Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201400736/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:9123, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Windpark OSK B.V. (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning voor het bouwen van negen windturbines met een transformatorgebouw en het oprichten en in werking hebben van een windmolenpark met negen windturbines in de Oosterscheldekering, verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400736/1/A4.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Delta Park Neeltje Jans B.V. (hierna: Neeltje Jans), gevestigd te Vrouwenpolder, gemeente Veere,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 december 2013 in zaak nr. 13/3570 in het geding tussen:

Neeltje Jans

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Windpark OSK B.V. (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning voor het bouwen van negen windturbines met een transformatorgebouw en het oprichten en in werking hebben van een windmolenpark met negen windturbines in de Oosterscheldekering, verleend.

Bij uitspraak van 5 december 2013 heeft de rechtbank het door Neeltje Jans daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Neeltje Jans hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en vergunninghoudster hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2014, waar Neeltje Jans, vertegenwoordigd door haar directeur, bijgestaan door mr. S.M.L.W. van Boven, advocaat te Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Vasseur, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft Neeltje Jans haar beroepsgrond over het ontbreken van een bodemrapport ingetrokken.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien:

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1˚ met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2˚ in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3˚ indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

3. Neeltje Jans betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verleende vergunning in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. In dit verband brengt Neeltje Jans naar voren dat de digitale plankaart in tegenstelling tot de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2013 in zaak nr. 201201470/1/R2 niet in overeenstemming is gebracht met het oorspronkelijke vaststellingsbesluit. Neeltje Jans stelt dat de digitale kaart in dat geval doorslaggevend is, zodat maximaal 27 windmolens zijn toegestaan, terwijl in de bestemmingsplanprocedure is gebleken dat slechts negen windmolens kunnen worden opgericht. Neeltje Jans betoogt dat de plankaart dermate onlogisch is dat er conform de planvoorschriften van moet worden uitgegaan dat per bestemming slechts één windturbine mag worden gebouwd. Voorts betoogt Neeltje Jans dat de rechtbank heeft miskend dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de locatie van de windmolens onvoldoende vaststaat. Volgens haar kan in dit verband niet worden volstaan met een verwijzing naar de in de omgevingsvergunning genoemde coördinaten van de windturbines.

3.1. In de tussenuitspraak van de Afdeling van 21 november 2012 in zaak nr. 201201470/1/T1/R2 is overwogen dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ertoe strekt om ter hoogte van het plandeel met de aanduiding 'windturbinepark' (wtp) de plaatsing van maximaal negen windturbines met een maximale ashoogte van 120 m mogelijk te maken. In de elektronische verbeelding was het maximum van negen windturbines niet opgenomen, zodat het plan in zoverre rechtsonzeker was. De Afdeling heeft de raad opgedragen de elektronische verbeelding in overeenstemming te brengen met het vaststellingsplan van 10 november 2011 en de aangepaste verbeelding op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. In de einduitspraak van 27 februari 2013 in zaak nr. 201201470/1/R2 is overwogen dat op de elektronische verbeelding inmiddels is aangegeven dat ter plaatse van de aanduiding 'windturbinepark' (wtp) maximaal negen windturbines mogen worden gebouwd, zodat de elektronische verbeelding in overeenstemming is met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. De Afdeling ziet thans geen aanleiding voor een ander oordeel. Verder mag volgens de planregels één windturbine worden gebouwd in het geval geen maximum aantal is vermeld. Echter, zoals hiervoor is overwogen, mogen ter plaatse van de aanduiding windturbinepark maximaal negen windturbines worden gebouwd. Derhalve is per bestemming niet slechts één windturbine toegestaan.

3.2. Wat betreft de locatie van de windturbines wordt overwogen dat in de aanvraag om een omgevingsvergunning, die deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, coördinaten van de windturbines zijn genoemd. Daarbij is vermeld dat de coördinaten enkele meters kunnen wijzigen in verband met obstakels in de ondergrond. Zoals ook Neeltje Jans ter zitting heeft erkend, zijn er geen planregels die zich hiertegen verzetten. In beroep heeft het college gesteld dat de plaatsing van de windturbines ruimtelijk is beperkt, doordat de windturbines zijn beoogd op de dammen van de voormalige bouwdokken. Daarnaast zijn er minimaal benodigde afstanden tussen de windturbines, zodat deze niet te dicht op elkaar kunnen worden geplaatst. Neeltje Jans heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze standpunten van het college onjuist zijn. De situatie zoals die is aangevraagd en vergund, is derhalve niet in strijd met het bestemmingsplan.

3.3. Gelet op hetgeen onder 3.1 en 3.2 is overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de verleende vergunning niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

4. Neeltje Jans betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat vooralsnog geen toets aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening heeft kunnen plaatsvinden, omdat nog geen keuze is gemaakt voor een bepaald type windturbine en de wijze waarop de turbines worden opgericht. Volgens Neeltje Jans is ten onrechte gesteld dat met het voldoen aan de International Electrotechnical Commission normen (hierna: IEC-normen), zoals in de aanvraag is gesteld, ook aan de eisen van het Bouwbesluit wordt voldaan, omdat de IEC-normen voor tussentijdse wijziging vatbaar zijn. Ten onrechte is volgens haar geen voorlopige keuze voor een bepaald type windmolen gemaakt, nu bij de aanvraag van bouwvergunningen geen plaats is voor een aanvraag met marges.

4.1. Zoals het college terecht stelt, heeft Neeltje Jans haar betoog over de keuze voor een bepaald type windturbine eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en Neeltje Jans dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

4.2. In de aanvraag is een omschrijving van de bandbreedte met betrekking tot de afmetingen van de windturbines, waaronder de ashoogte, rotordiameter en de tiphoogte, en het maximaal te genereren elektrisch vermogen opgenomen. Daarnaast is vermeld dat het een conisch gevormde ronde mast betreft, het fundatieblok bestaat uit gewapend beton, elke windturbine drie rotorbladen heeft die met de klok mee draaien, de kleur lichtgrijs zal zijn en de windturbines worden voorzien van een ijzeldetectiesysteem. In de aanvraag worden voorts twee type windturbines met de maximale onderscheidenlijk de minimale afmeting uit de in de aanvraag vermelde bandbreedte genoemd. Bij de verschillende onderzoeken die aan de omgevingsvergunning ten grondslag liggen, zijn de berekeningen uitgevoerd voor beide type windturbines of, zoals in het onderzoek naar de dimensionering van de funderingen, is de windturbine met de maximale afmetingen en derhalve de maximale belasting voor de ondergrond als uitgangspunt genomen. Volgens de aanvraag zullen de windturbines worden gecertificeerd volgens de norm IEC-61400. De aanvraag maakt deel uit van de vergunning. Voornoemde informatie was voldoende bepaald om te kunnen vaststellen dat de te bouwen windturbines aan de voorschriften uit het Bouwbesluit en de Bouwverordening zullen voldoen. Overigens is aan de vergunning voorschrift 2, onder b, verbonden op grond waarvan vergunninghoudster verplicht is het project overeenkomstig de omgevingsvergunning en de eisen die gesteld zijn in het Bouwbesluit en de Bouwverordening uit te voeren. Neeltje Jans heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aanvraag in strijd is met het Bouwbesluit of de Bouwverordening. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat zich de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, niet voordoet.

Het betoog faalt.

5. Neeltje Jans betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het aangevraagde windpark in strijd is met de redelijke eisen van welstand, omdat de windturbines met een tiphoogte van 180 m op korte afstand van een educatief en recreatief park aan de rand van het natuurgebied van de Oosterschelde komen. Zij betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college haar ten onrechte niet heeft uitgenodigd om haar zienswijze hierover toe te lichten. Later bleek volgens Neeltje Jans zelfs dat ten onrechte in het geheel geen welstandstoets heeft plaatsgevonden, hetgeen in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201202738/1/A1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

5.2. De stelling dat in het geheel geen welstandstoets heeft plaatsgevonden mist feitelijke grondslag nu het college in een reactie op de zienswijze is ingegaan op deze toets en aan de Afdeling een stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat de welstandscommissie de aanvraag om een omgevingsvergunning op 7 maart 2013 akkoord heeft bevonden.

5.3. Het college heeft in het besluit van 7 mei 2013 vermeld dat de aanvrager een groot aantal visualisaties en impressies van het windpark heeft overgelegd, alsmede gegevens over de hoogte, het aantal rotorbladen, de draairichting en de kleur van de windturbines. De welstandscommissie heeft de aanvraag inclusief deze gegevens beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat de aangevraagde windturbines niet in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Neeltje Jans heeft niet aannemelijk gemaakt dat het welstandsadvies op onjuiste wijze tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven en heeft geen tegenadvies van een ander deskundig te achten persoon of instantie overgelegd.

5.4. Voor zover Neeltje Jans aanvoert dat de rechtbank heeft miskend dat het college haar ten onrechte niet heeft uitgenodigd om haar zienswijze over de strijd met redelijke eisen van welstand tijdens een hoorzitting nader toe te lichten, wordt overwogen dat belanghebbenden ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren kunnen brengen. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb waarmee het besluit van 7 mei 2013 is voorbereid, voorziet niet in een recht voor degenen die schriftelijke zienswijzen naar voren hebben gebracht om mondeling te worden gehoord onderscheidenlijk een nadere mondelinge toelichting op de zienswijze te geven. Neeltje Jans heeft overigens ter zitting erkend dat het college niet gehouden was om haar voor een hoorzitting uit te nodigen.

5.5. Gelet op hetgeen onder 5.2, 5.3 en 5.4 is overwogen, faalt het betoog.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het ter zitting door vergunninghoudster naar voren gebrachte betoog dat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het besluit van 7 mei 2013 in de weg staat, behoeft hierom geen bespreking.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Jong

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

628.