Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201307881/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:5285, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellante B] voor het jaar 2010 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 774,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307881/1/A2.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juli 2013 in zaak nr. 13/610 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellante B] voor het jaar 2010 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 774,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 5 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellante B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: de Wzt) is de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk van de draagkracht.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, tweede volzin, worden de verzekerde en zijn partner voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), ten tijde hier van belang, geldt deze wet voor inkomensafhankelijke regelingen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen verstaan onder verzamelinkomen: het verzamelinkomen bedoeld in artikel 2.189 van de Wet inkomstenbelasting 2011.

Ingevolge de aanhef en onder m, wordt verstaan onder niet in Nederland belastbaar inkomen: inkomen dat niet in het verzamelinkomen of het belastbare loon is begrepen omdat het niet behoort tot het Nederlandse inkomen, bedoeld in artikel 7.1 van de Wet inkomstenbelasting 2011, of omdat het is vrijgesteld op grond van bepalingen van interregionaal of internationaal recht.

Ingevolge aanhef en onder o, wordt verstaan onder inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Awir is de partner van de belanghebbende de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, ten tijde hier van belang, is het toetsingsinkomen: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

Ingevolge het tweede lid wordt niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld, in aanvulling op het eerste lid mede als toetsingsinkomen in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8a, eerste lid, wordt het niet in Nederland belastbaar inkomen vastgesteld door de inspecteur.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het niet in Nederland belastbaar inkomen ten aanzien van degene die binnenlandse belastingplichtige is voor de inkomstenbelasting: het verschil tussen het verzamelinkomen dat hij zou hebben genoten ingeval er geen vrijstelling van interregionaal of internationaal recht van toepassing zou zijn en het verzamelinkomen dat hij met toepassing van de vrijstelling geniet.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, worden voorschotten, indien deze zijn verleend, verrekend met de tegemoetkoming.

Ingevolge het derde lid kan de in het tweede lid bedoelde verrekening leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 21, aanhef en onder e, van de Awr is het inkomensgegeven, indien over een kalenderjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen.

2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep voor zover ingesteld door [appellant A] niet ontvankelijk is omdat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Derhalve zal de Afdeling alleen de gronden van het hoger beroep, voor zover deze zijn aangevoerd door [appellante B] bespreken.

3. [appellante B] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de vaststelling van het toetsingskomen het inkomen van [appellant A] niet in aanmerking had mogen nemen, omdat zijn inkomen is vrijgesteld van belasting in Nederland en [appellant A] geen rechten ontleent aan het Nederlandse zorgstelsel.

3.1. Dit betoog is een herhaling van hetgeen [appellante B] bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de vaststelling van de zorgtoeslag van [appellante B] over 2010 een juiste maatstaf heeft aangelegd. Ingevolge artikel 2 van de Wht gelezen in verbinding met artikel 7 en artikel 8, tweede lid, van de Awir dient de Belastingdienst/Toeslagen het door de inspecteur vastgestelde niet in Nederland belastbare inkomen van de partner als toetsingsinkomen voor de bepaling van de hoogte van de zorgtoeslag in aanmerking te nemen. Het niet toekennen van een voorschot zorgtoeslag is geen verkapte belasting en is derhalve niet in strijd met internationaal recht op grond waarvan het inkomen van [appellant A] niet in Nederland belastbaar inkomen is.

Het betoog faalt.

4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

17-809.