Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201305764/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2012, met kenmerk 2012/37499, heeft het college een verzoek om handhaving van [wederpartij] en anderen tegen het houden van twee horecaterrassen op het perceel [locatie] te Aarlanderveen (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305764/1/A1.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te Aarlanderveen, gemeente Alphen aan den Rijn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 mei 2013 in zaak nr. 13/234 in het geding tussen:

[wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C], [wederpartij D], [wederpartij E], [wederpartij F], [wederpartij G], [wederpartij H] en [wederpartij I], allen wonend te Aarlanderveen, gemeente Alphen aan den Rijn (hierna: [wederpartij] en anderen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2012, met kenmerk 2012/37499, heeft het college een verzoek om handhaving van [wederpartij] en anderen tegen het houden van twee horecaterrassen op het perceel [locatie] te Aarlanderveen (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij afzonderlijk besluit van 13 augustus 2012, met kenmerk 2012/37686, heeft het college een verzoek om handhaving van [wederpartij] en anderen tegen het openstellen van een terras voor willekeurige voorbijgangers aan de voorzijde van het perceel, eveneens afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2012 heeft het college de door [wederpartij] en anderen tegen beide besluiten van 13 augustus 2012 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek ten aanzien van het openstellen van het terras aan de voorzijde van het perceel voor passanten en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] en anderen hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 20 september 2013 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, de weigering om handhavend op te treden tegen de openstelling van het terras aan de voorzijde van het perceel voor passanten, ingetrokken. Het heeft daarbij medegedeeld dat is geconstateerd dat dit terras is verwijderd en aangekondigd dat indien het wordt gebruikt voor passanten of daarvan een concreet vermoeden is, handhavend zal worden opgetreden.

[appellant] heeft hierop bij brief van 7 februari 2014 een schriftelijke reactie gegeven.

[wederpartij] en anderen hebben bij brief van 20 februari 2014 een schriftelijke reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld door P.G. van Egmond, en het college, vertegenwoordigd door I.M. Borst, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [wederpartij] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

1. Evenals de rechtbank, gaat de Afdeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. [appellant] is een party- en zalencentrum op het perceel. [wederpartij] en anderen zijn allen omwonenden. Op 5 juni 2012 hebben zij een verzoek om handhaving bij het college ingediend ten aanzien van het gebruik als terras van de voor- en achtertuin van het perceel. Op 18 juni 2012 hebben zij daarnaast een verzoek om handhaving ingediend ten aanzien van de openstelling van het terras aan de voorzijde van het perceel, voor willekeurige voorbijgangers, ofwel passanten.

Nu uitsluitend [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, beperkt het geschil zich tot het gebruik van het terras aan de voorzijde van het perceel door passanten.

2. Ter plaatse geldt - met uitzondering van enkele plandelen - het op 27 november 2008 door de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn vastgestelde bestemmingsplan "Aarlanderveen".

Bij de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2010 (in zaak nr. 200905584/1/R1) heeft de Afdeling het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 juli 2009 voor dit plan gedeeltelijk vernietigd en, zelf voorziend, goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" met de aanduidingen "(p)" en "(tr)" aan de achterzijde, en aan het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" met de aanduiding "(p)" aan de voorzijde van het perceel.

Deze plandelen zijn dan ook niet in werking getreden en voor die gedeelten van het perceel geldt dientengevolge nog het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993". Ten aanzien van het hoofdgebouw op het perceel is het bestemmingsplan "Aarlanderveen" wel in werking getreden.

Bij de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 14 april 2010 is geoordeeld dat het gebruik van de tuin aan de voorzijde van het perceel als terras ingevolge het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993" bij recht is toegestaan.

Ingevolge het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993" rust op de voor- en achtertuin van het perceel de bestemming "Tuinen".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge het bestemmingsplan "Aarlanderveen" rust op het hoofdgebouw de bestemming "Horecadoeleinden (H)".

Ingevolge artikel 10.1 van de planvoorschriften, gelezen in verbinding met de plankaart, geldt voor het hoofdgebouw de aanduiding "H1", welke de nadere bestemming "Partycentrum en zaalaccomodatie" vermeldt.

Ingevolge artikel 27.3 mag het gebruik dat op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het plan, van in het plan begrepen gronden en bouwwerken in afwijking van het plan - behoudens het in dit artikel bepaalde - wordt gemaakt:

a. worden voortgezet, en

b. worden veranderd, mits daardoor de afwijkingen van het plan niet worden vergroot.

Het in de vorige zin bepaalde geldt niet, indien:

- het betreft een gebruik dat reeds in strijd met het vorige, voor het onderhavige plan geldende bestemmingsplan werd gemaakt en

- dat gebruik een aanvang heeft genomen, nadat dat vorige bestemmingsplan onherroepelijk was geworden.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank met betrekking tot het verzoek om handhaving tegen de openstelling van het terras aan de voorzijde van het perceel voor passanten, ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat dit in strijd is met de voor het perceel geldende bestemmingsplannen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2010 voert hij daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij het terrein aan de voorzijde van het perceel mag gebruiken als terras ten dienste van de bestemming die het hoofdgebouw onder de gelding van het voormalige bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993" had. Aangezien dat de bestemming "Horecadoeleinden met bijbehorende erven" was, welke bestemming niet was beperkt tot de nadere bestemming "Partycentrum en zaalaccomodatie", is het hem niet verboden zijn terras open te stellen voor passanten, aldus [appellant].

3.1. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, heeft voor de voorzijde van het perceel het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993" gelding behouden. Dit bestemmingsplan kent aan die voorzijde de bestemming "Tuinen" toe, welke bestemming is gerelateerd aan de bestemming van het hoofdgebouw. De bestemming van het hoofdgebouw is bij het bestemmingsplan "Aarlanderveen" beperkt tot de nadere bestemming H1, "Partycentrum en zaalaccomodatie".

Deze bestemmingsplannen in hun onderlinge samenhang gelezen, moeten, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2010, zo worden uitgelegd, dat op het perceel aan de voorzijde uitsluitend een terras is toegestaan dat verband houdt met de beperkte horecabestemming van het hoofdgebouw, namelijk alleen ten behoeve van het gebruik van het hoofdgebouw als partycentrum en zaalaccomodatie.

De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het openstellen van het horecaterras aan de voorzijde van het perceel voor passanten, ingevolge artikel 18, eerste lid, van het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993" niet is toegestaan, aangezien dergelijk gebruik daar niet onder valt.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat als het gebruik van het terras aan de voorzijde van het perceel ten behoeve van passanten in strijd met de geldende bestemmingsplannen moet worden geoordeeld, daarop het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Aarlanderveen" van toepassing is. Hij voert daartoe aan dat dit gebruik op het tijdstip van het onherroepelijk worden van dit plan reeds plaatsvond. Dit volgt volgens hem uit de omstandigheid dat hij dit terras reeds in 2007 heeft ingericht en hij heeft, naar hij stelt, voldoende aannemelijk gemaakt dat dit terras in elk geval in 2009 als zodanig in gebruik was, ook ten behoeve van passanten.

4.1. Zoals hiervoor is overwogen, is bij het voor het hoofdgebouw in werking getreden bestemmingsplan "Aarlanderveen" de horecabestemming van het hoofdgebouw beperkt, hetgeen mede van invloed is op het ingevolge artikel 18 van het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993" toegestane gebruik van het terras aan de voorzijde van het perceel, nu ook dat gebruik daardoor is beperkt.

Voor zover [appellant] ter zake van het gebruik van dat terras voor passanten een beroep doet op het overgangsrecht, kan dat beroep slechts betrekking hebben op het gebruiksovergangsrecht zoals neergelegd in artikel 27.3 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Aarlanderveen". De overgangsrechtelijke bepalingen van het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993" zijn niet relevant, omdat het gebruik van het terras aan de voorzijde ten behoeve van passanten, onder de gelding van de ruimere horecabestemming die het hoofdgebouw volgens dat bestemmingsplan had, niet met dat bestemmingsplan in strijd was.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 februari 2006, zaak nr. 200503095/1) dient degene die zich op overgangsrecht beroept, feiten en omstandigheden waarop dat beroep rust aannemelijk te maken.

Het is aan [appellant] om aannemelijk te maken dat het gebruik van het terras aan de voorzijde van het perceel ten behoeve van passanten op de peildatum reeds plaatsvond.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat op de peildatum, te weten 14 april 2010, het terras voor passanten in gebruik was. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat dit gebruik niet uit het constateringsrapport van het college van 9 en 10 juni 2009 blijkt. Weliswaar is daarin vermeld: "Het terras is in gebruik voor iedereen (ook passanten)", maar op de bijbehorende foto’s is slechts een leeg terras te zien, zodat onduidelijk is waarop die vermelding is gebaseerd. De op 7 februari 2014 door [appellant] in het geding gebrachte lijst met personen die daarbij verklaren in 2008 op het terras aan de wegzijde van studio [appellant] "een drankje te hebben genuttigd", is eveneens onvoldoende. Deze verklaring is te onbepaald, nu daaruit bijvoorbeeld niet blijkt of aan deze personen als bezoeker van het partycentrum/zalencentrum, dan wel als passant drank is verstrekt.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de toepasselijkheid van het overgangsrecht onvoldoende aannemelijk is gemaakt, mede in het licht van de stelling van [wederpartij] en anderen, dat het terras tot juni 2012 niet ten behoeve van passanten werd gebruikt. Daarbij wordt verder in aanmerking genomen dat uit de gedingstukken blijkt dat de beperking van de horecabestemming in het bestemmingsplan "Aarlanderveen" erop was gericht de gebruiksbestemming van het gebouw met het feitelijke gebruik daarvan in overeenstemming te brengen. Over dat feitelijke gebruik heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] bij pleitnotitie ter zitting voor de rechtbank op 12 januari 2007 opgemerkt:

"De huidige commerciële activiteiten zoals recepties, condoleances, feesten, vergaderingen etc. wil de heer [appellant] voortzetten. De andere poot van het bedrijf, namelijk de culturele activiteiten, zoals concerten, koffieconcerten, try-outs, solistenconcoursen, jeugdfestivals, toneeluitvoeringen, oranjefestiviteiten etc. in Studio [appellant] wil de heer [appellant] door een aanpassing van de zaal meer armslag geven. De beoogde bedrijfsfeesten zijn een extra uitbreiding van de mogelijkheden."

Verder is in rechtsoverweging 2.4 van de tussen partijen gewezen uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010 (zaak nr. 201000627/1/H1) overwogen: "Gelet op de aard van de feesten en partijen die plaatsvinden bij Studio [appellant] en de mogelijkheid die aan groepen wordt geboden om aldaar te eten, …".

Het voorgaande duidt niet op bestaand gebruik van het terras aan de voorzijde van het perceel ten behoeve van het verstrekken van drank en etenswaren aan passanten. De stelling dat dit ten tijde van belang bestaand gebruik was, kan, als eerder overwogen, niet op objectieve gegevens worden gebaseerd. Hoewel niet valt uit te sluiten dat, zoals [appellant] stelt, op momenten dat het terras ten behoeve van het partycentrum/zalencentrum in gebruik was, ook toevallige passanten op het terras plaatsnamen, is dat onvoldoende voor een geslaagd beroep op het overgangsrecht.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Bij besluit van 20 september 2013 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] en anderen gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Dat wil zeggen dat van de zijde van [appellant] van rechtswege beroep tegen dit besluit is ontstaan.

7. [appellant] betoogt dat het college bij dit besluit de weigering om handhavend op te treden ten onrechte heeft ingetrokken.

Volgens hem is dit gebruik in overeenstemming met het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993", zoals dit voor het terras is blijven gelden. Daarbij verwijst hij naar hetgeen ter zake in de eerder vermelde uitspraak van de Afdeling van 14 april 2010 is overwogen.

Verder betoogt [appellant] dat dit gebruik in elk geval wordt beschermd door het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Aarlanderveen". Daarbij dient volgens hem in aanmerking te worden genomen dat op grond van dat overgangsrecht het gebruik van het hoofdgebouw voor algemene horecadoeleinden mag worden voortgezet, en derhalve ook het gebruik van het terras ten behoeve daarvan.

7.1. Het college heeft zich in het besluit van 20 september 2013 terecht op het standpunt gesteld dat indien wordt geconstateerd dat het terras aan de voorzijde ten behoeve van passanten wordt gebruikt, zich een overtreding van het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993" voordoet, waartegen handhavend kan worden opgetreden. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen.

Het betoog dat het college heeft miskend dat dit gebruik wordt beschermd door het overgangsrecht zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Aarlanderveen", slaagt evenmin. Daartoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen. Dat, zoals [appellant] stelt, volgens het overgangsrecht van artikel 27.3 van de planvoorschriften het hoofdgebouw onverminderd voor algemene horecadoeleinden mag worden gebruikt en dat dat ook heeft te gelden voor het terras, is niet gebleken. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, is ook ten aanzien van het gebruik van het hoofdgebouw niet gebleken dat dit onder de gelding van het bestemmingsplan "Aarlanderveen 1993" diende ten behoeve van algemene horecadoeleinden, zoals bar, café of restaurant, waarbinnen het gebruik van het terras ten behoeve van passanten zou passen.

De betogen falen.

8. Het beroep tegen het besluit van 20 september 2013 is ongegrond.

9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

10. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn van 20 september 2013, kenmerk 2013/39226, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Bolleboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014