Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2356

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201400157/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een metaalrecyclingbedrijf aan de [locatie] te Weert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400157/1/A4.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Weert,

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een metaalrecyclingbedrijf aan de [locatie] te Weert.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door ing. G.N.P. Beelen en drs. M.N. Cramers-Haldermans, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. E.A.W. Driest, advocaat te Leiden, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten, waaronder de Wet milieubeheer, gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak wordt dan ook de Wet milieubeheer aangehaald, zoals zij luidde voordat zij bij invoering van de Wabo werd gewijzigd.

2. Bij besluit van 5 februari 1992 heeft het college voor de inrichting op grond van de Hinderwet een vergunning verleend. Ten opzichte van deze eerdere vergunning voorziet de thans gevraagde revisievergunning in een uitbreiding van de metalen die binnen de inrichting worden opgeslagen, bewerkt en verwerkt, en de daarbij gebruikte methoden. Ook voorziet de gevraagde revisievergunning in een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing.

3. Bij uitspraken van 19 mei 2010 in zaak nr. 200904668/1/M1 en van 30 mei 2012 in zaak nr. 201101156/1/A4 heeft de Afdeling eerdere besluiten van het college tot weigering van de gevraagde revisievergunning vernietigd.

4. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

5. Bij het bestreden besluit van 26 november 2013 heeft het college de gevraagde revisievergunning onder meer geweigerd omdat bij verlening daarvan strijd zou ontstaan met het bestemmingsplan "Buitengebied 2011", door overschrijding van het daarin opgenomen bouwvlak. Het is volgens het college niet mogelijk om voor de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met toepassing van artikel 7.4.1 van de planvoorschriften een vergroting van het bouwvlak toe te staan, nu niet wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarde dat de uitbreiding maximaal 10% van het bouwvlak en maximaal 100 m² bedraagt.

6. [appellant] betoogt dat het college de gevraagde revisievergunning niet met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer heeft kunnen weigeren. In dit verband voert hij aan dat het bouwvlak op de bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" behorende verbeelding te klein is ingetekend. Indien het bouwvlak juist zou zijn ingetekend, zou volgens hem wel worden voldaan aan voornoemde voorwaarde voor vergroting van het bouwvlak. [appellant] wijst er hierbij op dat hij beroep heeft ingesteld tegen het bestemmingsplan. Hij voert verder aan dat hij aan de hiervoor genoemde uitspraak van 19 mei 2010, aan opmerkingen van het college tijdens de eerdere procedures en aan het eerste ontwerp van het bestreden besluit, dat nog strekte tot verlening van de gevraagde vergunning, het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat het college van de in artikel 8.10, derde lid, neergelegde bevoegdheid om de vergunning te weigeren ingeval van strijd met het bestemmingsplan geen gebruik zou maken. Ook wijst [appellant] erop dat deze bevoegdheid niet bestond ten tijde van het indienen van de aanvraag in 2005.

6.1. Het beroep van [appellant] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" maakt geen onderdeel uit van deze procedure. Zijn betoog dat het bouwvlak op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding te klein is ingetekend, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in werking getreden, zodat bij de beoordeling of het college de gevraagde revisievergunning heeft kunnen weigeren met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer van dit bestemmingsplan dient te worden uitgegaan. Nu vaststaat dat de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing zou leiden tot overschrijding van het in dit bestemmingsplan opgenomen bouwvlak, was het college bevoegd de vergunning met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing bedraagt meer dan 10% van het bouwvlak zoals dat op de bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" behorende verbeelding is ingetekend, zodat toepassing van artikel 7.4.1 van de planvoorschriften niet mogelijk is. Anders dan [appellant] meent, heeft hij aan de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2010 en aan opmerkingen van het college tijdens de eerdere procedures niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat het college bij het bestreden besluit niet tot weigering van de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan zou overgaan. Bij de uitspraak van 19 mei 2010 heeft de Afdeling een eerder besluit van het college tot weigering van de vergunning wegens strijd met het destijds geldende bestemmingsplan vernietigd, omdat dat besluit in zoverre niet berustte op een deugdelijke motivering. Daaruit volgt niet dat weigering van de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan niet mogelijk was. Niet is gebleken dat door het college tijdens de eerdere procedures gemaakte opmerkingen een ondubbelzinnige toezegging inhielden dat het college de vergunning niet alsnog wegens strijd met het bestemmingsplan zou weigeren. Aan de omstandigheid dat het eerste ontwerpbesluit niet strekte tot weigering van de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan, heeft [appellant] evenmin het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat de vergunning niet om die reden zou worden geweigerd. Uit de aard van de voorbereidingsprocedure volgt dat het uiteindelijk te nemen, definitieve besluit een andere strekking en inhoud kan hebben dan het ontwerp ervan. Voor zover [appellant] tot slot heeft aangevoerd dat de in artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer neergelegde bevoegdheid om de vergunning te weigeren ingeval van strijd met het bestemmingsplan niet bestond ten tijde van het indienen van de aanvraag, wordt overwogen dat deze bevoegdheid per 1 juli 2008 in de Wet milieubeheer is opgenomen en, bij ontbreken van relevante overgangsrechtelijke bepalingen, ook in op dat moment reeds lopende vergunningprocedures kan worden toegepast.

Het betoog faalt.

7. Nu het college de gevraagde revisievergunning reeds gezien het voorgaande heeft kunnen weigeren, behoeft hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

462-732.