Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201307733/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2012 heeft de minister een verzoek om nadeelcompensatie van [appellant] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/725
JOM 2014/894
OGR-Updates.nl 2014-0175

Uitspraak

201307733/1/A2.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 juli 2013 in zaak nr. 13/370 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2012 heeft de minister een verzoek om nadeelcompensatie van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2012 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 november 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2014, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. R. van der Weel-van der Neut, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog foto’s in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. [appellant] is sinds 1998 eigenaar van een woning aan de [locatie] te [plaats]. Hij heeft verzocht om vergoeding van schade, groot € 18.000,00, zijnde de kosten om de zolder te verbouwen tot werkkamer en te isoleren. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij door de verhoging van een dijk met 0,9 meter op 200 meter afstand van zijn woning geen uitzicht meer heeft op de Westerschelde vanuit zijn werkkamer op de eerste etage van zijn woning. Door de verplaatsing van de werkkamer heeft hij weer uitzicht over de Westerschelde en heeft hij de schade in de vorm van waardevermindering beperkt.

3. De dijkverhoging is mogelijk gemaakt door het projectplan "Verbetering waterkering voorhavens Terneuzen" van 13 juli 2010 van Rijkswaterstaat Zeeland. Dit plan is gebaseerd op de Waterwet.

4. Ingevolge artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet wordt aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het vijfde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de schade die krachtens het eerste lid voor vergoeding in aanmerking komt.

4.1. De minister heeft geen nadere regels als bedoeld in artikel 7.14, vijfde lid, van de Waterwet vastgesteld en het verzoek beoordeeld aan de hand van de beleidsregels neergelegd in de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (de Regeling). De grondslag van beide schadevergoedingsregelingen is het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten.

5. De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet heeft onderkend dat artikel 7.14 van de Waterwet een zelfstandige schaderegeling kent en een onjuiste wettelijke grondslag heeft gehanteerd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat de minister ter zitting heeft aangetoond dat de dijkverhoging niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het uitzicht vanuit de woning van [appellant].

6. Bij besluit van 31 augustus 2012 heeft de minister zich, conform het advies van 8 augustus 2012, op het standpunt gesteld dat het gestelde verlies aan uitzicht het gevolg is van de dijkverhoging en dat [appellant] tot een beperkte groep bewoners behoort wiens uitzicht wordt belemmerd door de dijkverhoging. Aan de afwijzing van het verzoek is ten grondslag gelegd dat [appellant] niet in een nadeliger positie is komen te verkeren, omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld op 25 november 1976, de dijkverhoging reeds mogelijk maakte en daarin geen grenzen zijn opgenomen ten aanzien van de hoogte van de zeewering. [appellant] diende er derhalve rekening mee te houden dat op enig moment de dijk zou worden verhoogd. Bij besluit van 29 november 2012 heeft de minister geen aanleiding gezien terug te komen op de afwijzing van het verzoek. Daaraan heeft hij mede ten grondslag gelegd dat, gelet op de stijging van de zeespiegel, een dijkverhoging als een normale maatschappelijke ontwikkeling in het algemeen belang moet worden beschouwd en dat [appellant] reeds daarom rekening diende te houden met een dijkverhoging.

6.1. [appellant] betoogt terecht dat aan de afwijzing niet ten grondslag kan worden gelegd dat hij niet in een nadeliger positie is komen te verkeren, omdat het vigerende bestemmingsplan de dijkverhoging reeds mogelijk maakte. Voor de beoordeling van een verzoek om nadeelcompensatie op grond van de Regeling dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situaties met en zonder de uitvoering van het projectplan. In het bestemmingsplan zijn in het geheel geen grenzen aan de dijkverhoging gesteld, zodat de door de schadecommissie voorgestane planologische vergelijking tussen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en het projectplan niet goed mogelijk is en bovendien altijd tot de conclusie zou leiden dat een nadeliger situatie zich niet voordoet.

De minister heeft evenmin gemotiveerd dat de dijkverhoging voorzienbaar kan worden geacht, omdat deze ten tijde van de aankoop van de woning in concrete beleidsdocumenten was neergelegd of anderszins kenbaar was.

6.2. [appellant] betoogt voorts terecht dat de minister zich weliswaar op het standpunt heeft gesteld dat de verhoging van een dijk als een normale maatschappelijke ontwikkeling is aan te merken, maar ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de vraag of de door hem geleden schade onder het normaal maatschappelijk risico valt. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 9 april 2014 heeft overwogen in zaak nr. 201211639/1/A2 dient de vraag of de gevolgen van een overheidshandeling al dan niet buiten het normale maatschappelijke risico vallen, te worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de schade. De omstandigheid dat schade het gevolg is van een normale maatschappelijke ontwikkeling betekent niet dat de schade reeds daarom binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Voor zover de minister zich eerst ter zitting bij de rechtbank en in afwijking van zijn eerder ingenomen standpunt op het standpunt stelt dat de dijkverhoging niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het uitzicht vanuit de woning en derhalve niet tot schade kan hebben geleid, is dit standpunt ontoereikend gemotiveerd. Op grond van de, ook ter zitting in hoger beroep, overgelegde foto’s kan niet zonder meer worden vastgesteld dat [appellant] geen uitzichtschade heeft geleden. Ook de eerst bij de rechtbank overgelegde WOZ-waarden van de woning zijn daartoe onvoldoende.

Het betoog slaagt.

7. De conclusie is dat het besluit van 29 november 2012, in strijd met artikel 7:12 van de Awb, niet toereikend is gemotiveerd. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de minister op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het door haar vastgestelde gebrek in het besluit van 29 november 2012 binnen veertien weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen door dat besluit alsnog toereikend te motiveren en het zo nodig te wijzigen. De minister dient alsnog te bepalen in hoeverre de door [appellant] geleden schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Voor het vaststellen van de omvang van de schade kan de minister een taxateur raadplegen. Voor de beoordeling of de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt, is van belang, dat de ligging van een woning vlak bij een dijk, leidt tot een verhoogde kans op het ontstaan van uitzichtschade als gevolg van de ophoging van een dijk. Gelet op de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 april 2014 ligt het in de rede een drempel van 5% te hanteren.

8. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de minister van Infrastructuur en Milieu op binnen veertien weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 29 november 2012, kenmerk RWS 2012 3618, te herstellen, indien nodig een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

299.