Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2301

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201307697/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:6458, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2012 heeft het college op straffe van een dwangsom van € 7.500,00 Niro gelast om voor 1 maart 2013 het gebruik van de woning aan de Amsterdamsestraatweg 555 BS te Utrecht ten behoeve van kamerverhuur te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307697/1/A3.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Niro Vastgoed B.V., gevestigd te Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 juli 2013 in zaken nrs. 12/2891 en 13/1136 in het geding tussen:

Niro

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2012 heeft het college op straffe van een dwangsom van € 7.500,00 Niro gelast om voor 1 maart 2013 het gebruik van de woning aan de Amsterdamsestraatweg 555 BS te Utrecht ten behoeve van kamerverhuur te beëindigen.

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college het door Niro daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2013 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door Niro daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Niro hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2014, waar Niro, vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. A.P. Flinterman, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Soeteman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet, zoals dat ten tijde van belang luidde, is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeesters en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 3.1.1 van de Regionale Huisvestingsverordening Bestuur Regio Utrecht, versie 1 januari 2013 (hierna: de Huisvestingsverordening), is het bepaalde in hoofdstuk 3 van toepassing op alle woonruimten.

Ingevolge artikel 3.1.2, aanhef en onder c, is het verboden zonder vergunning een woonruimte, aangewezen in artikel 3.1.1, van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

2. Aan de last onder dwangsom heeft het college ten grondslag gelegd dat Niro in strijd met artikel 3.1.2, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening zonder vergunning de woning op het adres Amsterdamsestraatweg 555 BS heeft omgezet van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte en er geen concreet zicht op legalisatie is, omdat geen vergunning is aangevraagd. Niro heeft verder niet aangetoond dat de kamerverhuursituatie in het pand vóór 1 oktober 1990 is ontstaan en sindsdien onafgebroken is voortgezet. De kamerverhuursituatie voldoet daarmee niet aan de voorwaarden van de met ingang van 1 juni 1992 geldende gedoogregeling en om deze reden kan geen gedoogverklaring worden afgegeven. Volgens het college is het algemeen belang gelegen in het behoud van zelfstandige woonruimte gediend met handhaving. Daarnaast speelt mee dat over de Amsterdamsestraatweg 555 BS een klacht is ingediend.

3. De rechtbank heeft het beroep in zaak nr. 13/1136 ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat Niro geen geslaagd beroep op de gedoogregeling toekomt. Het college heeft zich, onder verwijzing naar gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, op het standpunt gesteld dat de kamergewijze verhuur niet is ontstaan vóór 1 oktober 1990. Niro heeft deze gegevens niet gemotiveerd bestreden en het college heeft zich daarom in het bestreden besluit op die gegevens mogen baseren, aldus de rechtbank.

4. Niro betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat ten onrechte aan het bij haar bestreden besluit ten grondslag is gelegd dat geen gedoogverklaring kan worden afgegeven. Zij voert aan dat aan de daartoe gestelde voorwaarden is voldaan. In het pand heeft ook in de periode 1990 tot en met maart 1993 kamergewijze verhuur plaatsgevonden, zodat de kamergewijze verhuur vóór 1 oktober 1990 is aangevangen. Het door haar ter onderbouwing van dit standpunt gedane bewijsaanbod is door de rechtbank ten onrechte gepasseerd, aldus Niro.

4.1. Het college heeft ter zitting bij de rechtbank en de Afdeling aan de hand van gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens toegelicht, dat uit die gegevens niet volgt dat het pand tot 1 oktober 1990 kamergewijs werd verhuurd. De rechtbank heeft het door Niro gedane bewijsaanbod terecht gepasseerd aangezien in hetgeen Niro heeft aangevoerd geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het college. Daartoe is van belang dat Niro noch in beroep noch in hoger beroep een begin van bewijs ter ondersteuning voor haar stelling dat de kamergewijze verhuur is aangevangen vóór 1 oktober 1990, heeft geleverd. Het enkel doen van een bewijsaanbod is niet voldoende.

Het betoog faalt.

5. Niro betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het beginsel van ne bis in idem is geschonden. Daartoe voert zij aan dat in het bij de rechtbank bestreden besluit aan haar een last onder dwangsom is opgelegd terwijl voor hetzelfde feitencomplex bij besluit van 13 juli 2012 aan haar al een bestuurlijke boete was opgelegd.

5.1. Het besluit van 13 juli 2012 is bij besluit van 5 november 2012 ingetrokken. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat het college met het bij de rechtbank bestreden besluit voornoemd beginsel heeft geschonden.

Het betoog faalt.

6. Hetgeen Niro in hoger beroep overigens heeft aangevoerd is louter een herhaling van hetgeen zij reeds in bezwaar en in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank is daar gemotiveerd op ingegaan. Niro heeft geen redenen aangevoerd waarom het oordeel van de rechtbank onjuist moet worden geacht. Het aangevoerde faalt derhalve.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

280-782.