Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201308956/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-136, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) het gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateau aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), en het besluit van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/340, tot aanwijzing van het gebied Leenderbos en Groote Heide als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103; hierna: de Vogelrichtlijn), gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308956/1/R2.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Dommelen, gemeente Valkenswaard,

appellanten,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-136, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) het gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateau aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), en het besluit van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/340, tot aanwijzing van het gebied Leenderbos en Groote Heide als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103; hierna: de Vogelrichtlijn), gewijzigd.

Tegen dit besluit hebben het college en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2014, waar

[appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [appellant sub 2], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.D. Strookman, bijgestaan door drs. E.R. Osieck en ir. D. Bal, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998 wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval: a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voor zover vereist ingevolge de Vogelrichtlijn of b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voor zover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn. Ingevolge het vierde lid van dit artikel gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

Het beroep van het college

Procedureel

2. Het college stelt dat de procedure voorafgaand aan de aanwijzing van het gebied niet zorgvuldig is geweest. Het college voert hiertoe aan dat het bestreden besluit eerst zes jaar na de terinzagelegging van het ontwerp is genomen. Volgens het college kunnen er wijzigingen hebben plaatsgevonden in eigendomsverhoudingen en betrokken belangen gedurende deze periode, terwijl uitsluitend diegenen die een zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit beroep kunnen instellen.

2.1. De staatssecretaris heeft toegelicht dat juist met het oog op een zorgvuldige besluitvorming de tijd is genomen voor de aanwijzing van het gebied. De Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat tussen de terinzagelegging van het ontwerp in 2007 en het nemen van het bestreden besluit in 2013 geruime tijd is verstreken, nog niet maakt dat de procedure onzorgvuldig is geweest. Bovendien kunnen ook belanghebbenden die geen zienswijze tegen het ontwerp hebben ingediend, maar die dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, beroep instellen. Het betoog faalt.

Inhoudelijk

3. Het college betoogt dat de beken Run en Keersop en de daaraan grenzende gebieden Kromhurken, Keersopperdreef en ’t Heike ten onrechte deel uitmaken van het Habitatrichtlijngebied. Het college stelt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze beken en gebieden binnen de begrenzing zijn opgenomen. Volgens het college zijn de beken en gebieden slechts aangewezen omdat ze in eigendom zijn van het waterschap en terreinbeherende organisaties. Pas op 18 september 2013, na het aanwijzingsbesluit, heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Het college stelt voorts dat geen rekening is gehouden met gevolgen voor de omgeving en de bedrijfsvoering van agrariërs.

3.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de desbetreffende beken en gebieden zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied, omdat daar natuurwaarden aanwezig zijn. Overeenkomstig de criteria van de Habitatrichtlijn hebben alleen ecologische overwegingen een rol gespeeld bij de selectie en begrenzing van het gebied, aldus de staatssecretaris.

3.2. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) kunnen bij een aanwijzingsbesluit voor een Habitatrichtlijngebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van het Hof van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping, punten 16 en 25 (www.curia.europa.eu). Gelet hierop heeft de staatssecretaris terecht eventuele negatieve gevolgen voor de omgeving en de bedrijfsvoeringen van agrariërs niet betrokken bij de selectie en begrenzing van het gebied.

Voor zover het college stelt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de desbetreffende beken en gebieden onderdeel uitmaken van het Habitatrichtlijngebied, is het volgende van belang. Ten aanzien van de Run en de Keersop blijkt uit het bestreden besluit dat de beken zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van de habitatsoorten "drijvende waterweegbree" (H1831) onderscheidenlijk "beekprik" (H1096). De staatssecretaris heeft toegelicht dat uit het Reactiedocument aanmelding habitatrichtlijngebieden blijkt dat de "drijvende waterweegbree" (H1831) in de Run voorkomt. Dat de "beekprik" (H1096) in het gehele traject van de Keersop voorkomt, blijkt onder andere uit vangsten die zijn gedaan. Ten aanzien van de gebieden blijkt uit het bestreden besluit dat die zijn aangewezen vanwege de aanwezigheid van het habitattype "vochtige alluviale bossen" (H91E0), en het gebied Kromhurken daarnaast in verband met de aanwezigheid van "Noord-Atlantische vochtige heide" (H4010). De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat de gebieden zijn opgenomen op basis van veldbezoeken door en waarnemingen van Staatsbosbeheer. Wat betreft het veldbezoek op 18 september 2013 heeft de staatssecretaris toegelicht dat hiermee slechts is beoogd de exacte omvang van de habitattypen vast te leggen en niet de aanwezigheid als zodanig, nu die al vaststond op basis van de veldbezoeken door en waarnemingen van Staatsbosbeheer van vóór het bestreden besluit. Gelet hierop is afdoende gebleken dat de staatssecretaris overwegingen van ecologische aard aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd en dat hij de desbetreffende beken en gebieden, anders dan het college stelt, niet slechts heeft aangewezen omdat deze in eigendom zijn van het waterschap en terreinbeherende organisaties. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre een draagkrachtige motivering ontbeert.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris de beken Run en Keersop en de gebieden Kromhurken, Keersopperdreef en ’t Heike niet als Habitatrichtlijngebied heeft mogen aanwijzen. Het betoog faalt.

Conclusie

4. Het beroep van het college is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

5. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het gebied tussen het Keersopdal en de Malpie als Habitatrichtlijngebied had dienen te worden aangewezen. Volgens hen zal verbinding van het Keersopdal en de Malpie bijdragen aan de instandhouding van de natuurwaarden. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat hun bedrijfsvoering als bestaand gebruik dient te worden aangemerkt in het op te stellen beheerplan. Zij stellen dat mogelijke schade ten gevolge van het aanwijzingsbesluit vergoed moet worden.

5.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om dit gebied binnen de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied te brengen. In het gebied komen geen natuurwaarden voor. Bovendien kan het gebied geen bijdrage leveren aan de instandhouding van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen, aldus de staatssecretaris.

5.2. Blijkens de bij het aanwijzingsbesluit behorende kaart zijn de Malpie en een gebied ten westen van Dommelen - aangeduid als het Keersopdal -aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Het gebied daartussen is niet binnen de begrenzing opgenomen.

5.3. In het Doelendocument, dat aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag is gelegd, en het aanwijzingsbesluit is de systematiek beschreven die de staatssecretaris hanteert bij de begrenzing van habitatrichtlijngebieden. Hierin is vermeld dat de habitattypen van bijlage I en de leefgebieden van de soorten van bijlage II het uitgangspunt vormen voor de begrenzing. Dit is inclusief in kwaliteit achteruitgegane en gedegenereerde terreindelen, indien herstel haalbaar is en voor zover nodig voor de instandhouding van de aanwezige habitattypen en/of -soorten. Bij versnippering van een aan te wijzen gebied in meerdere deelgebieden worden alleen die deelgebieden begrensd.

Voorts is gebleken dat de staatssecretaris het uitgangspunt heeft gehanteerd zones tussen deelgebieden binnen de begrenzing op te nemen indien dat de algemene samenhang van het Habitatrichtlijngebied ten goede zou komen. Dit kan het geval zijn indien in de verbindingszone vergelijkbare habitattypen en/of -soorten voorkomen of indien een zone een bijdrage kan leveren aan de instandhouding van de habitattypen en/of -soorten waarvoor het Habitatrichtlijngebied is aangewezen.

[appellant sub 2] en anderen hebben dit uitgangspunt op zichzelf niet bestreden. Voorts is gebleken dat de zone tussen het Keersopdal en de Malpie grotendeels uit een bungalowpark, een circuit, agrarische gronden en bebouwing bestaat. Niet in geschil is dat in deze zone geen habitattypen en/of -soorten aanwezig zijn. [appellant sub 2] en anderen hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de zone kan bijdragen aan de instandhouding van de habitattypen en/of -soorten waarvoor het Habitatrichtlijngebied is aangewezen. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het aanwijzen van het gebied tussen het Keersopdal en de Malpie als Habitatrichtlijngebied. Het betoog faalt.

5.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat hun bedrijfsvoering in het op te stellen beheerplan als bestaand gebruik dient te worden aangemerkt, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het bestreden besluit maar op het nog vast te stellen beheerplan. Deze beroepsgrond kan in de onderhavige procedure derhalve niet aan de orde komen.

5.5. Met betrekking tot de door [appellant sub 2] en anderen gevreesde schade als gevolg van de aanwijzing, overweegt de Afdeling dat artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998, een regeling bevat voor vergoeding van door belanghebbenden geleden schade als gevolg van een besluit genomen krachtens hoofdstuk III van die wet. Artikel 10a van de Nbw 1998 maakt deel uit van dat hoofdstuk, zodat eventuele schade als gevolg van het bestreden besluit valt onder het bereik van de in artikel 31 van de Nbw 1998 opgenomen schadevergoedingsregeling.

5.6. [appellant sub 2] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellant sub 2] en anderen hebben in het beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

5.7. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Schoonbrood

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

694.