Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201309924/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Gouden Ham/De Schans" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309924/1/R2.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Alphen, gemeente West Maas en Waal,

2. [appellant sub 2], wonend te Alphen, gemeente West Maas en Waal,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend te Alphen, gemeente West Maas en Waal,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Groene Eiland B.V., gevestigd te Appeltern, gemeente West Maas en Waal, en andere,

appellanten,

en

de raad van de gemeente West Maas en Waal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Gouden Ham/De Schans" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3] en Groene Eiland B.V. en andere beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Groene Eiland B.V. en andere hebben nadere stukken ingediend.

[belanghebbenden] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3], allen vertegenwoordigd door H. Schut, Groene Eiland B.V. en andere, vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat te Enschede, en A.A.W.M. van Ooijen, en de raad, vertegenwoordigd door H.T.M. den Boer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting als partij gehoord [belanghebbenden].

Overwegingen

Planbeschrijving en toetsingskader

1. Het plan voorziet in hoofdzaak in een actueel juridisch planologisch kader voor de gebieden Gouden Ham en De Schans.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3]

Ontvankelijkheid

3. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] zijn gericht tegen het als zodanig bestemmen van een aantal woonboten in het recreatiegebied De Schans. De beroepen steunen niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

4. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt het ontwerpbesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die tegen het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

5. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3], die zijn gericht tegen het als zodanig bestemmen van de woonboot aan de Schansedijk (hierna: de woonboot van Goossens) en de woonboten aan de Ooijenseveerweg, wordt overwogen dat geen zienswijzen zijn ingediend.

Geen rechtvaardiging is gelegen in de omstandigheid dat een verzoek om handhaving is ingediend met betrekking tot deze woonboten. Weliswaar is van de zijde van het college van burgemeester en wethouders bij brief van 11 april 2011 aangegeven dat de mogelijkheid van legalisatie van de woonboten zou worden onderzocht, maar hieruit volgt niet de verplichting dat de raad, als bevoegd orgaan voor het vaststellen van bestemmingsplannen, hen persoonlijk op de hoogte diende te houden van de terinzagelegging van het ontwerpplan. Van een concrete toezegging waaraan de raad was gebonden is niet gebleken.

Voorts is aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging voldaan. In de kennisgeving met betrekking tot de terinzagelegging van het ontwerpplan is in een zakelijke beschrijving de inhoud van het plan beschreven waarin is vermeld welk gebied het plan omvat en waarop het plan betrekking heeft. Dat, zoals [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben betoogd, zij verkeerd zijn voorgelicht over de inhoud van het plan, kan, daargelaten de juistheid van dit betoog, gelet hierop geen aanleiding zijn om het niet indienen van een zienswijze verschoonbaar te achten.

Evenmin is een rechtvaardiging gelegen in de door [appellant sub 2] gestelde omstandigheid dat hij door ziekte verhinderd was een zienswijze in te dienen. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene om zorg te dragen dat ook ingeval van afwezigheid of ziekte wordt voldaan aan de wettelijke vereisten door bijvoorbeeld een derde in te schakelen. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hiertoe niet in staat was.

Ook in de door [appellanten sub 3] gestelde omstandigheid dat zij in verband met vakantie niet in staat waren tijdig een zienswijze in te dienen, vormt geen rechtvaardiging. Het had op hun weg gelegen om zorg te dragen voor een adequate behartiging van hun belangen tijdens hun vakantie. Over het betoog van [appellanten sub 3] dat het ontwerpplan ten onrechte in een vakantieperiode ter inzage heeft gelegen, wordt overwogen dat noch de Wet ruimtelijke ordening noch de Awb zich tegen die handelwijze verzet.

6. Voor zover het beroep van [appellant sub 2] tevens is gericht tegen de planregeling voor de woonboten aan de Schansedijk 6 en 8, wordt als volgt overwogen. In het ontwerpplan was aan de gronden de bestemming "Water" toegekend met een bouwvlak. Op grond van artikel 13, lid 13.1, onder j, van de planregels van het ontwerpplan, waren binnen het bouwvlak maximaal twee drijvende woningen toegestaan. In het vastgestelde plan hebben de gronden de bestemming "Water" met de aanduiding "woonschepenligplaats" en is op grond van artikel 13, lid 13.1, onder j, van de planregels, uitsluitend een ligplaats voor één woonschip toegestaan. Ter plaatse van Schansedijk 6 en 8 zijn twee functieaanduidingen opgenomen, zodat ter plaatse twee woonboten zijn toegestaan. Ter zitting is benadrukt dat de wijziging uitsluitend betrekking heeft op de plansystematiek, die voor alle woonboten is geuniformeerd. De Afdeling stelt vast dat de wijziging geen betrekking heeft op de gebruiks- en bouwmogelijkheden en dat de twee aanwezige woonschepen als zodanig zijn bestemd. In zoverre is [appellant sub 2] bij de vaststelling van het plan niet in een nadeliger positie gekomen. De stelling van [appellant sub 2] dat door deze wijze van bestemmen het permanente karakter van de woonboten onvoldoende tot uitdrukking komt, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding om het niet indienen van een zienswijze tegen voornoemde woonboten verschoonbaar te achten.

7. Voor zover [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] zich richten tegen de (voorgenomen uitbreiding van de) recreatieve bedrijfsactiviteiten in de noordoosthoek van het gebied De Schans, wordt overwogen dat deze ontwikkelingen in het ontwerpplan noch in het vastgestelde plan zijn opgenomen. Het plan is in zoverre niet gewijzigd vastgesteld. Daargelaten de vraag of de raad deze ontwikkeling in het plan had moeten beoordelen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het niet indienen van een zienswijze op dit punt verschoonbaar moet worden geacht. In dat verband wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen.

8. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] niet-ontvankelijk.

Het beroep van Groene Eiland B.V. en andere

Watersportverzamelgebouw

9. Groene Eiland B.V. en andere betogen dat in het plan ter plaatse van het perceel Bovendijk 2 te Maasbommel ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid om een watersportverzamelgebouw te realiseren. Hoewel binnen het bouwvlak ter plaatse van het havengebouw ook ruimte aanwezig is voor het realiseren van een watersportverzamelgebouw, is een separaat bouwvlak volgens hen noodzakelijk om het watersportverzamelgebouw te kunnen realiseren.

In dit verband betogen Groene Eiland B.V. en andere ten eerste dat het Dijkverbeteringsplan, dat op 18 juni 1998 door gedeputeerde staten van Gelderland is goedgekeurd, als zodanig had moeten worden vertaald in het plan. Voorts wijzen zij op de procedure ter vaststelling van het bestemmingsplan "Gouden Ham/De Schans" op 27 januari 2005, de daarop volgende uitspraak van de Afdeling van 20 december 2006 in zaaknr. 200508695/1 en het heroverwegingsbesluit van het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland naar aanleiding van deze uitspraak. Op grond van deze stukken had de raad bij recht een bouwmogelijkheid voor het realiseren van een watersportverzamelgebouw moeten opnemen in het plan. Zij achten het argument van de raad dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is, omdat de aangevraagde vergunning op grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken (hierna: de Wbr) op 24 juni 2003 is geweigerd, niet steekhoudend. In dat verband wijzen zij erop dat de weigering betrekking had op de concrete invulling van het aangevraagde plan en niet op de vraag of een watersportverzamelgebouw ter plaatse op zichzelf aanvaardbaar is. Daarbij komt dat de Wbr inmiddels niet meer geldt en de regels met betrekking tot het bouwen in stroomvoerend gebied met de inwerkingtreding van de Beleidslijn grote rivieren zijn gewijzigd en versoepeld.

Tot slot wijzen Groene Eiland B.V. en andere erop dat het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening niet in de weg staat aan het realiseren van een watersportverzamelgebouw en dat de omstandigheid dat het project is aangemeld als een zogenoemd EMAB-project onverlet laat dat het Dijkverbeteringsplan als zodanig had moeten worden vertaald in het onderhavige plan.

10. De raad stelt dat het project is aangeduid als zogenoemd EMAB-project en dat de gemeenteraad bij besluit van 23 april 2009 heeft bepaald dat deze projecten door middel van een afzonderlijke projectaanvraag moeten worden beoordeeld. Om die reden voorziet het plan niet in de vestiging van een watersportverzamelgebouw. Voorts wijst de raad erop dat nu de noodzakelijke vergunning op grond van de Wbr ontbreekt geen sprake is van een uitvoerbaar project, zodat het opnemen van een bouwmogelijkheid in strijd komt met het bepaalde in artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening.

11. Aan de gronden ter plaatse van het perceel Bovendijk 2 te Maasbommel is de bestemming "Recreatie-Jachthaven" toegekend. Ter plaatse van deze gronden is niet voorzien in een separaat bouwvlak waarbinnen een watersportverzamelgebouw kan worden opgericht.

12. In de plantoelichting staat dat in het kader van de Beleidslijn grote rivieren vijftien locaties in het rivierbed van de grote rivieren zijn aangewezen, waar geëxperimenteerd kan worden met technisch aan het water aangepaste bouwvormen (zogenoemde EMAB-locaties). Eén van de geselecteerde locaties betreft het recreatiegebied Gouden Ham. De plantoelichting vermeldt dat de gemeenteraad van West Maas en Waal op 23 april 2009 het Koersbesluit voor EMAB Gouden Ham heeft genomen. In dit Koersbesluit geeft de raad aan dat hij kan instemmen met de plannen van de ondernemers inclusief de door Rijkswaterstaat opgelegde riviercompensatie. Na dit besluit zijn de initiatiefnemers de individuele EMAB-projecten op detailniveau gaan uitwerken, zo staat in de plantoelichting. Op basis van deze uitwerkingen en aanvragen tot realisatie daarvan, worden vervolgens separaat de vereiste procedures in gang gezet. Realisatie van de meeste projecten is voorzien voor de periode 2011-2015.

In de plantoelichting staat voorts dat het plan een conserverend karakter heeft en die onderdelen repareert die door de uitspraak van de Afdeling en het heroverwegingsbesluit van gedeputeerde staten geen rechtskracht hebben verkregen. Daarnaast is vermeld dat de projecten (waaronder het watersportcentrum Maasbommel) nog niet voldoende zijn uitgekristalliseerd en nog niet alle relevante onderzoeken zijn uitgevoerd. Ook is nog geen watervergunning voor de projecten afgegeven, zo staat in de toelichting. Nu ten behoeve van deze projecten separate planologische procedures gevolgd zullen worden biedt het onderhavige plan geen planologische mogelijkheden voor bovengenoemde projecten, aldus de toelichting.

13. Ten behoeve van de dijkversterking van de Maasbandijken heeft het polderdistrict Groot Maas en Waal bij besluit van 15 juni 1998 het Dijkverbeteringsplan Maasbandijken, Traject Maas en Waal-oost vastgesteld (hierna: het Dijkverbeteringsplan). Het Dijkverbeteringsplan is bij besluit van 18 augustus 1998 goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Gelderland. In het kader van het Dijkverbeteringsplan is door Groene Eiland B.V. en andere overleg gevoerd en zijn afspraken gemaakt met onder meer de raad, het college van gedeputeerde staten van Gelderland, polderdistrict Groot Maas en Waal, Waterschap Rivierenland en Rijkswaterstaat over een aanvaardbare compensatie. De uitgangspunten van de herinrichting van het jachthaventerrein zijn neergelegd in het zogenoemde plan Boiten, dat is opgenomen in het Dijkverbeteringsplan. In het Dijkverbeteringsplan is in een zone opgenomen ten behoeve van compenserende bebouwing voor watersportcentrum Maasbommel. Op grond van het Dijkverbeteringsplan en het hierbij behorende plan Boiten, acht de raad zich gehouden om voor watersportcentrum Maasbommel te voorzien in de planologische mogelijkheid om een watersportverzamelgebouw op te richten. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de raad in het plan evenwel niet willen voorzien in deze mogelijkheid omdat de vereiste vergunning op grond van de Waterwet ontbreekt. Gelet op de eerdere weigering van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat om een vergunning op grond van de Wbr in 2003 te verlenen, staat volgens de raad vast dat ook thans geen vergunning zal kunnen worden verleend, zodat het opnemen van een bouwvlak ten behoeve van een watersportverzamelgebouw in strijd komt met het bepaalde in artikel 3.1.6, van het Besluit ruimtelijke ordening ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het plan.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat op voorhand is uitgesloten dat een dergelijke vergunning binnen de planperiode wordt verleend. Hiertoe wordt overwogen dat in de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2009, in zaak nr. 200803430/1, waarin de weigering van de aanvraag van deze vergunning voorlag, is overwogen dat de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is komen vast te staan dat met name de in het watersportgebouw voorziene logiesfunctie niet redelijkerwijs buiten het winterbed kan worden gerealiseerd en dat nu het watersportgebouw een kapitaalintensief gebouw is, dit tevens een feitelijke belemmering vormt om in de toekomst de afvoercapaciteit te vergroten. Hieruit volgt niet dat ten behoeve van het oprichten van een watersportverzamelgebouw, in welke omvang en vorm dan ook, geen vergunning op grond van de Waterwet zal kunnen worden verstrekt. Voorts wordt overwogen dat Groene Eiland B.V. en andere weliswaar beschikken over een bouwvlak dat nog niet geheel is benut, maar ter zitting is onweersproken gesteld dat binnen dit bouwvlak reeds een havengebouw is gevestigd en dat het realiseren van een watersportverzamelgebouw ter plaatse op onoverkomelijke financiële en fysieke beperkingen stuit. Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting voorts naar voren is gekomen dat de raad op zichzelf geen bezwaar heeft tegen het toekennen van een bouwvlak ten behoeve van een watersportverzamelgebouw, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij onder deze omstandigheden heeft kunnen afzien van het toekennen van een bouwvlak ten behoeve van een watersportverzamelgebouw. De omstandigheid dat het project is aangemerkt als zogenoemd EMAB-project, in welk een aparte projectprocedure zal worden doorlopen, maakt dit niet anders. Het betoog van Groene Eiland B.V. en andere slaagt. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb vastgesteld.

Oppervlakte bebouwing

14. Groene Eiland B.V. en andere betogen dat de in het plan toegestane oppervlakte aan bebouwing ter plaatse van de gronden aan de Bovendijk 2 te Maasbommel niet overeenkomt met de oppervlakte die op grond van de Rivierenwetvergunning is toegestaan. Op grond van de Rivierenwetvergunning is volgens hen een maximale oppervlakte van 1870 m2 toegestaan, terwijl het plan maximaal 1702 m2 toestaat.

15. De raad stelt dat de toegekende maximale oppervlakte van 1702 m2 is overgenomen uit het vorige plan en in overeenstemming is met hetgeen op grond van de Rivierenwetvergunning is toegestaan.

16. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, onder b, van de planregels, mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen binnen de bestemming "Recreatie-Jachthaven" maximaal de oppervlakte bedragen zoals aangegeven in ‘Bijlage 1, tabel 5a: Recreatie-Jachthaven, gebouwen’ onder de kolom "aanwezig".

In voornoemde tabel is ter plaatse van het bouwvlak op het perceel aan de Bovendijk vermeld dat een oppervlakte van 1547 m2 aan bebouwing aanwezig is en dat een maximale oppervlakte van 1702 m2 aan bebouwing is toegestaan.

17. Ter zitting hebben Groene Eiland B.V. en andere toegelicht dat de Beleidslijn grote rivieren een uitbreidingsmogelijkheid toekent van 10% zodat dit percentage bij recht had moeten worden opgeteld bij de toegestane maximale oppervlakte van de bebouwing. Daargelaten de vraag of deze uitleg van de Beleidslijn grote rivieren juist is, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan de beleidsregels in de Beleidslijn grote rivieren. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Nu niet in geschil is dat hetgeen ter plaatse aan bebouwing aanwezig is als zodanig is bestemd en conform het bebouwingsoppervlak uit het vorige plan enige uitbreidingsruimte is toegekend, ziet de Afdeling in hetgeen Groene Eiland B.V. en andere hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Aanlegsteigers

18. Groene Eiland B.V. en andere voeren voorts aan dat het in het plan toegestane aantal aanlegsteigers ter plaatse van de bestemming "Recreatie-Jachthaven" niet in overeenstemming is met de verleende Rivierenwetvergunning. Volgens hen volgt uit de planregels dat uitsluitend de feitelijk aanwezige aanlegsteigers als zodanig zijn bestemd, te weten 360 plaatsen, terwijl op grond van de Rivierenwetvergunning 400 ligplaatsen zijn toegestaan.

Voorts achten zij de verwijzing in artikel 13, lid 13.2.4, onder d, van de planregels naar ‘Bijlage 1, tabel 5b: Recreatie-Jachthaven, aanlegsteigers’, rechtsonzeker, nu is voorzien in een maximale oppervlakte voor aanlegsteigers zonder dit nader te specificeren voor de verschillende locaties. Volgens Groene Eiland B.V. en andere is niet uitgesloten dat een aantal aanlegsteigers is wegbestemd.

19. Ingevolge artikel 13, lid 13.2.4, onder c, van de planregels, mogen ter plaatse van de bestemming "Water" uitsluitend aanlegsteigers worden gebouwd ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van verkeer- veerpont", "aanlegsteiger", "specifieke vorm van recreatie - aanlegplaats" en "specifieke vorm van recreatie - aanlegplaats rondvaartboot".

Ingevolge het bepaalde onder d, bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van aanlegsteigers ter plaatse van de aanduiding "aanlegsteiger" niet meer dan in ‘Bijlage 1, tabel 5b: Recreatie-Jachthaven, aanlegsteigers’ onder kolom "aanwezig" is aangegeven.

In tabel 5b van Bijlage 1 bij het plan is bepaald dat de oppervlakte aanwezige steigers 7946 m2 bedraagt. De maximaal toegestane oppervlakte aan steigers bedraagt 8741 m2.

20. In het vorige plan bedroeg de maximaal toegestane oppervlakte steigers de aanwezige oppervlakte van 7946 m2. Na vrijstelling mocht deze oppervlakte worden vergroot tot maximaal 8741 m2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben Groene Eiland B.V. en andere niet aannemelijk gemaakt dat deze oppervlakte niet correspondeert met het aantal plaatsen die op grond van de Rivierenwetvergunning zijn vergund. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat Rijkswaterstaat wat betreft het aantal ligplaatsen uitgaat van de oppervlakte aan bebouwing en niet van het aantal plaatsen. De Afdeling acht het gelet hierop niet onredelijk dat de raad bij de vaststelling van het plan de toegestane aanlegsteigers heeft aangeduid in oppervlakte en niet in aantal.

Voorts is ter zitting door de raad erkend dat het opnemen van uitsluitend een totaaloppervlak voor de aanwezige en toegestane aanlegsteigers, zonder nader te specificeren welke oppervlakte voor welke locatie geldt, kan leiden tot rechtsonzekerheid. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, heeft de raad het plan wat betreft tabel 5b van Bijlage 1 bij het plan vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit betoog van Groene Eiland B.V. en andere slaagt.

Waterbergend en stroomvoerend gebied

21. Groene Eiland B.V. en andere betogen dat onduidelijk is hoe de dubbelbestemmingen "Waterstaat-Bergend regime" en "Waterstaat-Stroomvoerend regime" zich verhouden tot de onderliggende bestemmingen. In het bijzonder betogen zij dat de bouwregels van de dubbelbestemming "Waterstaat-Bergend regime" zich niet verhouden tot hetgeen ter plaatse van de bestemming "Recreatie-Kampeerterrein" is toegestaan.

22. De raad stelt dat ter plaatse van deze dubbelbestemmingen extra voorwaarden gelden om te kunnen bouwen binnen deze gebieden.

23. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemmingen "Waterstaat-Bergend regime" en "Waterstaat-Stroomvoerend regime" zich niet verhouden tot de onderliggende bestemmingen. In de doeleindenomschrijving van desbetreffende bestemmingen is opgenomen dat de gronden mede bestemd zijn voor stroomvoerende en bergende functies. Ten aanzien van de bestemming "Recreatie-Kampeerterrein" geldt, voor zover aan de gronden tevens de dubbelbestemming "Waterstaat-Bergend regime" is toegekend, dat voor voorgenomen activiteiten extra voorwaarden gelden, waaronder bouwregels. Een dergelijke plansystematiek is niet ongebruikelijk. Dit betoog van Groene Eiland B.V. en andere faalt.

Planregels

24. Groene Eiland B.V. en andere betogen dat in artikel 8, lid 8.3.2, van de planregels bij de vaststelling van het plan ten onrechte de verwijzing naar artikel 8, lid 8.3.1, onder d, van de planregels is gehandhaafd.

25. Op grond van artikel 8, lid 8.3.2, van de planregels, mag binnen de bestemming "Recreatie-Jachthaven" bij omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouwregels mits toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8.3.1, onder d, er niet toe leidt dat de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en/of aanlegsteigers meer bedraagt dan zoals genoemd onder kolom "toegestaan" in ‘Bijlage 1, tabel 5a: Recreatie-Jachthaven, gebouwen’ en/of ‘Bijlage 1, tabel 5b: Recreatie-Jachthaven, aanlegsteigers’.

Op grond van lid 8.3.1, onder d, van de planregels, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.3.1 ten behoeve van het vervangen van meerdere gebouwen door één nieuw gebouw, dan wel door een kleiner aantal nieuwe gebouwen, (...).

26. De Afdeling stelt vast dat artikel 8, lid 8.3.1, onder d, van de planregels uitsluitend betrekking heeft op het vervangen van meerdere gebouwen, terwijl lid 8.3.2 tevens betrekking heeft op de oppervlakte van aanlegsteigers. Onduidelijk is hierdoor of de verwijzing in lid 8.3.2 naar onderdeel d van lid 8.3.1 juist is, dan wel of in lid 8.3.2 ten onrechte naar tabel 5b van Bijlage 1 wordt verwezen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 8, lid 8.3.2, van de planregels is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Dit betoog van Groene Eiland B.V. en andere slaagt.

Conclusie

27. Gelet op hetgeen onder 13 is overwogen is het bestreden besluit, voor zover ter plaatse van de bestemming "Recreatie-Jachthaven" niet is voorzien in een bouwvlak ten behoeve van de bouw van een watersportverzamelgebouw, vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Gelet op hetgeen onder 20 is overwogen is het bestreden besluit, voor zover het betreft ‘Bijlage 1, tabel 5b: Recreatie-Jachthaven, aanlegsteigers’, genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Gelet op de in artikel 8, lid 8.2.1, onder c, lid 8.3.1, onder b, en artikel 13, lid 13.2.4, onder b, van de planregels opgenomen verwijzingen naar voornoemde tabel in Bijlage 1, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat deze planregels eveneens zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Gelet op hetgeen onder 26 is overwogen is het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 8, lid 8.3.2, van de planregels, vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

28. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen.

Voorts ziet de Afdeling uit het oogpunt van rechtszekerheid aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende dat artikel 8, lid 8.2.1, onder c, lid 8.3.1, onder b, en artikel 13, lid 13.2.4, onder d, van de planregels zoals die thans in het plan zijn opgenomen, blijven gelden tot het moment dat het nieuwe besluit is genomen, met dien verstande dat ‘Bijlage 1, tabel 5b: Recreatie-Jachthaven, aanlegsteigers’, in de tekst van deze planregels, wordt vervangen door de oppervlakte aan aanlegsteigers zoals die thans aanwezig zijn, te weten 7946 m2, tot het moment dat het nieuwe besluit is genomen.

29. Ten aanzien van het verzoek van Groene Eiland B.V. en andere om binnen de bestemming "Recreatie-Jachthaven" zelfvoorziend een bouwvlak toe te kennen ten behoeve van de bouw van een watersportverzamelgebouw, wordt overwogen dat de Afdeling hiervoor geen aanleiding ziet, reeds omdat in ieder geval de omvang en locatie van een bouwvlak nadere afweging behoeven.

Proceskosten

30. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3], bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Ten aanzien van het beroep van Groene Eiland B.V. en andere dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Groene Eiland B.V. en andere gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente West Maas en Waal van 12 september 2013, waarbij het bestemmingsplan "Gouden Ham/De Schans" is vastgesteld, voor zover:

a. ter plaatse van de bestemming "Recreatie-Jachthaven" niet is voorzien in een bouwvlak ten behoeve van de bouw van een watersportverzamelgebouw;

b. het betreft ‘Bijlage 1, tabel 5b: Recreatie-Jachthaven, aanlegsteigers’, artikel 8, lid 8.2.1, onder c, lid 8.3.1, onder b, en artikel 13, lid 13.2.4, onder b, van de planregels;

c. het betreft artikel 8, lid 8.3.2, van de planregels;

IV. draagt de raad van de gemeente West Maas en Waal op om binnen 52 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen onder 13, 20 en 26 is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

V. treft de voorlopige voorziening inhoudende dat artikel 8, lid 8.2.1, onder c, lid 8.3.1, onder b, en artikel 13, lid 13.2.4, onder b, van de planregels zoals die thans in het plan zijn opgenomen, blijven gelden tot het moment van inwerkingtreding van het door de raad van de gemeente West Maas en Waal nieuw te nemen besluit, met dien verstande dat de verwijzing naar ‘Bijlage 1, tabel 5b: Recreatie-Jachthaven, aanlegsteigers’, wordt vervangen door de oppervlakte aan aanlegsteigers zoals die thans aanwezig zijn, te weten 7946 m2;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente West Maas en Waal tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Groene Eiland B.V. en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente West Maas en Waal aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Groene Eiland B.V. en andere het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Fenwick

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

608.