Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201303446/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Willemsoord 2012" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Crisis- en herstelwet
Monumentenwet 1988
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/49
JOM 2014/182
OGR-Updates.nl 2014-0021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303446/1/R1.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting HD2, gevestigd te Den Helder,

2. [appellante sub 2] en andere, alle gevestigd te Den Helder,

en

de raad van de gemeente Den Helder,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Willemsoord 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben HD2 en [appellante sub 2] en andere beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

HD2, [appellante sub 2] en andere en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2013, waar HD2, vertegenwoordigd door [voorzitter] van het bestuur van HD2, [appellante sub 2] en andere, vertegenwoordigd door mr. G. Creutzberg, advocaat te Den Helder, mr. Q.W.J. de Ruijter en R. van der Laan, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud, advocaat te Amsterdam, W. van Overmeeren, projectmanager bij Zeestad, N. Langedijk, werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende A], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de herontwikkeling van Willemsoord tot een onderdeel van het stadshart van Den Helder.

Procedurele aspecten

3. De raad voert aan dat HD2 geen belanghebbende is bij het plan en dat het beroep derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief, actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

3.2. Vast staat dat HD2 de in het plangebied gelegen Medemblikkerloods op het perceel Willemsoord 63 A huurt en dat zij deze loods onder meer gebruikt als werkplaats voor de restauratie van een schip. HD2 keert zich tegen de mogelijkheden die het plan biedt en de gevolgen daarvan voor haar werkzaamheden in de loods. Volgens HD2 zal de loods vanwege de voorziene ontwikkelingen minder goed bereikbaar zijn en zal zij haar werkzaamheden hierdoor niet op dezelfde manier kunnen voortzetten. De Afdeling overweegt dat niet is uitgesloten dat HD2 vanwege het plan dergelijke gevolgen zal ondervinden. Gelet hierop is het belang van HD2 als huurder van de loods rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken en is er om deze reden geen aanleiding het beroep van HD2 niet-ontvankelijk te verklaren.

4. De raad stelt verder dat het beroep van HD2 niet-ontvankelijk is voor zover de beroepsgronden betrekking hebben op de rijksmonumenten binnen het plangebied, de Reinwaterkelder, het betoog dat geen onderzoek naar de behoefte is gedaan en het betoog dat het plan in grote mate afwijkt van het beleidsstuk "Masterplan Oude Rijkswerf Willemsoord", omdat deze betogen volgens de raad eerst in de beroepsfase zijn aangevoerd.

4.1. HD2 heeft in haar zienswijze de aanvaardbaarheid van de in het plan voorziene ontwikkelingen in het algemeen bestreden. Gelet daarop steunt het beroep van HD2, voor zover zij betoogt dat de monumenten onvoldoende beschermd zijn, dat de Reinwaterkelder niet als zodanig is bestemd, dat geen onderzoek naar de behoefte is verricht en dat het plan afwijkt van het beleidsstuk "Masterplan Oude Rijkswerf Willemsoord", op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Derhalve is er ook om deze reden geen aanleiding het beroep van HD2 niet-ontvankelijk te verklaren.

5. De raad voert voorts aan dat de beroepsgronden van HD2 die zijn aangevoerd in het nadere stuk, gelet op artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) buiten beschouwing dienen te worden gelaten omdat dat stuk na afloop van de beroepstermijn is ingediend.

5.1. De Afdeling overweegt, nog daargelaten of de Chw van toepassing is, als volgt. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het ligt op de weg van het bestuursorgaan om duidelijkheid te verschaffen omtrent de wijze waarop rechtsmiddelen tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit kunnen worden aangewend. Indien, zoals in dit geval, in de rechtsmiddelenverwijzing niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, kan een belanghebbende nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor. Derhalve is er geen aanleiding de beroepsgronden in het nadere stuk van HD2 buiten beschouwing te laten.

Relativiteit

6. HD2 betoogt dat het plan voorziet in bouwhoogten die de hoogte van de bestaande gebouwen overstijgen. Volgens HD2 betekent dit een ernstige inbreuk op het culturele erfgoed.

Verder betoogt HD2 dat de rijksmonumenten in het plangebied onvoldoende zijn beschermd, nu ook niet-monumenten de aanduiding "karakteristiek" hebben gekregen. De bekende Reinwaterkelder is ten onrechte niet in de verbeelding opgenomen, zodat bebouwing daar ten onrechte mogelijk wordt gemaakt. Verder is ten onrechte geen historisch onderzoek gedaan naar de cultuurhistorische waarden in het plangebied.

Ook betoogt HD2 dat voor de gronden met de bestemming "Gemengd - uit te werken" ten onrechte is bepaald dat voor maximaal 50% van het te bebouwen oppervlak de bouwhoogte mag worden overschreden met ten hoogste 3 m. Verder is voor deze gronden ten onrechte geen bebouwingspercentage aangegeven. Deze ontwikkelingsmogelijkheden betekenen een ernstige inbreuk op het monumentale karakter van het plangebied, aldus HD2.

6.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

6.2. In artikel 8.69a van de Awb is het relativiteitsbeginsel neergelegd dat voorheen in artikel 1.9 van de Chw was geregeld. Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) kan worden afgeleid dat de wetgever met dit artikel de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

6.3. De bepalingen in de Monumentenwet 1988 en de overige regels die zien op de bescherming van monumenten in de omgeving van de loods waarin HD2 haar werkzaamheden verricht, strekken tot bescherming van het algemeen belang van behoud van cultuurhistorische waarden. Het feitelijke belang van HD2 om als huurder van de Medemblikkerloods haar werkzaamheden ongestoord te kunnen blijven uitoefenen is geen belang dat valt onder het beschermingsbereik van die normen en evenmin een belang dat verweven is met het algemene belang dat die normen beogen te beschermen. Nu de normen uit de Monumentenwet 1988 en de overige regels die zien op de bescherming van monumenten in de omgeving van de Medemblikkerloods kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van HD2, kan HD2 zich op grond van artikel 8:69a van de Awb niet met succes op deze normen beroepen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de in 6 genoemde beroepsgronden buiten beschouwing blijven.

7. Voorts betoogt HD2 dat de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening heeft gehouden met het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Waddenzee".

De bepalingen van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) hebben met name ten doel om het algemene belang van natuur en landschap te beschermen.

Het feitelijk belang van HD2 om als huurder van de Medemblikkerloods haar werkzaamheden ongestoord te kunnen blijven uitoefenen, is geen belang dat valt onder het beschermingsbereik van de normen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen en evenmin een belang dat verweven is met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen. De ingeroepen normen van de Nbw 1998 strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van HD2. Artikel 8:69a van de Awb staat er aan in de weg dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd, zodat deze beroepsgrond buiten beschouwing wordt gelaten.

Het beroep van HD2 voor het overige

8. HD2 betoogt dat binnen de ontwikkelingsgebieden met de bestemming "Gemengd - uit te werken" ten onrechte geen parkeerplaatsen zijn aangegeven. De systematiek dat parkeerplaatsen pas in een later stadium worden aangewezen leidt volgens HD2 tot rechtsonzekerheid.

8.1. Blijkens de verbeelding is aan verschillende percelen binnen het plangebied de bestemming "Gemengd - uit te werken" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd - uit te werken" aangewezen gronden onder meer bestemd voor parkeren.

Ingevolge lid 8.2 werkt het college van burgemeester en wethouders, horende de raadscommissie, het plan uit overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van de volgende regels:

[…]

f. voor parkeren geldt:

1. Er moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals deze zijn vervat in Bijlage 1 Parkeernormen, uitgaand van de kolom 'schil';

[…].

8.2. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die nog moeten worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. De keuze van de locaties voor parkeerplaatsen hangt samen met de invulling die zal worden gegeven aan de ontwikkelingsgebieden in het kader van de uitwerking van het plan. Deze invulling ligt thans nog niet vast. In aanmerking genomen dat in artikel 8, lid 8.2, aanhef en onder f, sub 1, van de planregels is bepaald dat moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals deze zijn vervat in Bijlage 1, Parkeernormen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre uit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar is.

9. HD2 betoogt dat het plan ten onrechte afwijkt van het door de raad in 1998 vastgestelde beleidsstuk "Masterplan Oude Rijkswerf Willemsoord".

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beleidsstuk "Masterplan Oude Rijkswerf Willemsoord" is komen te vervallen met de vaststelling van het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Stadshart" in 2008. Hiervoor is in 2010 het visiedocument "Willemsoord" in de plaats gekomen.

9.2. De Afdeling overweegt dat het beleidsstuk "Masterplan Oude Rijkswerf Willemsoord" niet meer wordt gehanteerd en dat voor Willemsoord nieuw beleid is vastgesteld. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijdigheid met het beleidsstuk "Masterplan Oude Rijkswerf Willemsoord".

Het betoog faalt.

10. HD2 betoogt dat aan de Medemblikkerloods waarin zij haar werkzaamheden verricht ten onrechte niet de aanduiding "industrieterrein - haven Den Helder" is toegekend. Hierdoor zijn haar werkzaamheden ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht, aldus HD2.

10.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel Willemsoord 63 A de bestemming "Gemengd - uit te werken" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels, zijn de voor "Gemengd - uit te werken" aangewezen gronden onder meer bestemd voor bedrijven zoals bedoeld in artikel 12, lid 12.2.1, van de planregels.

Ingevolge artikel 12, lid 12.2.1, onder a, zijn voor zover bedrijven zijn toegestaan, uitsluitend bedrijven toegestaan voor zover deze in de van de regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein vallen in milieucategorie 1, 2 en 3.1 voor zover de bedrijven zijn gevestigd op een afstand van minimaal 30 m van bestaande woningen.

In de Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein wordt scheepsreparatie van houten schepen aangemerkt als bedrijf vallend in milieucategorie 3.1.

10.2. De Afdeling overweegt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de werkzaamheden van HD2 niet als zodanig zijn bestemd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat binnen de toegekende bestemming "Gemengd - uit te werken" bedrijven als bedoeld in artikel 12, lid 12.2.1, van de planregels zijn toegestaan en de reparatie van houten schepen blijkens de Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein onder een in artikel 12, lid 12.2.1, genoemde milieucategorie valt. Derhalve zijn de werkzaamheden die HD2 daarin uitvoert niet onder het overgangsrecht gebracht.

11. HD2 betoogt dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het mogelijk maken van een theater op korte afstand van de loods waarin zij haar restauratiewerkzaamheden verricht.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat tussen de loods van HD2 en het theater een laad- en losruimte is voorzien. Deze ruimte dient tevens als geluidsbuffer.

Voorts stelt de raad dat HD2 haar werkzaamheden gedurende werkuren uitoefent, terwijl de activiteiten van het theater voornamelijk in de avonduren en in het weekend plaatsvinden.

11.2. In hetgeen HD2 heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het mogelijk maken van een theater nabij de loods waarin HD2 haar werkzaamheden verricht aanvaardbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat tussen het theater en de loods een laad- en losruimte is voorzien en dat het gebruik van het theater voornamelijk in de avonduren en het weekend zal plaatsvinden, terwijl HD2 overdag haar werkzaamheden verricht.

12. HD2 heeft haar betoog dat de loods niet meer bereikbaar zal zijn met een dieplader om schepen te kunnen aan- en afvoeren niet onderbouwd. De raad heeft gesteld dat de bereikbaarheid van de loods via de weg is gewaarborgd. Nu aan de gronden aan drie zijden van de loods de bestemming "Verkeer - Verblijf" is toegekend en HD2 niet heeft onderbouwd op welke wijze de bereikbaarheid van haar loods zou worden belemmerd, overweegt de Afdeling dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op standpunt heeft kunnen stellen dat de bereikbaarheid van de loods is gewaarborgd.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep van HD2 ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2] en andere

14. [appellante sub 2] en andere kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover de activiteiten van [belanghebbende B] niet als zodanig zijn bestemd. Ten onrechte is ter plaatse van Dok I, Dok II en de scheepshelling met gebouw 73 reparatie aan metalen schepen langer dan 25 m ingevolge de planregels niet toegestaan, terwijl de raad dit wel heeft beoogd. Artikel 12, lid 12.2.1, van de planregels is in zoverre rechtsonzeker, aldus [appellante sub 2] en andere.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende B] als zodanig zijn bestemd. De raad heeft toegelicht dat reparatie aan metalen schepen langer dan 25 m niet is vermeld in de tabel van de Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein, die als bijlage behorend bij de planregels is gevoegd. Daarom heeft de raad afzonderlijk in artikel 12, lid 12.2.1, onder d, van de planregels, voor scheepsreparatiebedrijven in zijn algemeenheid, dus ook voor metalen schepen langer dan 25 m, geregeld dat dergelijke reparaties zijn toegestaan.

14.2. Blijkens de verbeelding is aan de gronden met Dok I en Dok II en ter plaatse van de scheepshelling met gebouw 73 de aanduiding "industrieterrein - Haven Den Helder" toegekend.

Ingevolge artikel 12, lid 12.2.1, van de planregels zijn voor zover bedrijven zijn toegestaan, uitsluitend bedrijven toegestaan voor zover deze in de van de regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein vallen in:

a. milieucategorie 1, 2 en 3.1 voor zover de bedrijven zijn gevestigd op een afstand van minimaal 30 m van bestaande woningen;

b. milieucategorie 3.2 voor zover de bedrijven zijn gevestigd op een afstand van minimaal 50 m van bestaande woningen;

c. milieucategorie 4.1 voor zover de bedrijven zijn gevestigd op een afstand van minimaal 100 m van bestaande woningen;

d. scheepsreparatiebedrijven, ter plaatse van de gebiedsaanduiding "industrieterrein - Haven Den Helder".

14.3. In artikel 12, lid 12.2.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn scheepsreparatiebedrijven afzonderlijk opgenomen. De Afdeling overweegt dat alhoewel het bepaalde in lid 12.2.1, onder d, van de planregels redactioneel niet aansluit op de aanhef van dat artikel, voldoende duidelijk in de planregeling is opgenomen hetgeen de raad heeft beoogd, te weten het zonder beperkingen toestaan van scheepsreparatiebedrijven. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat reparatie aan schepen langer dan 25 m ter plaatse van de gronden met Dok I en Dok II en de scheepshelling met gebouw 73 is toegestaan. Van een rechtsonzeker plan is in zoverre geen sprake.

15. Voorts vrezen [appellante sub 2] en andere voor een te hoge geluidbelasting op de percelen waar dienstverlening en kantoor binnen de bestemmingen "Gemengd - uit te werken" en "Gemengd" zijn toegestaan, waardoor de werkzaamheden van [appellante sub 2] en andere onaanvaardbaar worden belemmerd. Volgens [appellante sub 2] en andere dient slechts dienstverlening te worden toegestaan voor zover dit geen geluidgevoelige objecten betreft.

Voorts heeft de raad er onvoldoende rekening mee gehouden dat kantoren een zekere bescherming behoeven tegen geluidhinder. Gelet hierop dienen geen zelfstandige kantoren binnen het plangebied te worden toegestaan, maar uitsluitend indien het kantoor een bedrijfsonderdeel is van een op Willemsoord gevestigd bedrijf, aldus [appellante sub 2] en andere.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau in het plangebied. In dit kader verwijst de raad naar de toelichting van het plan.

15.2. Blijkens de verbeelding zijn binnen het plangebied percelen onder meer aangewezen met de bestemmingen "Gemengd" en "Gemengd - uit te werken".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden onder meer bestemd voor:

[…];

c. dienstverlening;

[…].

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, zijn de voor "Gemengd - uit te werken" aangewezen gronden onder meer bestemd voor:

[…];

c. dienstverlening;

[…].

15.3. In de toelichting is ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting op de in het plan mogelijk gemaakte functies onder meer verwezen naar het rapport "Milieu onderzoek m.e.r. Willemsoord: wegverkeerslawaai, cumulatie en luchtkwaliteit", uitgebracht door dGmR op 7 oktober 2009. In dit rapport zijn de resultaten neergelegd van het akoestisch onderzoek naar de berekende geluidbelasting vanwege industrielawaai en wegverkeerslawaai. Voorts is de gecumuleerde geluidbelasting berekend. De berekening heeft geleid tot de vaststelling dat de gecumuleerde geluidbelasting (exclusief aftrek) nergens hoger is dan 57 dB. Er is dus sprake van een alleszins aanvaardbaar gecumuleerd geluidniveau, aldus de toelichting.

15.4. Ter zitting heeft de raad medegedeeld dat voor zover binnen de bestemmingen "Gemengd - uit te werken" en "Gemengd" dienstverlening mogelijk wordt gemaakt, hiermee is beoogd om uitsluitend dienstverlening in niet geluidgevoelige gebouwen mogelijk te maken.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, volgt hieruit dat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 5, lid 5.1, onder c, en artikel 8, lid 8.1, onder c, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

15.5. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van deze planonderdelen in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Bij de beslissing om zelf in de zaak te voorzien betrekt de Afdeling dat de raad en [appellante sub 2] en andere ter zitting hebben medegedeeld dat zij ermee instemmen dat in de desbetreffende planregels wordt opgenomen dat binnen de bestemmingen "Gemengd - uit te werken" en "Gemengd" uitsluitend dienstverlening in niet geluidgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder, wordt toegestaan.

15.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 7 juli 2010, in zaak nr. 200907545/1/R1) is van belang dat een kantoor in de Wet geluidhinder weliswaar niet is aangemerkt als geluidgevoelig object, maar dienen bedrijfsruimten waar gedurende een langere periode van de dag personen verblijven die een zekere bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder behoeven, wel als geluidgevoelig te worden aangemerkt, zij het dat die ruimten niet dezelfde bescherming behoeven te krijgen als in het geval van een woning of een andere geluidgevoelige bestemming.

De raad heeft gesteld dat een aanvaardbaar geluidniveau in het plangebied zal bestaan, waarbij de raad heeft verwezen naar het rapport van 7 oktober 2009. Volgens dit rapport heeft de raad onder meer een onderzoek naar de cumulatieve geluidbelasting laten uitvoeren. In hetgeen [appellante sub 2] en andere tegen dit rapport hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de beoordeling van de gevolgen van het plan niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden daarvan.

Uit voornoemd rapport volgt dat de gecumuleerde geluidbelasting binnen het plangebied ten hoogste 57 dB bedraagt. In hetgeen [appellante sub 2] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uit een oogpunt van geluidbelasting geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de uitoefening van de werkzaamheden van [appellante sub 2] en andere.

Voorts overweegt de Afdeling dat een onderscheid tussen zelfstandige kantoren en kantoren als bedrijfsonderdeel van een op Willemsoord gevestigd bedrijf gelet op voornoemde jurisprudentie niet relevant is ten aanzien van de geluidbelasting. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aanvaardbaar is om niet alleen kantoren als bedrijfsonderdeel van een op Willemsoord gevestigd bedrijf toe te staan.

Het betoog faalt.

16. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2] en andere voor het overige ongegrond.

17. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

18. Ten aanzien van [appellante sub 2] en andere dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van HD2 bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] en andere gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Den Helder van 11 februari 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Willemsoord 2012", voor zover het betreft artikel 5, lid 5.1, onder c, en artikel 8, lid 8.1, onder c, van de planregels;

III. bepaalt dat:

A. artikel 5, lid 5.1, onder c, van de planregels als volgt luidt:

c. dienstverlening in niet geluidgevoelige gebouwen;

B. artikel 8, lid 8.1, onder c, van de planregels als volgt luidt:

c. dienstverlening in niet geluidgevoelige gebouwen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd;

V. draagt de raad van de gemeente Den Helder op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde bestemmingsplan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart het beroep van de stichting Stichting HD2 geheel en het beroep van [appellante sub 2] en andere voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Den Helder tot vergoeding van bij [appellante sub 2] en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Den Helder aan [appellante sub 2] en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Zwemstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

91-763.