Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2318

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201308901/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013, kenmerk 4365090, heeft de raad het bestemmingsplan "Berg-Utrechtseweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308901/1/R2.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Belangenvereniging BW-laan Even Nummers, gevestigd te Amersfoort,

2. [appellant sub 2], wonend te Amersfoort,

en

de raad van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013, kenmerk 4365090, heeft de raad het bestemmingsplan "Berg-Utrechtseweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Belangenvereniging en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2014, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. Zwiers, en de raad, vertegenwoordigd door N.J.M. Ludeking, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in de actualisering van het planologisch regime voor het gebied aan de zuidwestzijde van het centrum van Amersfoort.

Het beroep van de Belangenvereniging

3. Het beroep van de Belangenvereniging richt zich tegen de bestemming "Verkeer - Spoorverkeer" met betrekking tot de gronden langs de Barchman Wuytierslaan, gelegen ten oosten van Barchman Wuytierslaan 1 en het station Amersfoort. Zij betoogt dat op deze gronden ten onrechte een geluidsscherm van 6 m hoog kan worden gerealiseerd. Een geluidscherm op die locatie is niet langer noodzakelijk, omdat geluidhinder ter plaatse van de tegenovergelegen woningen reeds wordt tegengegaan door gevelisolatie. Voorts valt volgens de Belangenvereniging niet in te zien waarom geen differentiatie zou kunnen worden gemaakt in hoogte en locatie van het geluidscherm. De Belangenvereniging stelt dat de bestemming "Groen", gelet op de aanwezige begroeiing op de strook grond, meer voor de hand had gelegen. Een dergelijke bestemming is volgens haar geen belemmering voor ProRail B.V., de eigenaresse van het spooremplacement, omdat het fysiek niet mogelijk is om de desbetreffende strook voor spoorwegdoeleinden te gaan gebruiken.

3.1. De raad acht het niet wenselijk om de mogelijkheid om op de strook grond geluidwerende voorzieningen te kunnen realiseren, volledig te schrappen. De mogelijkheid is in het plan opgenomen om ondanks geluidsoverlast veroorzakende spoorwegfuncties toch ter plaatse van de nabij gelegen woningen een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. De raad heeft geen differentiatie opgenomen ten aanzien van de hoogte en locatie van het geluidscherm omdat dit de planregeling star en inflexibel maakt. Voorts heeft de raad niet de bestemming "Groen" opgenomen, omdat hij de bedrijfsvoering van ProRail B.V. niet heeft willen beperken.

3.2. In de verbeelding is weergegeven dat de desbetreffende gronden zijn bestemd voor "Verkeer - Spoorverkeer".

Ingevolge artikel 27, lid 27.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voornoemde gronden bestemd voor:

a. personen- en goederenvervoer per rail;

b. kantoren ten behoeve van het spoorverkeer;

c. overbouwingen en onderdoorgangen ten behoeve van het weg- en langzaamverkeer;

d. voet- en fietspaden;

e. parkeervoorzieningen;

f. in- en uitritten;

g. bermen en groenvoorzieningen;

h. watergangen en -partijen;

i. geluidwerende voorzieningen;

j. bij een en ander behorende andere voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen.

Ingevolge lid 27.2, aanhef en onder c, mogen op en in de gronden als bedoeld in lid 27.1, uitsluitend worden gebouwd: andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals geluidwerende voorzieningen, lichtmasten, wegwijzers, verkeerstekens en regelinstallaties, bovengeleidingsportalen, schakelkasten, straatmeubilair en (beeldende) kunstwerken, met uitzondering van overkappingen, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan is aangegeven. In de tabel is ten aanzien van geluidwerende voorzieningen een maximale bouwhoogte van 6 m aangegeven.

3.3. In de plantoelichting staat dat binnen het plangebied geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Daarom is voor onder meer spoorlawaai geen akoestisch onderzoek nodig. Delen van het plangebied liggen echter in de zones langs spoorwegen. Het plangebied ligt ook voor een deel in de zone van het geluidgezoneerde industrieterrein rond het spooremplacement. Bij nieuwe ontwikkelingen in de zones moet hiermee rekening gehouden worden, aldus de plantoelichting.

3.4. De bestemming "Groen" voorziet er niet in om de daarvoor aangewezen gronden te gebruiken ten behoeve van het spoorverkeer. Nu de in geding zijnde strook grond in eigendom is bij ProRail B.V. en zij die gronden mogelijk voor één van de in artikel 27, lid 27.1, van de planregels genoemde doeleinden wenst aan te wenden, valt, anders dan de Belangenverenging stelt, niet in te zien waarom de bestemming "Groen" niet beperkend zou werken voor de bedrijfsvoering van ProRail B.V.. Dat het thans vanwege een talud niet mogelijk is om de gronden als zodanig te gebruiken, betekent niet dat geen enkele inrichting van de gronden ten behoeve van spoorwegdoeleinden mogelijk is. Gelet hierop is het niet onredelijk dat de raad ervoor heeft gekozen om de desbetreffende gronden te bestemmen voor "Verkeer - Spoorverkeer" en niet voor "Groen".

Ten aanzien van het geluidscherm wordt overwogen dat niet is uitgesloten dat in de toekomst in de nabijheid van het spooremplacement nieuwe geluidgevoelige bestemmingen in de zin van de Wet geluidhinder mogen worden gerealiseerd. Met het oog daarop heeft de raad van belang mogen achten dat ook op de in geding zijnde strook grond geluidwerende voorzieningen kunnen worden getroffen. Gelet hierop heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om in de bestemmingsregeling niet alleen te voorzien in geluidwerende voorzieningen, maar ook om geen differentiatie op te nemen als door de Belangenvereniging bedoeld.

De betogen falen.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep van de Belangenvereniging ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor zijn pand op het perceel [locatie]. Hij stelt dat hij het pand sinds 1990 voor ongeveer 50% van de oppervlakte als woning en voor 50% als kantoor gebruikt, maar dat het gebruik als kantoor met dit plan ten onrechte onder het persoonsgebonden overgangsrecht in artikel 47 van de planregels is komen te vallen. [appellant sub 2] stelt voorts dat dit gebruik sinds 1990 nooit onderbroken is geweest. Er wordt dan ook - anders dan de raad stelt - geen nieuwe kantoorruimte gecreëerd, zo voert [appellant sub 2] aan. Verder betoogt [appellant sub 2] dat een kantoorruimte op dit perceel passend is in de omgeving. Bovendien heeft de raad ervoor gekozen om ter plaatse van het perceel Koningin Wilhelminalaan 17 wel een kantoor toe te staan. Ten slotte stelt [appellant sub 2] dat de raad er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat de planregeling tot gevolg heeft dat zijn pand in waarde zal dalen en onverkoopbaar zal zijn.

5.1. De raad stelt dat hij naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] een persoonsgebonden overgangsrecht voor het gebruik van het pand voor 50% als kantoor heeft opgenomen. Hij stelt dat het pand nooit een kantoorbestemming heeft gehad en dat er vanuit is gegaan dat het gebruik als kantoor in overeenstemming met de regels voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis heeft plaatsgevonden. De raad acht het toevoegen van een nieuwe kantoorfunctie onwenselijk omdat thans reeds vele kantoorpanden leeg staan. Dat op het perceel Koningin Wilhelminalaan 17 wel een kantoor is toegestaan, komt omdat in 2010 de bestemming ter plaatse is gewijzigd naar wonen en kantoor. De raad stelt ten slotte dat een eventuele prijsdaling van de woning niet wordt veroorzaakt door dit plan, omdat het vorige plan reeds niet in een kantoorfunctie voorzag.

5.2. In de verbeelding is weergegeven dat aan de achterste helft van het perceel, waarop het pand is gesitueerd, de bestemming "Wonen - 3" is toegekend. Op de voorste helft van het perceel rust de bestemming "Tuin". Ter plaatse van het perceel is niet de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" opgenomen.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen - 3" aangewezen gronden bestemd voor: vrijstaande eengezinswoningen met bijbehorende bouwwerken en ter plaatse van Koningin Wilhelminalaan 17 tevens voor kantoor.

Ingevolge lid 32.5.1 zijn beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten toegestaan, met inachtneming van een aantal regels. Onder d. is opgenomen dat maximaal 35% van de bebouwde oppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken mag worden benut voor het beroep of bedrijf, met een maximum van 75 m².

Ingevolge artikel 47, lid 47.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge artikel 47, lid 47.2, onder d, is het eerste lid (de Afdeling leest: het bepaalde onder a) niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge artikel 47, lid 47.3, van de planregels, geldt voor het gebouw ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht", aan de [locatie], het volgende: het gebouw is in strijd met het bestemmingsplan (De Berg 2003, onherroepelijk op 17 november 2004) voor 50% in gebruik als kantoor. De eigenaar van het pand mag dit gebruik voortzetten. Zodra het gebruik als kantoor, na inwerkingtreding van het plan, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

5.3. In het vorige plan "De Berg 2003" gold voor het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van dat plan, voor zover hier van belang, waren de op de plankaart als "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor: wonen met de daarbij behorende tuinen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 5, vijfde lid, waren burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, voor het toestaan van een aan een woning gebonden beroep of bedrijf in een woning en de daarbij behorende aan- en bijgebouwen door de bewoner, mits - onder meer - de bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen, die voor het beroep of bedrijf wordt benut, maximaal 75 m² bedraagt.

Ingevolge artikel 26, derde lid, van de voorschriften, mag het gebruik, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, van in het plan begrepen gronden en bouwwerken in afwijking van het plan -behoudens het in dit artikel bepaalde - wordt gemaakt, worden voortgezet en gewijzigd, mits daardoor de afwijkingen van het plan niet worden vergroot. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet, indien:

a. het betreft een gebruik dat reeds in strijd is met het vóór het onderhavige plan geldende bestemmingsplan,

b. dat strijdig gebruik een aanvang heeft genomen, nadat de goedkeuring van dat vorige bestemmingsplan onherroepelijk was geworden, en

c. burgemeester en wethouders vóór het in de aanhef van dit lid bedoelde tijdstip te kennen hebben gegeven dat het in de aanhef van dit lid gestelde niet van toepassing is en een procedure ter beëindiging van dat strijdige gebruik te zullen aanvangen en zulks op de gebruikelijke wijze aan de overtreder kenbaar hebben gemaakt.

5.4. [appellant sub 2] heeft het pand in 1989 aangekocht. De toentertijds geldende bestemming "vrijstaande woningen (V2)" in het bestemmingsplan "Berg" uit 1979 stond kantoorruimten niet toe. Op 17 mei 1990 is, met gebruikmaking van de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid in artikel 25a van het plan "Berg" voor een beroep of bedrijf aan huis tot een oppervlakte van 75 m², een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden en gedeeltelijk verbouwen van een woning tot kantoorruimte. Uit de bouwtekening bij deze vergunning volgt dat de keuken en bijkeuken op de begane grond tot kantoor zijn verbouwd en een kamer op de eerste verdieping kantoor is geworden. Zoals ter zitting is gebleken, blijven deze kantoorruimten wat betreft de oppervlakte onder de 75 m². [appellant sub 2] heeft ter zitting gesteld dat de ruimten vervolgens voor een grotere oppervlakte voor kantoor in gebruik zijn genomen dan op de bouwtekeningen is vermeld. De raad heeft in het verweerschrift gesteld dat hij ervan uit is gegaan dat het gebruik van het pand als kantoor overeenkomstig de regels van het bestemmingsplan is geweest en heeft de stelling van [appellant sub 2] ter zitting niet weersproken. Geoordeeld moet worden dat, nu voor een gebruik van het pand voor 50% van de oppervlakte als kantoor geen planologische toestemming is verleend, dit gebruik in 1990 illegaal is aangevangen.

De Afdeling overweegt dat het overgangsrecht in artikel 26 van de planregels van het opvolgende bestemmingsplan "De Berg 2003" voor illegaal ontstaan gebruik legaliserende werking had. In dit geval doet de uitzondering als bedoeld in de tweede volzin van artikel 26, derde lid, van de voorschriften van dat plan zich niet voor, nu niet is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders vóór het tijdstip van het van kracht worden van het plan te kennen heeft gegeven dat het strijdige gebruik niet mag worden voortgezet en dat het college een procedure ter beëindiging van dat strijdige gebruik zou aanvangen. Gelet hierop mocht het strijdige gebruik van het pand voor 50% als kantoor onder de beschermende werking van het algemene overgangsrecht van het plan "De Berg 2003" worden voortgezet. De raad heeft dit niet onderkend. Niet valt uit te sluiten dat de raad, gelet op het onder het algemene overgangsrecht voortgezette legale gebruik, voor een andere bestemmingsregeling dan de onderhavige zou kiezen. De Afdeling wijst er in dit verband op dat voor gebruik dat onder het algemeen overgangsrecht van het vorige plan viel, slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden persoonsgebonden overgangsrecht worden opgenomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, in zaak nr. 201300442/1/R2).

Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

6. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" en de bestemming "Tuin" ter plaatse van het perceel [locatie] te Amersfoort, alsmede artikel 47, lid 47.3, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Aan hetgeen [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd, komt gelet hierop geen bespreking toe.

7. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het perceel als bedoeld onder 6 met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Proceskosten

8. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 2] te worden veroordeeld. Ten aanzien van de Belangenvereniging bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Amersfoort van 11 juni 2013, kenmerk 4365090, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Berg-Utrechtseweg", voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" en de bestemming "Tuin" ter plaatse van het perceel [locatie] te Amersfoort, alsmede artikel 47, lid 47.3, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Amersfoort ten aanzien van de onder II genoemde planonderdelen op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

IV. verklaart het beroep van de vereniging Belangenvereniging BW-laan Even Nummers ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Amersfoort tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Amersfoort aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Konings

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

612.