Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2312

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201308729/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308729/1/R4.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden, en door [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door J.W. Huisman en R.M. van der Vegte, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Tytsjerksteradiel.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. [appellant] is eigenaar van recreatiewoning [naam], gelegen aan het [locatie] te Earnewâld. Zijn perceel is door een brug verbonden met een dijk langs de Lange Sleatten, waarover een openbaar fietspad loopt. [appellant] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover 15 m van de strook water die deel uitmaakt van de Lange Sleatten en die, gezien vanuit de recreatiewoning, is gelegen aan de overzijde van de dijk, ten hoogte van zijn perceel niet is aangeduid als "steiger". Het exclusieve gebruik van de gehele strook water ter hoogte van het perceel van [appellant] rust volgens hem bij de opvolgende eigenaars van het perceel. De raad stelt ten onrechte dat genoemde strook van 15 m een recente uitbreiding van een illegale situatie betreft, nu het gebruik als steiger van de gehele strook water gelegaliseerd is, doordat dit gebruik onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel, zo betoogt hij. Ter zitting heeft hij in dit verband toegelicht dat op de plaats waar de aanduiding "steiger" ontbreekt voorheen een botenhelling lag. Nu echter een steiger en een botenhelling beide zijn bedoeld voor het aan- en afmeren van vaartuigen, kunnen deze als hetzelfde bouwwerk worden beschouwd, aldus [appellant].

Hij voert voorts aan dat de aanduiding "steiger" zijn privacy waarborgt, doordat deze het aanleggen door passanten niet toelaat.

Voorts betoogt hij dat de raad ten onrechte het boothuis niet als zodanig heeft bestemd. De raad stelt zich ten onrechte op het standpunt dat dit als een gebouw moet worden aangemerkt, aldus [appellant]. Hij voert hiertoe aan dat het boothuis mobiel is, dat het kan varen en dat er ook daadwerkelijk regelmatig mee wordt gevaren. Ter zitting heeft hij toegelicht dat het boothuis is voorzien van een buitenboordmotor en dat het slechts met een gemakkelijk te verwijderen kabel met de oever is verbonden.

4. De raad stelt zich op het standpunt dat hij de bestaande steiger als zodanig heeft aangeduid. Bij het niet aangeduide gedeelte zijn slechts betonnen staketsels aanwezig. Aangezien daar geen steiger is, kan deze ook niet onder het overgangsrecht zijn gekomen, aldus de raad. Wel stelt de raad dat een kleine strook ten zuidoosten van de aanduiding "steiger" fysiek gezien onderdeel uitmaakt van de ter plaatse aanwezige steiger. Om die reden heeft de raad het voornemen de aanduiding "steiger" naar deze strook uit te breiden bij de algehele wijziging van het plan, die naar verwachting binnen twee jaar plaatsvindt. [appellant] heeft hier ter zitting mee ingestemd.

Van vermindering van privacy is volgens de raad geen sprake, omdat de strook water wordt omgeven door openbaar vaarwater en een openbaar fietspad. Een aanduiding kan bovendien niet voorkomen dat anderen op de gronden aanleggen, aldus de raad.

5. Aan de strook water die is gelegen in de Lange Sleatten ter hoogte van het perceel van [appellant], is de bestemming "Water" en gedeeltelijk de aanduiding "steiger" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 5, van de planregels, dient onder een aan- en afmeersteiger te worden verstaan een constructie aan een oever of kade, in of op het water, die hoofdzakelijk dient voor het aanleggen en ligplaats innemen van vaartuigen.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1 zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

a. kanalen, vaarten, tochten, sloten, meren, plassen, vijvers en poelen en daarmee gelijk te stellen waterlopen en waterpartijen;

b. kaden en oevers;

c. aanleggelegenheid;

d. liggelegenheden voor recreatievaartuigen, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - liggelegenheid recreatievaartuigen";

e. ligplaatsen voor recreatiewoonschepen, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - ligplaats recreatiewoonschepen";

f. de waterhuishouding; (…)

met de daarbij behorende:

s. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder:

1. kunstwerken;

2. aan- en afmeersteigers.

Ingevolge lid 32.2, onder 32.2.1, mogen op of in de gronden die als "Water" zijn bestemd geen gebouwen worden gebouwd.

Ingevolge lid 32.2, onder 32.2.2, gelden voor het bouwen van de in lid 32.1 onder s. genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:

a. aan- en afmeersteigers mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "steiger", "specifieke vorm van recreatie - liggelegenheid recreatie­vaartuigen" of "specifieke vorm van recreatie - ligplaats recreatiewoonschepen".

Ingevolge artikel 32, lid 32.3, van de planregels, wordt tot een gebruik, strijdig met de bestemming, in ieder geval gerekend:

(…)

b. het gebruik van de gronden als (permanente) liggelegenheid voor recreatievaartuigen, tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als "specifieke vorm van recreatie - liggelegenheid recreatievaartuigen".

6. Vast staat dat ten tijde van de inwerkingtreding van het plan een steiger met een lengte van ongeveer 30 m aanwezig was in de Lange Sleatten, ter hoogte van het perceel van [appellant]. Op het door [appellant] bedoelde gedeelte van het water van 15 m lengte, waar nu het botenhuis is aangemeerd, was voorheen geen steiger aanwezig. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk bestaande situatie en ervan kunnen afzien ook het door [appellant] bedoelde gedeelte aan te duiden als "steiger".

Het betoog van [appellant] dat het gebruik van het niet als "steiger" aangeduide deel van de strook onder het overgangsrecht is gekomen, volgt de Afdeling niet. Ingevolge artikel 59, lid 59.2, onder a van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Op deze strook was ten tijde van de inwerkingtreding van het plan geen steiger in gebruik, maar waren slechts de restanten van een botenhelling aanwezig. Een botenhelling kan in tegenstelling tot hetgeen [appellant] stelt niet als een steiger worden aangemerkt, nu een botenhelling is bedoeld om vaartuigen aan wal te halen en een steiger ingevolge artikel 1, lid 5, van de planregels en overeenkomstig het gangbaar spraakgebruik, hoofdzakelijk dient voor het aanleggen en ligplaats innemen van vaartuigen in het water. Derhalve is er voor het niet als "steiger" aangeduide deel van de strook gronden geen gebruik als steiger onder het overgangsrecht gekomen.

Met betrekking tot de privacy van [appellant] is het volgende van belang. De toevoeging van de aanduiding "steiger" leidt er, gelet op artikel 32, lid 32.2, onder 32.2.2, sub a van de planregels, toe dat ter plaatse van die aanduiding een aan- en afmeersteiger mag worden gebouwd. Aan een aan- en afmeersteiger mogen vaartuigen aanleggen. De veronderstelling van appellant dat de toevoeging van de aanduiding "steiger" ertoe leidt dat alleen hij de steiger mag gebruiken en dat anderen daar niet mogen aanleggen vindt echter geen steun in de planregels. Gebruik als steiger is op grond van het plan ook voor derden toegestaan. Een eventuele beperking van de toegang tot de oever of tot een te realiseren steiger zal derhalve moeten plaatsvinden langs andere weg. De raad heeft in de gestelde gevolgen voor de privacy van [appellant] dan ook geen aanleiding hoeven zien om het plan niet in deze vorm vast te stellen.

7. Ten aanzien van het botenhuis kan in het midden blijven of de raad dit terecht als een bouwwerk heeft aangemerkt. In dit verband overweegt de Afdeling het volgende.

Voor zover het botenhuis als bouwwerk, en daarmee - gezien de constructie - als gebouw, zou moeten worden aangemerkt, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling het oprichten van gebouwen op gronden met de bestemming "Water" en de dubbelbestemming "Waarde - Landschap (Open landschap)" in redelijkheid kunnen uitsluiten, gezien het belang dat blijkens de plantoelichting aan de landschappelijke waarden in het plangebied wordt gehecht en de bescherming van het open karakter van het landschap die, zoals blijkt uit de toelichting, met de genoemde dubbelbestemming wordt nagestreefd. Dat op de plaats waar het botenhuis gewoonlijk ligt afgemeerd eerder een trailerhelling aanwezig was, zoals [appellant] stelt, brengt daarin geen verandering, alleen al omdat een trailerhelling qua constructie en ruimtelijke uitstraling niet vergelijkbaar is met een botenhuis zoals hier aan de orde.

Voor zover het botenhuis, zoals [appellant] betoogt, als vaartuig zou moeten worden aangemerkt overweegt de Afdeling dat op gronden waaraan de bestemming "Water" is toegekend, voor zover hier van belang, op grond van het plan slechts het "aanleggen" van vaartuigen is toegestaan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat voor de uitleg van dit begrip, dat in het plan niet wordt omschreven, is beoogd aan te sluiten bij de algemene plaatselijke verordening, waarin aanleggen in artikel 1:1 kort gezegd wordt omschreven als het afmeren en vervolgens laten liggen van een vaartuig gedurende de tijd die daadwerkelijk wordt gebruikt voor een recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig. Om het vaartuig voor een langere tijd op de desbetreffende strook water toe te staan, dient gelet op artikel 32, lid 32.2, onder 32.2.2, sub a, in samenhang gelezen met artikel 1, lid 5 van de planregels, aan de strook water een daartoe strekkende aanduiding te worden toegekend. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 6. is overwogen, heeft de raad daar in redelijkheid van kunnen afzien.

Gezien het voorgaande heeft de raad ervan mogen afzien het botenhuis in het plan als zodanig te bestemmen. Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Oudenaarden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

568-808.