berekend en niet ook de geluidbelasting vanwege de nieuw aan te leggen weg, terwijl zijn woning staat binnen de geluidzone van de nieuwe weg. Voorts voert hij aan dat het akoestisch rapport onduidelijkheden bevat, omdat niet duidelijk is wat de gevolgen zijn van het te ontwikkelen verkeersplan voor het centrum van Numansdorp en de aansluiting van de voorziene weg op de bestaande Schuringsedijk voor de geluidbelasting op de gevel van zijn woning.

[appellant sub 2] voert in dit kader aan dat bij de berekening van de geluidbelasting op de gevel van zijn woning ten onrechte is uitgegaan van de heersende waarde in plaats van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Volgens hem heeft reeds eerder een reconstructie van de Wethouder van der Veldenweg plaatsgevonden ten behoeve van een buslus en is de toen de geldende waarde niet herzien.

Voorts betoogt [appellant sub 2] dat de gemeente ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de nieuwe weg en de aansluiting daarvan op de Wethouder van der Veldenweg voor de luchtkwaliteit ter plaatse.

[appellant sub 2] betoogt daarnaast dat onvoldoende is gewaarborgd dat binnen zijn woning aan een binnenwaarde van 33 dB kan worden voldaan. [appellant sub 2] voert aan dat zijn woning geen ventilatieroosters heeft en hij vreest dat zijn woongenot wordt aangetast door het treffen van geluidbeperkende maatregelen aan de gevel van zijn woning.

5.1. Ten behoeve van het bestreden besluit is een akoestisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het door Goudappel en Coffeng opgestelde rapport "Akoestisch onderzoek Torensteepolder" van 8 april 2013.

In hoofdstuk 3 van het akoestisch rapport staat dat de berekeningen in overeenstemming met de standaardrekenmethode II van het Reken- en meetvoorschrift 2012 zijn verricht. Hierin is voorgeschreven dat met alle factoren die van belang zijn rekening gehouden wordt, zoals samenstelling van het verkeer, wegdektype, reflecties, afschermingen, bodem‐ en luchtdemping, kruispuntcorrecties en hoogteligging van de weg. In bijlage 1 bij het akoestisch rapport zijn de waarneempunten weergegeven die in het akoestisch rapport zijn betrokken.

Over de gehanteerde verkeersgegevens is in het akoestisch rapport vermeld dat deze zijn gebaseerd op verkeerstellingen en verkeerskundig onderzoek voor de verkeersgeneratie van de ontwikkelingen in het bestemmingsplan "Torensteepolder". In aanvulling daarop stelt het college dat in het verkeerscirculatieplan ervan is uitgegaan dat het centrum geen aantakking heeft op de verbindingsweg, zodat het verkeer vanuit het centrum niet over de nieuwe verbindingsweg zal rijden. De kruising van de voorziene weg met de bestaande Schuringsedijk zal volgens het college uitgevoerd worden met een zogenoemd "spoorwegmodel", waarbij het verkeer op beide wegen uitsluitend rechtdoor kan rijden en dit niet leidt tot extra verkeer op de nieuwe verbindingsweg. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om het standpunt van het college onjuist te achten. In het akoestisch rapport behoefde dan ook geen rekening te worden gehouden met mogelijk extra verkeer vanuit het centrum en de bestaande Schuringsedijk op de nieuwe voorziene weg.

Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] dat voor zijn woning ten onrechte niet de geluidbelasting vanwege de nieuwe weg is berekend, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. De berekende geluidbelastingen vanwege de nieuwe weg zijn in bijlage 2 van het akoestisch rapport opgenomen. Voor de woning van [appellant sub 1], aangeduid als waarneempunten 133 tot en met 136, blijft deze beneden de voorkeursgrenswaarde.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat in het akoestisch rapport ten onrechte de heersende waarde tot uitgangspunt is genomen, overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat voor de woning van [appellant sub 2] niet eerder een hogere waarde is vastgesteld. Evenmin is in geschil dat voor de Wethouder Van der Veldenweg sprake is van een reconstructie van een weg als bedoeld in de Wet geluidhinder. Gelet op het bepaalde in artikel 100, derde lid, van de Wet geluidhinder is in het akoestisch rapport dan ook terecht van de heersende waarde in plaats van de voorkeursgrenswaarde uitgegaan. De door [appellant sub 2] genoemde omstandigheid dat bij een eerdere reconstructie vanwege een buslus ten onrechte de heersende waarde niet is herzien, heeft geen betrekking op deze procedure en maakt de conclusie dat van de heersende waarde mocht worden uitgegaan ook niet anders.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is aangevoerd, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich bij de vaststelling van het bestreden besluit niet mocht baseren op de uitkomsten in het akoestisch rapport. De betogen falen in zoverre.

5.2. Uit het akoestisch rapport volgt dat ter plaatse van de woningen aan de Fazantstraat 5 en 7 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Bij het bestreden besluit zijn voor deze woningen hogere waarden vastgesteld van onderscheidenlijk 56 en 55 dB, omdat volgens het bestreden besluit het toepassen van geluidbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend is dan wel stuit op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeers- of vervoerskundige, landschappelijke en of financiële aard. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren dat het college onvoldoende heeft onderzocht of met een andere ligging van de nieuwe weg of een andere aansluiting van de nieuwe weg op de bestaande wegen wel voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, overweegt de Afdeling dat dit betrekking heeft op de planologische besluitvorming en daarom in deze procedure geen rol kan spelen. Dit geldt ook voor het betoog van [appellant sub 2] dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. De betogen falen in zoverre.

5.3. Wat betreft de binnenwaarde overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 112, aanhef en onder a, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, treft het college van burgemeester en wethouders, indien met betrekking tot aanwezige of in aanbouw zijnde woningen toepassing is gegeven aan artikel 100a, met betrekking tot de geluidwering van de gevels van de betrokken woningen maatregelen om te bevorderen dat de geluidbelasting, vanwege de weg, binnen de woning bij gesloten ramen na de reconstructie ten hoogste 33 dB bedraagt, ingeval voor de betrokken woningen bij de reconstructie voor de eerste maal een hogere waarde dan 48 dB, voor de geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, is vastgesteld.

5.4. Het college heeft bij het bestreden besluit op grond van artikel 100a van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld die betrekking hebben op de geluidbelasting van de gevels van de betrokken woningen. Voor de geluidbelasting binnen woningen geldt hetgeen is bepaald in artikel 112 van de Wet geluidhinder. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 14 april 2010 in zaak nr. 200905932/1/M2 volgt uit de systematiek van de artikelen 100a en 112 van de Wet geluidhinder dat eerst na vaststelling van hogere waarden behoeft te worden bepaald of gevelisolerende maatregelen moeten worden getroffen en staat de vraag of de verplichting hiertoe bestaat los van de beoordeling van de rechtmatigheid van het hogerewaardenbesluit. Het betoog faalt in zoverre.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Alderlieste

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

590.