Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201308010/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:1563, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft het college een aanvraag van de erven om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308010/1/A2.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de erven van [appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 juli 2013 in zaak nr. 13/978 in het geding tussen:

de erven

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft het college een aanvraag van de erven om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2013 heeft het college het door de erven daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2013 heeft de rechtbank het door de erven daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de erven hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.3 betrekken burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval:

a. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak;

b. de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken.

2. [appellante] was tot haar overlijden op 28 mei 2010 eigenaar van het perceel aan de [locatie] te Schalkhaar (hierna: het perceel). Op 12 december 2011 hebben de erven een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade ingediend. Aan de aanvraag hebben zij ten grondslag gelegd dat de onder het bestemmingsplan Schalkhaar 1975 (hierna: het oude bestemmingsplan) bestaande mogelijkheid om een extra woning op het perceel op te richten bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Kom Schalkhaar 2005 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) is vervallen en dat dit de waarde van het perceel heeft verminderd.

3. Vaststaat dat [appellante] door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, op 27 augustus 2009, in een nadeliger positie is komen te verkeren en dientengevolge schade heeft geleden. In geschil is uitsluitend of de schade ten laste van de erven dient te blijven op de grond dat [appellante], door de onder het oude bestemmingsplan nog bestaande bouwmogelijkheid niet te benutten, het risico dat deze zou kunnen vervallen heeft aanvaard.

In dit verband is in de eerste plaats van belang of de voortekenen van de voor [appellante] nadelige planologische wijziging reeds enige tijd zichtbaar waren. Daartoe is, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201011354/1/H2), voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op het perceel zou gaan veranderen in een voor [appellante] ongunstige zin. Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is voldoende dat er een concreet beleidsvoornemen is dat openbaar is gemaakt. Niet is vereist dat dit beleidsvoornemen een formele status heeft.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 8 februari 2012 in zaak nr. 201105961/1), bestaat geen grond voor het aannemen van risicoaanvaarding, indien onder het oude planologische regime concrete pogingen zijn gedaan tot het realiseren van de bouwmogelijkheid die onder het nieuwe planologische regime is komen te vervallen.

4. Op 13 oktober 2005 is het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan ter inzage gelegd. Op 29 maart 2007 is het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan ter inzage gelegd. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde, diende vanaf dat moment een besluit op een aanvraag om bouwvergunning door het college te worden aangehouden. Niet in geschil is dat

[appellante] tussen 13 oktober 2005 en 29 maart 2007 geen actie heeft ondernemen om de onder het oude bestemmingsplan bestaande bouwmogelijkheid te benutten.

5. De erven betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het [appellante], gelet op het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan, duidelijk kon zijn dat de onder het oude bestemmingsplan bestaande bouwmogelijkheid zou komen te vervallen, zodat zij het risico van de voor haar nadelige planologische wijziging heeft aanvaard en geen grond voor het toekennen van een tegemoetkoming in de gestelde planschade bestaat. Daartoe wijzen zij op de toelichting bij het voorontwerp en op de gevorderde leeftijd van [appellante] ten tijde van de terinzagelegging van het voorontwerp. Voorts voeren zij aan dat het college heeft verzuimd om de omvang van de planschade te taxeren. Verder voeren zij aan dat afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in de planschade in strijd met in artikel 1 van het Eerste Protocol behorende bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is. Ten slotte voeren zij aan dat op oneigenlijke gronden is besloten de onder het oude bestemmingsplan bestaande mogelijkheid om een extra woning op het perceel op te richten te laten vervallen.

5.1. Niet in geschil is dat uit de bij het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan behorende voorschriften en plankaart valt af te leiden dat de onder het oude bestemmingsplan bestaande mogelijkheid om een extra woning op het perceel op te richten bij de inwerkingtreding van dat plan zou komen te vervallen.

In de toelichting bij het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan is onder paragraaf 3.2 vermeld dat bestaande bouwtitels uit het oude bestemmingsplan die nog niet zijn gebruikt in het nieuwe bestemmingsplan worden overgenomen. In de toelichting is voorts onder hoofdstuk 6 vermeld dat het nieuwe bestemmingsplan overwegend consoliderend van karakter is en dat de voorschriften en de plankaart er dan ook op zijn gericht zo veel mogelijk de bestaande situatie vast te leggen, waarbij in het nieuwe bestemmingsplan enerzijds voldoende flexibiliteit wordt geboden om gewenste uitbreidingen mogelijk te maken, maar tevens het behoud van de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de bestaande situatie wordt gegarandeerd.

Uit deze uiteenzetting valt niet af te leiden dat, zoals de erven stellen, het - in weerwil van de voorschriften en de plankaart - niet de bedoeling was de planologische situatie in het perceel te wijzigen. Daarbij is van belang dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, in de toelichting onder paragraaf 6.3 is vermeld dat hoofdregel is dat uitsluitend de, voor wat betreft het aantal, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan aanwezige woningen zijn toegestaan, dat op enkele locaties de bouw van (extra) nieuwe woningen mogelijk is en dat dat op de plankaart door middel van een aanduiding is aangegeven. Niet in geschil is dat een zodanige aanduiding niet aan het perceel is toegekend. Voor een redelijk denkend en handelend eigenaar van het perceel kon derhalve duidelijk zijn dat de onder het oude bestemmingsplan bestaande mogelijkheid om een extra woning op het perceel op te richten bij de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan zou komen vervallen.

Anders dan de erven kennelijk menen, is, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201011354/1/H2), niet vereist dat het bewustzijn van het risico daadwerkelijk bij [appellante] aanwezig was. Daar komt bij dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, haar gevorderde leeftijd ten tijde van de terinzagelegging van het voorontwerp op zichzelf niets zegt over haar geestesgesteldheid en mogelijkheden om de planologische ontwikkelingen te volgen. Zo zij al verminderd in staat zou zijn geweest om de planologische ontwikkelingen te volgen, had het op haar weg gelegen haar belangen op dit gebied door een derde te laten behartigen, zoals de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen.

Het eerste onderdeel van het betoog faalt.

5.2. Omdat het college zich, gelet op het vorenstaande, terecht op het standpunt heeft gesteld dat de planschade voor rekening van de erven dient te worden gelaten, was het college niet gehouden een oordeel over de omvang van de schade te geven.

Het tweede onderdeel van het betoog faalt evenzeer.

5.3. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 14 april 2010 in zaak nr. 200907391/1/H2), berooft een bestemmingsplan de eigenaar niet van zijn eigendom in de zin van die verdragsbepaling, maar behoudt deze daarover, binnen het vastgestelde planologische kader, de vrije beschikking. Voor zover de in een bestemmingsplan neergelegde beperkingen van het gebruik van een perceel al zijn aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van de eigendom, doet die verdragsbepaling niet af aan de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, zoals in de ter plaatse geldende bestemmingsplanregeling. Uit die verdragsbepaling volgt niet dat, bij het reguleren van het gebruik van de eigendom, in de in artikel 6.3 van de Wro bedoelde gevallen een tegemoetkoming in de schade als gevolg van de in een bestemmingsplan neergelegde beperkingen aan de eigenaar dient te worden toegekend.

Het derde onderdeel van het betoog faalt.

5.4. Voor zover bij de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, zoals de erven hebben gesteld, kan dat niet leiden tot het oordeel dat een besluit op een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade, waarbij die vaststelling als uitgangspunt geldt, niet rechtmatig is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2010 in zaak nr. 201002310/1/H2).

Het vierde onderdeel van het betoog faalt evenzeer.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

452.