Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:24

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
201211899/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:23623, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 2011 heeft de minister [appellante] een boete van € 6.750,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211899/1/A3.

Datum uitspraak: 15 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 7 november 2012 in zaak nr. 12/3636 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2011 heeft de minister [appellante] een boete van € 6.750,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw).

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.W.J. Crommelin, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:3, eerste lid, van de Atw voert een werkgever een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.

Ingevolge artikel 10:1 wordt het niet naleven van artikel 4:3, eerste lid, als overtreding aangemerkt.

Ingevolge artikel 10:5, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

Ingevolge het derde lid, gelden de ter zake van deze wet en de daarop berustende bepalingen gestelde overtredingen ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie de overtreding is begaan, en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan deze overtreding is begaan.

Ingevolge artikel 10:7, derde lid, eerste volzin, stelt de minister beleidsregels vast, waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 3.2:1 van het Arbeidstijdenbesluit bewaart de werkgever de gegevens en bescheiden met betrekking tot de in artikel 4:3 van de Atw neergelegde registratieverplichting ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de desbetreffende gegevens en bescheiden betrekking hebben.

Volgens artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit (Staatscourant 2009, nr. 14905, hierna: de Beleidsregel) worden bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Atw voor alle overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet’ die als bijlage 1 bij deze beleidsregel is gevoegd.

Volgens het tweede lid wordt bij de toepassing hiervan onderscheid gemaakt tussen:

a. overtredingen waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld en pas in tweede instantie, nadat nogmaals is geconstateerd dat eenzelfde wettelijke verplichting niet is nageleefd of dat de betreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete;

b. overtredingen waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd die worden genoemd in de lijst die is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregels.

Volgens artikel 2, eerste lid, zijn de in bijlage 1 genoemde boetenormbedragen uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor een werkgever die 50 of meer, maar minder dan 100 werknemers in dienst heeft (middelgroot bedrijf).

Volgens artikel 6 wordt het op grond van voorgaande artikelen bepaalde boetebedrag met anderhalf vermenigvuldigd, indien het gaat om een overtreding waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd, zoals genoemd in de lijst die is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregel.

Uit bijlage 1 van de Beleidsregel volgt dat voor het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie € 4.500,00 als boetenormbedrag is vastgesteld. Uit bijlage 2, onder a, volgt dat het een overtreding betreft waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

2. Naar aanleiding van een klacht dat vijftienjarigen werkzaam zouden zijn bij [appellante] heeft de Arbeidsinspectie op 22 maart 2011 in twee franchisebedrijven van [appellante] een controle uitgevoerd.

3. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 mei 2011 heeft de minister [appellante] beboet wegens overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw. De minister heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat [appellante] geen deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden over de keuringsperiode, betreffende de weken 51 en 52 van het jaar 2010 en de weken 1 en 2 van het jaar 2011, heeft kunnen tonen. [appellante] heeft te kennen gegeven dat de klokkaarten van de parttime-medewerkers na controle en verwerking in de loonadministratie aan hen worden geretourneerd. Verdere registratie van de arbeids- en rusttijden van de medewerkers wordt niet bijgehouden. Een volledige inspectie is hierdoor niet mogelijk. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat met een waarschuwing niet kon worden volstaan en dat de hoogte van de opgelegde boete overeenkomstig de Beleidsregel is. Ten slotte zijn er geen omstandigheden gesteld of gebleken die reden zijn om van de Beleidsregel af te wijken, aldus de minister.

4. De rechtbank heeft overwogen dat voldoende vaststaat dat [appellante] geen deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden heeft gevoerd, dat daarmee artikel 4:3 van de Atw is geschonden en dat de minister op grond daarvan bevoegd was tot het opleggen van een boete. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de hoogte van de boete geheel in overeenstemming is met de Beleidsregel, die in zijn algemeenheid niet onredelijk wordt geacht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] geen omstandigheden heeft aangevoerd, waaruit blijkt dat zij door de boete onevenredig wordt getroffen.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister niet bevoegd was tot het opleggen van de boete. Zij voert hiertoe aan dat de boete ongefundeerd en volstrekt willekeurig is en is vastgesteld wegens het ontbreken van een aantal klokkaarten. [appellante] stelt dat van medewerkers die een week niet hebben gewerkt, geen klokkaart voor die week bestaat die kan worden overgelegd. [appellante] heeft voorts voor zover mogelijk alle bestaande klokkaarten overgelegd. Eén medewerker heeft geweigerd haar klokkaart te retourneren.

Voorts heeft de rechtbank miskend dat, nu maar van één medewerker geen volledige registratie kon worden overgelegd, de minister de boete maar voor één medewerker had mogen opleggen, aldus [appellante].

5.1. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen deugdelijke registratie over arbeids- en rusttijden heeft gevoerd. [appellante] heeft de klokkaarten van de periode van 10 tot en met 16 januari 2011 niet overgelegd, terwijl dit door de minister wel was verzocht. Voorts heeft [appellante] bij brief van 4 februari 2012 te kennen gegeven dat het ontbreken van klokkaarten betekent dat de desbetreffende medewerker uit dienst is getreden dan wel de kaarten heeft weggegooid, nu de parttime medewerkers de klokkaarten na controle en verwerking mee naar huis kunnen nemen. Er wordt geen nadere registratie bijgehouden. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat reeds daarom er niet op kan worden vertrouwd dat de overgelegde klokkaarten de volledige registratie behelzen. Voorts heeft de minister terecht gesteld dat, anders dan [appellante] stelt, ook van medewerkers die een week niet hebben gewerkt een klokkaart aanwezig kan zijn. [appellante] heeft lege klokkaarten van medewerkers overgelegd, waarop onder meer ‘vakantie’ of ‘ziek’ is geschreven. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de oorzaak van ontbrekende klokkaarten is dat er in die week niet is gewerkt. Tevens heeft de Arbeidsinspectie geconstateerd dat een medewerker, volgens de klokkaarten, op dezelfde tijden in twee vestigingen tegelijkertijd heeft gewerkt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister bevoegd was [appellante] een boete op te leggen.

5.2. De hoogte van de boete is, anders dan [appellante] stelt, niet gerelateerd aan het aantal personen waarvan de registratie ondeugdelijk is, maar aan het aantal werknemers van het bedrijf. De rechtbank heeft de Beleidsregel, voor zover thans in geding, in zijn algemeenheid terecht niet onredelijk geacht.

Zoals is overwogen onder 5.1., was de registratie van de arbeids- en rusttijden niet deugdelijk. Voor die ondeugdelijkheid is volgens artikel 2, eerste lid en bijlage 1, van de Beleidsregel voor een middelgroot bedrijf als [appellante] een boete vastgesteld van € 4.500,00. Nu de overtreding is genoemd in bijlage 2 van de Beleidsregel wordt dit boetebedrag vermenigvuldigd met 1,5, overeenkomstig artikel 6 van de Beleidsregel. Het boetebedrag komt dan uit op € 6.750,00. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister de hoogte van de boete in overeenstemming met de Beleidsregel heeft vastgesteld en dat [appellante] geen omstandigheden heeft aangevoerd, waaruit blijkt dat zij door de boete onevenredig wordt getroffen. Ook overigens heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien te oordelen dat de boete niet evenredig is.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2014

280-773.