Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2344

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201310506/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:13324, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2013 (hierna: het besluit van 7 maart 2013) heeft de minister een aanvraag van [appellant] om verlenging van de plaatsing op de zogenoemde uitwijklijst als tolk Nederlands - Koerdisch (Kermandji en Sorani) en Nederlands - Arabisch (Irakees), alsmede als vertaler Arabisch (Standaard) - Nederlands en Koerdisch (Kermandji en Sorani) - Nederlands, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310506/1/A3.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2013 in zaak nr. 13/5440 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie (lees: de minister van Veiligheid en Justitie; hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2013 (hierna: het besluit van 7 maart 2013) heeft de minister een aanvraag van [appellant] om verlenging van de plaatsing op de zogenoemde uitwijklijst als tolk Nederlands - Koerdisch (Kermandji en Sorani) en Nederlands - Arabisch (Irakees), alsmede als vertaler Arabisch (Standaard) - Nederlands en Koerdisch (Kermandji en Sorani) - Nederlands, afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2013 (hierna: het besluit van 28 mei 2013) heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover het zijn aanvraag om verlenging van de plaatsing op de uitwijklijst als tolk Nederlands - Arabisch (Irakees) betreft, gegrond verklaard en hem met ingang van die datum in zoverre op de uitwijklijst geplaatst. Overigens heeft de minister het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2014, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. D.E.S. Tomeij, werkzaam bij de raad voor rechtsbijstand, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) kan de minister een lijst houden waarop de gegevens worden bijgehouden van tolken en vertalers die beschikken over een recente verklaring omtrent het gedrag en die wegens het ontbreken van opleidingen of het ontbreken van onafhankelijke deskundigen die de kennis kunnen toetsen, niet kunnen aantonen te beschikken over de vereiste competenties taalvaardigheid in de bron- of de doeltaal of kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- of doeltaal (hierna: de uitwijklijst). De minister kan een instelling aanwijzen die de uitwijklijst bijhoudt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers van 9 december 2008 (Stcrt. 2008, 250) heeft de minister de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch aangewezen als de instelling die de uitwijklijst bijhoudt.

Volgens artikel 5 van het Besluit Uitwijklijst Wbtv van 22 december 2011 (Stcrt. 2012, 2640) plaatst de raad voor rechtsbijstand een tolk of vertaler op de uitwijklijst indien hij of zij aantoont:

a. over havo/mbo (niveau 4) werk- en denkniveau te beschikken;

b. de bron- en doeltaal op minimaal niveau B2 van het Europese referentiekader voor de Talen te beheersen;

c. minimaal 20 opdrachten als tolk of vertaler te hebben verricht, en

d. minimaal 8 punten te hebben behaald op de competentiematrix die als bijlage bij dit besluit is gevoegd en daarvan onderdeel uitmaakt.

Volgens artikel 10 plaatst de raad voor rechtsbijstand een tolk of vertaler voor een periode van nogmaals drie jaar op de uitwijklijst indien hij of zij aantoont:

a. aan de in artikel 5 vermelde vereisten te voldoen, dan wel de vereisten zoals die golden ten tijde van het indienen van het verzoek tot verlenging, en

b. aan zijn of haar bijscholingsverplichting te hebben voldaan als bedoeld in de artikelen 5 en 7 van het Besluit permanente educatie Wbtv (hierna: het Besluit PE).

Volgens artikel 5 van het Besluit PE moet een tolk of vertaler bij een verzoek tot verlenging van de plaatsing op de uitwijklijst aantonen dat hij of zij gedurende drie jaar vanaf datum van plaatsing op de uitwijklijst de kwaliteit van zijn of haar beroepsuitoefening op het vereiste niveau heeft gehouden doordat hij of zij minstens 48 PE-punten (hierna: bijscholingspunten) heeft gehaald met scholingsactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit PE, ongeacht in welk jaar binnen de periode van plaatsing de bijscholingspunten zijn behaald.

2. Bij besluit van 1 oktober 2009 heeft de minister een aanvraag van [appellant] van 1 mei 2009 om inschrijving in het Register beëdigde tolken en vertalers en om plaatsing op de uitwijklijst als tolk Nederlands - Koerdisch (Kermandji, Sorani en Bahdini) en Nederlands - Arabisch (Irakees), alsmede als vertaler Arabisch (Standaard) - Nederlands en Koerdisch (Kermandji en Sorani en Bahdini) - Nederlands, afgewezen. Bij besluit van 28 oktober 2009 (hierna: het besluit van 28 oktober 2009) heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 10 februari 2010 (hierna: het besluit van 10 februari 2010) heeft de minister het besluit van 28 oktober 2009 ingetrokken en [appellant] alsnog op de uitwijklijst geplaatst als tolk Nederlands - Koerdisch (Kermandji, Sorani en Bahdini), alsmede als vertaler Arabisch (Standaard) - Nederlands en Koerdisch (Kermandji en Sorani) - Nederlands.

De minister heeft aan het besluit van 28 mei 2013 ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond het Koerdisch (Kermandji en Sorani) en Arabisch (Standaard) op het vereiste niveau te beheersen en dat hij tussen 10 februari 2010 en 10 februari 2013, de periode van plaatsing op de uitwijklijst, minder dan 48 bijscholingspunten heeft behaald.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de door hem sinds zijn aanvraag van 1 mei 2009 behaalde bijscholingspunten had moeten meetellen bij beantwoording van de vraag of hij voldoet aan het vereiste van artikel 5 van het Besluit PE. [appellant] voert daartoe aan dat, nu de minister bij de beoordeling van die aanvraag aanvankelijk een onjuist toetsingskader heeft toegepast, hetgeen hij in het besluit van 10 februari 2010 heeft erkend, hij hem met ingang van 1 mei 2009 op de uitwijklijst had moeten plaatsen. Dat de minister dat niet heeft gedaan, mag volgens [appellant] niet voor zijn risico komen.

3.1. De in artikel 5 van het Besluit PE neergelegde verplichting strekt ertoe dat een tolk of vertaler gedurende de plaatsing op de uitwijklijst de kwaliteit van zijn of haar beroepsuitoefening op het vereiste niveau houdt. Dat betekent dat na de plaatsing op de uitwijklijst een voortgaande inspanning van de betrokkene op het gebied van bijscholing is vereist. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, hoewel [appellant] eerst hangende zijn beroep tegen het besluit van 28 oktober 2009 op de uitwijklijst is geplaatst, de minister bij de beoordeling van de voorliggende aanvraag terecht alleen de bijscholingspunten heeft meegeteld die [appellant] tussen 10 februari 2010 en 10 februari 2013 heeft behaald.

Indien [appellant] het niet eens was met de bij het besluit van 10 februari 2010 vastgestelde ingangsdatum van plaatsing op de uitwijklijst, had het op zijn weg gelegen tegen dat besluit een rechtsmiddel aan te wenden. Voor beantwoording van de vraag of de minister [appellant] met ingang van 1 mei 2009 op de uitwijklijst had moeten plaatsen, is in deze procedure dan ook geen plaats. Reeds hierom wordt [appellant] niet gevolgd in zijn betoog dat het nadeel dat hij door plaatsing op de uitwijklijst met ingang van 10 februari 2010 stelt te hebben ondervonden, niet voor zijn risico mag komen.

Gelet op het vorenstaande en nu onbestreden is dat [appellant] in de periode van plaatsing op de uitwijklijst minder dan 48 bijscholingspunten heeft behaald, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister bij het besluit van 28 mei 2013 de afwijzing van de aanvraag, behalve voor zover die de plaatsing op de uitwijklijst als tolk Nederlands - Arabisch (Irakees) betreft, reeds hierom terecht heeft gehandhaafd.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de in artikel 7:3, aanhef en onder b en e, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedoelde situaties zich in dit geval niet voordoen.

4.1. Ingevolge artikel 7:3 van de Awb, voor zover thans van belang, mag een bestuursorgaan van het horen van een belanghebbende afzien indien:

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is, of

e. aan het bezwaar volledig wordt tegemoetgekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Een bestuursorgaan mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

4.2. [appellant] betoogt weliswaar terecht dat de minister niet volledig is tegemoetgekomen aan zijn bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2013, maar dat neemt niet weg dat, nu de minister het bezwaar gegrond heeft verklaard voor zover de aanvraag ziet op verlenging van de plaatsing op de uitwijklijst als tolk Nederlands - Arabisch (Irakees), in zoverre aan de in artikel 7:3 van de Awb neergelegde maatstaf is voldaan.

Gelet op de gronden in het bezwaarschrift van 15 april 2013, de motivering van het besluit van 28 mei 2013 en hetgeen is overwogen in 3.1, heeft de rechtbank wat betreft de overige taalcombinaties en vertaalrichtingen terecht geoordeeld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de gronden van het bezwaar niet tot een andersluidend besluit konden leiden, zodat ook in zoverre aan de in artikel 7:3 van de Awb neergelegde maatstaf is voldaan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Oei

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

670.