Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201305822/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Doornhoek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305822/1/R3.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Veghel,

en

de raad van de gemeente Veghel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Doornhoek" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door A. Munster en drs. M. Wijers, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

3. [appellante], die is gevestigd op het adres [locatie] te Veghel, kan zich niet verenigen met de aanduiding "wro-zone afwijkingsmogelijkheid" en artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3 van de planregels om een zogeheten LNG/CNG-tankstation mogelijk te maken op een perceel in het zuidwesten van het plangebied, tussen de Corsica en de Doornhoek.

3.1. De raad heeft betoogd dat [appellante] geen belanghebbende is bij het bestreden onderdeel van het plan. Hij wijst er op dat [appellante] zelf geen brandstoffen verkoopt. Om die reden wordt zij niet in eventuele concurrentiebelangen geschaad.

3.2. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan door een belanghebbende beroep bij de Afdeling worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 maart 2007 in zaak nr. 200606317/1) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit is slechts het geval indien een onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen.

In het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [appellante] is vermeld dat de vennootschap ten doel heeft een garagebedrijf uit te oefenen, waaronder begrepen de verhuur, stalling en reparatie van automobielen alsmede de handel in automobiel-onderdelen, benodigdheden, olie en benzine. Verder ligt het bedrijf van [appellante] op een afstand van ongeveer 400 meter van het perceel waarop de afwijkingsbevoegdheid betrekking heeft. Omdat [appellante] tot doel heeft onder meer olie en benzine te verhandelen en gelet op de onderlinge afstand is zij naar het oordeel van de Afdeling werkzaam in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als het LNG/CNG-tankstation dat het plan bij de afwijkingsbevoegdheid mogelijk maakt. De Afdeling overweegt dan ook dat [appellante] door het bestemmingsplan kan worden geraakt in haar concurrentiebelang. De conclusie is dat [appellante] belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb beroep kan instellen

Inhoudelijk.

4. [appellante] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de afwijkingsmogelijkheid voor het LNG/CNG-tankstation. Hij betoogt dat het tankstation hoe dan ook gebouwd zal worden en dus bij recht mogelijk had moeten worden gemaakt. Volgens hem blijkt dit onder meer uit de plantoelichting, het feit dat een vergunning voor een LNG/CNG tankstation is aangevraagd en de bouwhoogtes die in artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3, van de planregels zijn voorgeschreven. Verder voert hij aan dat een LNG/CNG-tankstation niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij het plan is vermeld, waardoor onduidelijk is tot welke milieucategorie het tankstation zal gaan behoren. Door deze onduidelijkheid is eveneens onduidelijk waar de risicocontour van het tankstation zal komen te liggen en wat de aan te houden afstanden tot gebouwen in de omgeving zouden moeten zijn.

4.1. De raad heeft gesteld dat eind 2012 een onvolledige aanvraag om een omgevingsvergunning voor een tankstation op de betreffende locatie is ingediend. Deze aanvraag is in afwachting van de mogelijkheden die het voorliggende bestemmingsplan zou bieden, ingetrokken. Omdat verder ten tijde van het vaststellen van het plan geen zekerheid bestond over de verkoop van het perceel en de komst van een LNG/CNG-tankstation, heeft de raad er voor gekozen het tankstation niet bij recht mogelijk te maken maar een afwijkingsbevoegdheid in het plan op te nemen. Met betrekking tot de risicocontour heeft hij gesteld dat ten tijde van het vaststellen van het plan voor LNG-vulstations geen indicatieve richtafstanden bestonden. In een zogenoemde Quantitatieve Risico Analyse (hierna: QRA) zou volgens hem het veiligheidsrisico inzichtelijk moeten worden gemaakt. De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 zal dan op of binnen de perceelsgrens komen te liggen of voor een deel in openbaar gebied. Volgens indicatieve berekeningen is dit haalbaar, met risico-reducerende maatregelen en/of juiste situering binnen het terrein. In dat geval zou een LNG-tankstation vergelijkbaar zijn met hooguit een benzineservicestation met een beperkte doorvoer van minder dan 1.000 m3 LPG per jaar. In de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (hierna: VNG-brochure) is een dergelijk bedrijf als categorie 3.1 gekwalificeerd en hiervoor is in het kader van de veiligheid een afstand van 30 m tot woningen aanbevolen. De raad heeft gesteld dat deze afstand kan worden nageleefd. Voor CNG is in artikel 3.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een afstand van 20 m genoemd tussen afleverstations voor gecomprimeerd aardgas en (beperkt) kwetsbare objecten. Ook aan deze afstand wordt voldaan, aldus de raad.

4.2. Aan een perceel in het zuidwesten van het plangebied, tussen de wegen Corsica en Doornhoek, zijn de bestemming "Bedrijventerrein" en, voor zover van belang, de aanduidingen "bedrijf van categorie 2 t/m 3.2" en "wro-zone - afwijkingsmogelijkheid" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf van categorie 2 t/m 3.2" uitsluitend voor bedrijven die zijn genoemd in de als bijlage opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 2 t/m 3.2, (...).

Ingevolge lid 3.5, onder 3.5.3 kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 voor een tankstation, met dien verstande dat:

a. het tankstation uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - afwijkingsmogelijkheid";

b. uitsluitend sprake mag zijn van een verkooppunt motorbrandstoffen voor vrachtverkeer en een verkooppunt van uitsluitend LNG (Liquified Natural Gas)/CNG (Compressed Natural Gas) voor personenauto's;

c. een LPG-vulpunt niet is toegestaan;

d. voor het bouwen van gebouwen het bepaalde in 3.2.2 van toepassing is, met uitzondering van het bepaalde in 3.2.2 sub b;

e. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde het bepaalde in 3.2.3 van toepassing is, waarbij een maximale hoogte van 15 m is toegestaan.

4.3. Over de keuze van de raad om een afwijkingsbevoegdheid op te nemen in het plan in plaats van het LNG/CNG-tankstation bij recht mogelijk te maken, overweegt de Afdeling dat [appellante] de stelling van de raad dat geen aanvraag om een vergunning voor een LNG/CNG-tankstation was ingediend ten tijde van het plan, niet gemotiveerd heeft bestreden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu ten tijde van het vaststellen van het plan nog niet duidelijk was of er een tankstation zou komen, dit niet bij recht in het plan mogelijk hoefde te worden gemaakt.

Over de gevolgen voor de externe veiligheid overweegt de Afdeling dat de raad de door hem genoemde berekeningen of de QRA niet bij het plan heeft gevoegd of overgelegd. Ook anderszins heeft hij niet inzichtelijk gemaakt hoe groot de risicocontour rondom een LNG/CNG-station zal zijn. Het standpunt van de raad, dat de veiligheidscontouren rond een LNG/CNG-tankstation op het perceel dusdanig zijn dat geen risico's zijn te verwachten voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in de omgeving, wordt daarmee niet gedragen door een deugdelijke motivering en een zorgvuldig onderzoek. Het betoog slaagt.

5. [appellante] betoogt verder dat in de plantoelichting is vermeld dat op het perceel Corsica 2, dat buiten het plangebied ligt, een pluimveehouderij met een propaantank aanwezig is. Volgens [appellante] is de bedrijfsvoering en de bewoning ter plaatse illegaal en dient de raad handhavend op te treden.

Deze grond richt zich niet tegen het plan maar tegen de handhaving van een ander bestemmingsplan en kan om die reden in de voorliggende procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt dat uit een tekening in de plantoelichting blijkt dat het deel van het plangebied waarin het perceel ligt, bestemd is voor bedrijven van maximaal categorie 3.2. Volgens hem is nergens in het bestemmingsplan aangegeven dat van deze categorie kan worden afgeweken.

Dit betoog mist feitelijke grondslag. In artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3 van de planregels is een afwijkingsmogelijkheid geboden om bedrijven van een hogere milieucategorie toe te staan.

7. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de aanduiding "wro-zone afwijkingsmogelijkheid" die is toegekend aan een perceel in het zuidwesten van het plangebied tussen de Corsica en de Doornhoek en artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3 van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond.

8. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient met inachtneming van deze uitspraak te onderzoeken waar de veiligheidscontour vanwege het LNG/CNG-tankstation, dat door middel van de afwijkingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt, ligt en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek alsnog toereikend te motiveren waarom de veiligheidscontouren rond een LNG/CNG-tankstation op het perceel dusdanig zijn dat geen risico's zijn te verwachten voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in de omgeving, dan wel een nieuw besluit te nemen. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

9. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:80b, derde lid, van de Awb de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

10. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Veghel op om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak

- met inachtneming van hetgeen in 4.3 en 8 is overwogen het daar omschreven gebrek te herstellen en,

- de Afdeling en de andere partij de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Veghel van 18 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Doornhoek", voor zover het betreft de aanduiding "wro-zone - afwijkingsmogelijkheid" ter plaatse van het perceel tussen de wegen Corsica en Doornhoek en artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3 van de planregels.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

361.