Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201306937/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306937/2/R6.

Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Zoetermeer,

2. [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Zoetermeer,

en

de raad van de gemeente Zoetermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2], de raad en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], de raad, [belanghebbende A] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pipeline Control B.V. hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met zaak nr. 201306940/1/R6 behandeld op 20 december 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G.J. Hingstman, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. E. Kronemeijer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Baukema-Vos en drs. M.C.H.W. van Aubel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en Pipeline Control, vertegenwoordigd door mr. E. Lems, advocaat te Rotterdam, en J. Limbeek als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 24 januari 2014, in zaak nr. 201306937/1/R6, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 10 juni 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 maart 2014 heeft de raad ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak het bestemmingsplan "Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zienswijzen naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 10 juni 2013

1. De Afdeling heeft in 4.5 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad te kennen heeft gegeven dat op de verbeelding niet de feitelijke ligging van de buisleiding is weergegeven, aangezien deze over een lengte van ongeveer 140 meter maximaal 5 meter meer naar het oosten ligt dan op de verbeelding staat aangegeven, alsmede dat op de verbeelding de belemmeringenstrook, anders dan hij heeft beoogd, een breedte heeft van 4 in plaats van 5 meter aan weerszijden van het hart van de buisleiding. Op grond hiervan heeft de Afdeling geoordeeld dat, nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt heeft gesteld dan in het bestreden besluit, zonder dat gewijzigde feiten of omstandigheden daar aanleiding toe geven, het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2. Gelet hierop zijn de beroepen, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 10 juni 2013, gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd, wat het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding - CO2" betreft.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overweging 4.5 het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling in dier voege dat op de verbeelding de feitelijke ligging van de buisleiding wordt weergegeven, alsmede dat op de verbeelding aan de belemmeringenstrook een breedte van 5 meter aan weerszijden van het hart van de buisleiding wordt toegekend.

Het besluit van 10 maart 2014

4. Bij besluit van 10 maart 2014 heeft de raad, naar aanleiding van de tussenuitspraak, het bestemmingsplan "Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld en daarmee het besluit van 10 juni 2013 vervangen.

5. Het besluit strekt ertoe op de verbeelding de ligging van de CO2-leiding inclusief belemmeringenstrook te corrigeren.

6. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb hebben de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] van rechtswege mede betrekking op het besluit van 10 maart 2014 tot vervanging van het besluit van 10 juni 2013.

7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren in hun zienswijzen aan dat ook bij de gewijzigde vaststelling van de belemmeringenstrook ten onrechte geen gebruik is gemaakt van gevalideerde modellen om de berekeningen en de conclusies uit het plan te toetsen. Daarbij wijzen zij erop dat het RIVM in zijn brief van 20 augustus 2007 heeft aangegeven dat het door TNO geschetste scenario van "een impulsloze uitstroming zonder daarbij rekening te houden met luchtinmenging" niet realistisch is, waarop TNO in haar rapport van 2008 heeft aangegeven dat de door het RIVM aangehouden benadering niet zonder aanvullend validerend onderzoek te verantwoorden is. Er is volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voldoende ruimte geweest om dergelijke onderzoeken uit te voeren. De gedane onderzoeken zijn volgens hen niet actueel genoeg om te gebruiken bij de gewijzigde vaststelling van het plan.

7.1. In 4.7 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling als volgt overwogen:

"In haar deskundigenverslag concludeert de StAB dat de onderzoeken van TNO en het RIVM met name verschillen in de modellering van het vrijkomen van CO2 bij leidingbreuk en niet ten aanzien van de dispersieberekeningen en de toxiciteit van CO2. Het RIVM heeft ten aanzien van het vrijkomen van CO2 gebruik gemaakt van het ‘lange buis’ model PIPESAFE van de Gasunie. In haar deskundigenverslag merkt de StAB op dat, hoewel dit model niet vrij beschikbaar is, inmiddels het hierop gebaseerde openbare programma CAROLA deel uitmaakt van de Rekenmethodiek buisleidingen van de Handleiding risicoberekeningen Bevb, en is gebaseerd op de meest recente milieutechnische inzichten terzake.

De StAB concludeert voorts dat zowel het RIVM als TNO in haar rapport van 2008 verticale uitstroming bij leidingbreuk als meest realistische scenario zien, en dat niet realistische alternatieve scenario’s in het algemeen niet als onderdeel van de risicoanalyse worden gezien.

Verder concludeert de StAB dat de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemde risicovolle scenario’s in verband met onder meer de staat van onderhoud, een lekkende leiding of onvoldoende gronddekking, niet van invloed zijn op het berekende risico.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet door middel van een tegenrapport of anderszins aannemelijk gemaakt dat het door het RIVM gehanteerde model niet berust op de meest recente milieutechnische inzichten, dat aanleiding bestond om in dit geval een alternatief scenario in de risicoanalyse te betrekken alsmede dat de door hen genoemde risicovolle scenario’s van invloed zijn op het berekende risico. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van het onderzoek van het RIVM heeft mogen uitgaan."

7.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in zoverre tegen het besluit van 10 maart 2014 hebben aangevoerd geen aanleiding thans anders te oordelen dan zij in de tussenuitspraak ten aanzien van het besluit van 10 juni 2013 heeft geoordeeld. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ook in het kader van het besluit van 10 maart 2014 niet door middel van een tegenrapport of anderszins aannemelijk hebben gemaakt dat het door het RIVM gehanteerde model niet berust op de meest recente milieutechnische inzichten.

8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren voorts aan dat de maatregelen, strekkende tot het bestrijden van de gevolgen van calamiteiten, zoals genoemd in het advies van de toenmalige Hulpverleningsregio Haaglanden (thans: Veiligheidsregio Haaglanden) van 19 januari 2007, volgens een brief van Veiligheidsregio Haaglanden van 18 juni 2012 nog actueel zijn, terwijl de raad op de zitting van 20 december 2013 heeft gesteld dat alle punten uit dat advies zouden zijn opgelost.

8.1. In 4.9 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling als volgt overwogen:

"Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat calamiteiten niet adequaat kunnen worden bestreden doordat lekken niet tijdig worden opgemerkt, doordat verbrandingsmotoren van de voertuigen van hulpdiensten uitvallen door CO2, alsmede doordat in de wijk een autoluw beleid wordt gevoerd, overweegt de Afdeling dat, zoals de StAB in haar deskundigenverslag onder verwijzing naar de rapporten van TNO en het onderzoek van het RIVM concludeert, geen sprake is van een groepsrisico als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Bevb, aangezien het plan niet leidt tot overschrijding van het daar genoemde aantal van tien personen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met de bepalingen van het Bevb inzake het groepsrisico, waarbij hij aansluiting heeft gezocht, onvoldoende rekening heeft gehouden. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze aspecten niet voldoende in zijn beoordeling heeft betrokken."

8.2. De Afdeling ziet ook in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in zoverre tegen het besluit van 10 maart 2014 hebben aangevoerd geen aanleiding thans anders te oordelen dan zij in de tussenuitspraak ten aanzien van het besluit van 10 juni 2013 heeft geoordeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in zoverre hebben gesteld geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de bevinding van de StAB dat geen sprake is van een groepsrisico als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Evenmin geeft het gestelde aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop deze aspecten blijkens het deskundigenrapport voor het overige door de raad in zijn besluitvorming zijn betrokken, onvoldoende zou moeten worden geacht.

9. Ten aanzien van de beroepsgronden die [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd tegen het besluit van 10 juni 2013, welke worden geacht mede te zijn gericht tegen het vervangende besluit van 10 maart 2014, ziet de Afdeling geen aanleiding anders te oordelen in het kader van de toetsing van het besluit van 10 maart 2014, voor zover het plan daarbij ongewijzigd is vervangen, dan in het kader van de toetsing van het besluit van 10 juni 2013, die in de tussenuitspraak heeft plaatsgevonden.

10. De beroepen, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 10 maart 2014, zijn ongegrond.

Proceskosten

11. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Zoetermeer van 10 juni 2013, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zoetermeer van 10 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord", voor zover het betreft het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding - CO2";

III. verklaart de beroepen, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Zoetermeer van 10 maart 2014, ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Zoetermeer tot vergoeding van bij [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Zoetermeer tot vergoeding van bij [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.471,54 (zegge: veertienhonderdeenenzeventig euro en vierenvijftig cent), waarvan € 1.461,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Zoetermeer aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

271.