Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2309

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201308326/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Monster" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308326/1/R4.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Monster, gemeente Westland,

2. [appellant sub 2], wonend te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

3. [appellant sub 3], wonend te Monster, gemeente Westland,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Monster" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad van de gemeente Westland heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3], beiden vertegenwoordigd door S.T. Breumelhof, en de raad, vertegenwoordigd door E.J. den Hollander, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn als partij verschenen [belanghebbenden], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de gehele kern Monster.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de bestemming "Kantoor", die is toegekend aan zijn perceel [locatie 1] te Monster. [appellant sub 1] voert aan dat aan dit perceel de gemengde bestemming "Wonen en Kantoor" had moeten worden toegekend. Volgens [appellant sub 1] zijn de door de raad gebruikte argumenten om slechts de bestemming "Kantoor" toe te kennen zeer gebrekkig zo niet onjuist en bovendien geheel anders dan de door de raad ingebrachte argumenten, genoemd in de "Nota van beantwoording zienswijzen Kern Monster". [appellant sub 1] stelt dat de staat en de inrichting van het pand op het perceel na de wijziging van de bestemming eenvoudig zijn aan te passen. Ook is het pand volgens hem voor een woonbestemming goed gesitueerd, nu het pand ligt in een woonwijk omgeven door woningen. De vrees voor ingebruikname van het pand als kamerverhuurbedrijf is volgens [appellant sub 1] ongegrond, nu voor gebruik voor kamerverhuur een afzonderlijke vergunning is benodigd. [appellant sub 1] wijst in dit verband op een memo van de wethouder, waarin staat vermeld dat "wonen" ziet op één huishouden en een kamerverhuurbedrijf binnen deze functie niet past. [appellant sub 1] stelt voorts dat de raad in zijn amendement bij het besluit van 25 juni 2013 artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) miskent. Nu in zijn situatie sprake is van de bestemming "Kantoor" en het uitzonderingsgeval van artikel 6.5, derde lid, van het Bor gelet op deze bestemming niet op zijn perceel van toepassing is, zal een verklaring van geen bedenkingen vereist zijn.

3.1 De raad stelt dat de gemeente heeft afgezien van het toevoegen van de bestemming "Wonen" aan het perceel, vanwege de huidige staat en inrichting van het pand en bezwaren van omwonenden.

De raad stelt voorts dat in het amendement expliciet is bepaald dat bij verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een verklaring van geen bedenkingen voor dit perceel niet benodigd is.

3.2 Op het perceel van [appellant sub 1] is de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik als zodanig bestemd. De Afdeling overweegt dat uit de zienswijze en het beroepschrift van [appellant sub 1] weliswaar volgt dat hij voornemens is aan te wenden voor woondoeleinden, maar niet dat daarvoor reeds een concreet plan bestond op grond waarvan de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid kon beoordelen. Niet duidelijk is welke woonfuncties [appellant sub 1] ter plaatse precies wil ontwikkelen en in welke omvang. Gelet daarop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een woonbestemming op het perceel, mede gelet op de staat van het kantoorpand en de belangen van derden, niet zonder meer kan worden opgenomen in het plan. De raad heeft de bestaande situatie als zodanig kunnen bestemmen en in redelijkheid kunnen afzien van een woonbestemming op dit perceel.

3.4 Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat de uitzonderingsbepaling van artikel 6.5, derde lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) niet op zijn perceel van toepassing is, overweegt de Afdeling dat in deze procedure uitsluitend het bestemmingsplan "Kern Monster" voorligt. De vraag of een door [appellant sub 1] ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan valt onder de uitzonderingsbepaling van artikel 6.5, derde lid, van het Bor, valt buiten de omvang van dit geschil.

4. [appellant sub 1] betoogt dat in het bestemmingsplan vóór de vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Kerngebieden Monster" eveneens de gemengde bestemming "Wonen en Kantoor" op dit perceel rustte. In het vorige bestemmingsplan "Kerngebieden Monster" is aan het perceel de bestemming "Kantoren" toegekend. Blijkens het verslag van de commissie Ruimtelijke Ordening van 17 maart 1994 is door deze commissie volgens [appellant sub 1] aan hem toegezegd dat hem vrijstelling zou worden verleend van de bestemming "Kantoor" ten behoeve van woonfuncties en dat dit ook bekend was bij de toenmalige gemeenteraad. Gelet op een en ander stelt [appellant sub 1] dat hij ervan uit mocht gaan dat in het voorliggende plan aan het perceel de door hem gewenste gemengde bestemming "Wonen en Kantoor" zou worden toegekend.

4.1 De raad stelt dat, voor zover al sprake zou zijn van een toezegging, deze toezegging alleen ziet op het oprichten van een dienstwoning.

4.2 De Afdeling overweegt dat ook in het voorgaande plan het perceel was bestemd voor een kantoor. Weliswaar was in dat plan een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen voor het realiseren van een (dienst)woning binnen de kantoorbestemming, maar [appellant sub 1] heeft nooit een aanvraag om vrijstelling gedaan. De raad heeft gelet daarop in zoverre geen aanleiding hoeven te zien om nu een woonbestemming op te nemen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding om de beraadslagingen met betrekking tot het voorgaande plan op te vatten als een toezegging met betrekking tot het thans bestreden plan. Het betoog faalt.

5. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

6. [appellant sub 3] is eigenaar van de percelen aan het [locatie 2 en 3] te Monster. Hij stelt dat hij als eigenaar van het op deze percelen aanwezige pand onevenredig wordt benadeeld ten opzichte van de omliggende panden. Aan de omliggende panden die zijn gesitueerd binnen de bestemming "Waarde-Karakteristiek" wordt volgens hem een hogere goot- en bouwhoogte toegestaan dan aan zijn pand. [appellant sub 3] stelt zich in het kader van uniformiteit en standaardisering op het standpunt dat de maximale toegestane nokhoogte op zijn perceel dient te worden aangepast naar 10 m. In dit verband wijst [appellant sub 3] erop dat ook in zijn pand mag worden gewoond.

6.1 De raad stelt dat in het plan ten aanzien van woningen is gekozen voor standaard goot- en nokhoogtes. Aan het perceel van [appellant sub 3] is de bestemming "Kantoor" toegekend, waarvoor geen standaard goot- en nokhoogtes gelden. De raad stelt dat de vigerende rechten van [appellant sub 3] zijn gerespecteerd, nu de goot- en nokhoogte uit het voorgaande plan zijn overgenomen voor zijn percelen.

6.2 Aan het perceel is blijkens de verbeelding de bestemming "Kantoor" met functieaanduiding "wonen" en de dubbelbestemming "Waarde-Karakteristiek" toegekend.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Kantoor" aangewezen gronden bestemd voor:

a. kantoren;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’: tevens voor het wonen;

c. […];

d. […].

Ingevolge artikel 12, lid 12.2.1, mag op de gronden met de bestemming "Kantoor" worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;

c. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;

d t/m f […].

Ingevolge artikel 25, lid 25.1, zijn de voor "Waarde-Karakteristiek bestemde gronden - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud van de karakteristieke ruimtelijke kwaliteit;

Ingevolge artikel 25, lid 25.2, mag op deze gronden worden gebouwd en gelden de bouwregels van de andere aldaar voorkomende bestemming(en).

6.3 Blijkens de verbeelding is aan het perceel van [appellant sub 3] een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 7 en 9 m toegekend. De raad heeft voor deze maatvoering aangesloten bij de in het vorige plan opgenomen en feitelijk gerealiseerde rechten voor bebouwing. Voorts heeft de raad voor woningen gekozen voor standaard goot- en nokhoogtes. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit niet in redelijkheid heeft kunnen doen. Voor zover [appellant sub 3] een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de Afdeling dat van gelijke gevallen niet kan worden gesproken, omdat op het perceel van [appellant sub 3] een kantoorbestemming rust terwijl op de omliggende percelen een woonbestemming rust. Dat ingevolge de functieaanduiding "wonen" ook in het pand gewoond mag worden doet er niet aan af dat de bestemming "Kantoor" is, met de daarbij behorende planregeling. De omstandigheid dat aan de omliggende percelen net als aan het perceel van [appellant sub 3] de bestemming "Waarde-Karakteristiek" is toegekend, is in dit verband niet van betekenis nu aan deze bestemming op zichzelf geen maximale goot- en nokhoogtes zijn verbonden. Het betoog faalt.

7. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

8. [appellant sub 2] is eigenaar van de onroerende zaken aan de [6 locaties] te Monster.

9. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bij de vaststelling van het plan gewijzigde situering van het bouwvlak voor het perceel [locatie 4]. Volgens [appellant sub 2] dient de grens van dit bouwvlak aan de achterzijde gelijk te lopen aan de grens van het bouwvlak van het perceel Herenstraat 46, wat volgens [appellant sub 2] aansluit op de huidige vergunde situatie en gebruik.

9.1 Aan het perceel is blijkens de verbeelding de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder 19.2.1, mag op deze gronden worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. hoofdgebouwen worden uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak;

b. t/m s. […].

9.2 De raad heeft in zijn verweerschrift een nadere motivering gegeven over de situering van het bouwvlak. De opzet en systematiek van het voorliggende plan is dat hoofdgebouwen worden gesitueerd binnen het bouwvlak en aan-, uit- en bijgebouwen buiten dit bouwvlak worden gesitueerd. Het bouwvlak van het voorgaande bestemmingsplan is overgenomen en de bestaande rechten van [appellant sub 2] zijn hierbij volgens de raad gerespecteerd.

9.3 Ter zitting is door [appellant sub 2] er op gewezen dat het pand op het perceel [locatie 4] te Monster is opgesplitst in drie woningen. Het bouwwerk dat door de raad is aangemerkt als uitbouw, betreft de achterste woning van deze woningen. De vastgestelde situering van het bouwvlak heeft volgens [appellant sub 2] als gevolg dat de achterste woning in zijn bouwmogelijkheden wordt beperkt, nu deze woning buiten het bouwvlak valt. De raad heeft ter zitting erkend dat deze omstandigheid niet is onderkend, en derhalve niet bij de voorbereiding van het besluit is betrokken. Gelet daarop is het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 4] te Monster, voor zover het betreft op de situering van het bouwvlak, in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

10. Het beroep van [appellant sub 2] is voorts gericht tegen de het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 5] te Monster, voor zover daarbij op de verbeelding een maximale goot- en nokhoogte van respectievelijk 3 en 6 m is toegekend. Volgens [appellant sub 2] is door de raad toegezegd dat de maximale goot- en bouwhoogte op dit perceel wordt gewijzigd naar respectievelijk 6 en 10 m. Deze wijziging is niet verwerkt op de verbeelding.

10.1 De raad erkent dat de maximaal toegestane goot- en nokhoogte abusievelijk niet is aangepast, terwijl in de zienswijzennota deze aanpassing wel was toegezegd.

10.2 Nu de maximaal toegestane goot- en nokhoogte abusievelijk niet zijn aangepast en de verbeelding in zoverre niet overeenstemt met de eveneens door de raad vastgestelde zienswijzennota, zijn het bestreden besluit en de verbeelding, wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen " voor het perceel [locatie 5] te Monster voor zover daarbij als maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 3 en 6 m is toegekend, in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

11. Het beroep van [appellant sub 2] is tevens gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduiding "bouwvlak" op het perceel [locatie 6] te Monster. Volgens [appellant sub 2] is door de raad toegezegd dat dit bouwvlak zou worden aangepast. [appellant sub 2] constateert dat dit niet is gebeurd.

11.1 Ter zitting heeft de raad erkend dat het plan abusievelijk niet voorziet in een groter bouwvlak voor het perceel [locatie 6] te Monster, terwijl in de zienswijzennota deze aanpassing wel was toegezegd.

11.2 Nu het plan abusievelijk niet voorziet in een groter bouwvlak voor het perceel [locatie 6] te Monster en de verbeelding in zoverre niet overeenstemt met de eveneens door de raad vastgestelde zienswijzennota, zijn het bestreden besluit en de verbeelding, wat betreft de aanduiding "bouwvlak" binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 6] te Monster, in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Bestuurlijke lus

12. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De raad dient daartoe:

a. met inachtneming van rechtsoverweging 9.3 te onderzoeken of de aanwezigheid van de achterste woning op het perceel [locatie 4] te Monster in het door de raad als uitbouw aangemerkte bouwwerk aanleiding geeft het bouwvlak binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" aan te passen zodanig dat het mede dit bouwwerk omvat, en zo nodig het besluit in zoverre te wijzigen;

b. met inachtneming van rechtsoverweging 10.2 het besluit te wijzigen door vaststelling van een maximale nok- en goothoogte van respectievelijk 6 en 10 m binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 5] te Monster;

c. met inachtneming van rechtsoverweging 11.2 het besluit te wijzigen door het vaststellen van het bouwvlak, zoals door [appellant sub 2] op bijlage 3 van zijn beroepschrift is weergegeven, binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 6] te Monster.

13. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast. De raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Proceskosten

14. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van [appellant sub 2] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] tegen het besluit van de raad van de gemeente Westland van 25 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kern Monster" ongegrond;

II. draagt de raad van de gemeente Westland naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 2] op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak:

a. met inachtneming van rechtsoverweging 9.3, 10.2 en 11.2 de daar omschreven gebreken te herstellen en;

b. de Afdeling de uitkomst mede te delen en het gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Wiel w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

539-817.