Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201309130/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:7199, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2010 heeft de staatssecretaris het besluit van 11 maart 2008 ingetrokken en bepaald geen geluidwerende voorzieningen aan te brengen aan de woning [locatie] te Assendelft.

Wetsverwijzingen
Wet luchtvaart
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/716

Uitspraak

201309130/1/A2.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de erven van [appellant]

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 augustus 2013 in zaak nr. 12/646 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2010 heeft de staatssecretaris het besluit van 11 maart 2008 ingetrokken en bepaald geen geluidwerende voorzieningen aan te brengen aan de woning [locatie] te Assendelft.

Bij besluit van 30 december 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de erven hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2014, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.P.A. Balder, advocaat te Alkmaar, vergezeld door G. Bekebrede, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Van toepassing is de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997, Staatscourant 1997, nr. 47 pag. 16, zoals gewijzigd bij besluit van 12 november 1999, Staatscourant 1999, nr. 223 pag. 7 (hierna: de Regeling).

1.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, sub a, onder 2, van de Regeling, worden op 's rijkskosten geluidwerende voorzieningen aangebracht aan geluidgevoelige ruimten van een woning die volgens de in artikel 25d van de Luchtvaartwet bedoelde geluidscontouren een hogere geluidsbelasting dan 40 Ke ondervindt.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Regeling wordt, indien uit het in artikel 11, vierde lid, bedoelde akoestisch en bouwtechnisch onderzoek blijkt dat sprake is van gebreken of achterstallig onderhoud, waaronder niet wordt verstaan aanpassingen die rechtstreeks voortvloeien uit het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen, niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen overgegaan voordat bedoelde gebreken en achterstallig onderhoud binnen een door de minister gestelde termijn, door de eigenaar van de woning zijn opgeheven.

In het zesde lid van dat artikel is bepaald dat indien zich gedurende de uitvoering van de werkzaamheden in verband met het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen aan de woning constructieve gebreken openbaren die tot gevolg hebben dat de geluidwerende voorzieningen niet doelmatig kunnen worden aangebracht, en het Rijk die gebreken redelijkerwijs niet had behoeven te voorzien, de kosten in verband met het opheffen van die gebreken in overleg met de eigenaar op billijke wijze worden verdeeld tussen de eigenaar en het Rijk.

2. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft de staatssecretaris bepaald dat van rijkswege geluidwerende voorzieningen worden aangebracht aan de woning [locatie] te Assendelft. Voorafgaand aan dit besluit is een constructieve rapportage van Arcadis van 28 april 2006 opgesteld waarin aandacht is besteed aan de fundering van de woning. Uit een nadere rapportage van 8 november 2006 volgde dat de fundering onder de vierkantstijlen op een aantal punten diende te worden verstrekt voordat de draagkracht voldoende zou zijn om de toename van belasting door isolatiemaatregelen te kunnen opvangen. De kosten van de aanpassingen zouden door het Rijk worden gedragen. Voordat tot de uitvoering van het besluit van 11 maart 2008 kon worden overgegaan, diende een bouwvergunning te worden aangevraagd. Bij besluit van 10 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad een bouwvergunning verleend en daarbij aangegeven dat voorafgaande aan de aanvang van de werkzaamheden een rapportage ter zake van de draagkracht van de reeds aanwezige paalkoppen diende te worden overgelegd. Uit het funderingsonderzoek, uitgevoerd door Lankelma Geotechniek Beemster B.V., volgde dat de fundering van de achtergevel en de linker zijgevel in een zeer slechte staat verkeerde. Een aantal funderingspalen is ernstig aangetast door paalrot met als gevolg dat de betreffende gevels niet het gewicht van de woning kunnen dragen. Daarmee is het aanbrengen van isolatie onverantwoord, omdat de draagkracht van de bestaande paalkoppen niet voldoende is om de extra belasting als gevolg van het aanbrengen van geluidisolatie te kunnen opvangen. Omdat [appellant] niet bereid is gebleken de gebreken op zijn kosten te laten herstellen, heeft de staatssecretaris bij besluit van 2 december 2010 het besluit van 11 maart 2008 ingetrokken.

3. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 6, derde lid, van de Regeling van toepassing is en dat de financiƫle verantwoordelijkheid voor het herstel van de gebreken geheel bij [appellant] lag. Nu hij niet bereid is gebleken de geconstateerde gebreken aan zijn woning te laten herstellen, heeft de staatssecretaris het besluit van 11 maart 2008 terecht ingetrokken.

4. De erven betogen in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat zich een situatie als bedoeld in artikel 6, zesde lid, van de Regeling heeft voorgedaan, zodat geen beroep meer kan worden gedaan op het derde lid van genoemd artikel. Daartoe stellen zij dat het uitgevoerde onderzoek niet voldoet aan de eisen die de Regeling stelt en dat het handelen van de staatssecretaris in strijd is met de eisen van fair play.

4.1. Uit artikel 6, derde en zesde lid, van de Regeling alsmede uit de artikelsgewijze toelichting hierop volgt dat het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen alleen plaatsvindt aan geluidgevoelige ruimten die op grond van het akoestisch en bouwtechnisch onderzoek voldoen aan bepaalde eisen. Voor deze eisen is aansluiting gezocht bij de technische vereisten die het Bouwbesluit stelt. Indien uit onderzoek blijkt dat niet aan deze eisen is voldaan, heeft de eigenaar de mogelijkheid om deze ruimten alsnog daarmee in overeenstemming te brengen. De hiermee gemoeide kosten moeten door de eigenaar worden voldaan. Geluidwerende voorzieningen worden pas aangebracht nadat de gebreken en achterstallig onderhoud zijn opgeheven. In de praktijk kan het voorkomen dat constructieve gebreken zich pas tijdens het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen openbaren in de vorm van een gebrek dat verwijtbaar is aan de eigenaar, waardoor de geluidwerende voorzieningen niet doelmatig kunnen worden aangebracht. De kosten die gepaard gaan met het opheffen van die gebreken worden in overleg met de eigenaar op billijke wijze verdeeld tussen de eigenaar en het rijk.

4.2. De funderingsproblemen aan de woning zijn in dit geval niet tijdens het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen aan het licht gekomen. Anders dan de erven betogen, doet zich dus niet een situatie voor als bedoeld is artikel 6, zesde lid, van de Regeling en is de staatssecretaris reeds daarom niet gehouden de kosten die gepaard gaan met het herstel van de funderingsgebreken op billijke wijze te verdelen.

Voor zover de erven betogen dat het funderingsonderzoek uitgevoerd door Lankelma Geotechniek Beemster B.V. geen onderzoek is als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Regeling, omdat het in het kader van de verlening van de bouwvergunning is uitgevoerd en niet voorafgaande aan het besluit van 11 maart 2008, treft dit niet het gewenste doel. Het funderingsonderzoek ligt in het verlengde van eerder onderzoek gericht op de belasting op de fundering onder de vierkantstijlen. De funderingsproblemen, zoals die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek van Lankelma, zijn niet tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in verband met het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan het licht gekomen. Ook in het geval de paalrot in een eerder stadium zou zijn geconstateerd, dan was dit evenzeer voor rekening en risico van [appellant] gekomen.

De erven betogen ook tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris het beginsel van fair play heeft geschonden. Van een onjuist gebruik van bevoegdheden is niet gebleken. Nadat de staatssecretaris bekend werd met de paalrot is [appellant] meer dan een jaar de gelegenheid geboden om de fundering te herstellen, zodat uitvoering kon worden gegeven aan het besluit van 11 maart 2008. Het verder door [appellant] aangevoerde biedt evenmin grond voor het oordeel dat het college in strijd met het beginsel van fair play heeft gehandeld.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

299.