Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2279

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201206261/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college aan de gemeenteraad van Boxtel een aanwijzing gegeven ertoe strekkende dat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijven toegestaan" binnen het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op het perceel [locatie 1] en de zinsnede "met uitzondering ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijven toegestaan", waar maximaal twee agrarische bedrijven zijn toegestaan" in artikel 4, lid 4.1, onder a, sub 1, van de planregels, geen deel blijven uitmaken van het bij besluit van 10 april 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2011".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206261/1/R3.

Datum uitspraak: 20 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kwekerij [appellante], gevestigd te Boxtel,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college aan de gemeenteraad van Boxtel een aanwijzing gegeven ertoe strekkende dat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijven toegestaan" binnen het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op het perceel [locatie 1] en de zinsnede "met uitzondering ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijven toegestaan", waar maximaal twee agrarische bedrijven zijn toegestaan" in artikel 4, lid 4.1, onder a, sub 1, van de planregels, geen deel blijven uitmaken van het bij besluit van 10 april 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2011".

Tegen dit besluit heeft Kwekerij [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Kwekerij [appellante] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Kwekerij [appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2013, waar Kwekerij [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van der Aa, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J.M. Danen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn de raad van de gemeente Boxtel, vertegenwoordigd door mr. C.J.A.M. van der Meijden, werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende], gehoord.

Overwegingen

1. Het college heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college om van deze bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Kwekerij [appellante] kan zich niet verenigen met de reactieve aanwijzing, omdat deze het gebruik van haar deel van het bouwblok op het perceel [locatie 1] belemmert. Zij betoogt dat geen sprake is van de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf, nu geen nieuw bouwblok in het plan is opgenomen, maar binnen het bestaande bouwblok twee agrarische bedrijven zijn toegestaan overeenkomstig de feitelijke situatie ter plaatse. Volgens haar stelt het college dan ook ten onrechte dat voornoemde aanduiding in strijd is met de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening). Kwekerij [appellante] betoogt voorts dat de reactieve aanwijzing voorbarig is gegeven, omdat het door het college gestelde afdwingbare bestemmingsvlak afhankelijk is van de procedure die hiervoor dient te worden gevolgd.

2.1. Het college stelt dat door het toestaan van een tweede agrarisch bedrijf in het bouwblok feitelijk sprake is van nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf en het plan daarmee in strijd is met artikel 6.4, eerste lid, onder a, en artikel 9.3, eerste lid, onder a, van de Verordening. Het college wijst op de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009 in zaak nr. 200705084/1.

2.2. Het perceel [locatie 1] heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" en de functieaanduidingen "intensieve veehouderij" en "specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijven toegestaan". Het perceel [locatie 1] is blijkens de kaart "Natuur en Landschap" behorende bij de Verordening aangewezen als "Groenblauwe mantel". Voorts ligt voornoemd perceel blijkens de kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" behorende bij de Verordening in een gebied dat is aangewezen als verwevingsgebied.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, sub 1 en 2, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor: de uitoefening van het agrarische bedrijf, met dien verstande dat:

a. per bestemmingsvlak ten hoogste één agrarisch bedrijf is toegestaan, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijven toegestaan", waar maximaal twee agrarische bedrijven zijn toegestaan;

b. intensieve veehouderijbedrijven uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 1, lid 1.8, wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 59, van de Verordening wordt in de verordening onder nieuwvestiging verstaan: projectie van een al dan niet gekoppeld agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een zelfstandig bouwblok.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 19, wordt in de verordening onder bouwblok verstaan: aaneengesloten terrein, waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd.

Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, onder a, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, onder a, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij niet is toegestaan.

2.3. Het deskundigenbericht vermeldt dat op het perceel [locatie 1] een intensieve veehouderij in de vorm van een varkensmesterij is gevestigd en voorts bedrijfsonderdelen, zoals containervelden en een waterbassin, ten behoeve van het sierteeltbedrijf van Kwekerij [appellante] aanwezig zijn. De kwekerij is gevestigd op het naastgelegen perceel [locatie 2].

2.4. Het perceel [locatie 1] had in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding "intensieve veehouderij toegestaan". Op gronden met deze bestemming kan een agrarisch bedrijf worden geëxploiteerd met dien verstande dat per bestemmingsvlak ten hoogste één agrarisch bedrijf is toegestaan en intensieve veehouderijen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij toegestaan" zijn toegestaan.

In voornoemde uitspraak van 4 maart 2009 heeft de Afdeling het besluit van het college om goedkeuring te onthouden aan het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" voor zover dit voorzag in de splitsing van het agrarisch bouwblok op het perceel [locatie 1], in stand gelaten, nu het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt had gesteld dat met splitsing van het bouwvlak sprake is van nieuwvestiging hetgeen in strijd is met het Streekplan 2002.

De functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijven toegestaan" is in het plan opgenomen naar aanleiding van de zienswijze van Kwekerij [appellante]. De raad heeft hieraan ten grondslag gelegd dat Kwekerij [appellante] niet heeft verzocht om splitsing van het bestemmingsvlak en daarmee geen sprake is van een uitbreiding van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ter plaatse, maar slechts van het volledig benutten van de mogelijkheden binnen het bestemmingsvlak.

2.5. Vast staat dat het in het plan geprojecteerde bouwblok voor het perceel [locatie 1] gelijk is aan het bouwblok in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006", maar het plan in tegenstelling tot het vorige bestemmingsplan de mogelijkheid biedt voor het vestigen van twee agrarische bedrijven binnen dit bouwblok. Daarmee voorziet het plan in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling op het perceel [locatie 1], omdat het vorige bestemmingsplan het gebruik van het bouwblok ten behoeve van twee agrarische bedrijven niet toestond.

Het college heeft in verweer en ter zitting toegelicht dat als uitgangspunt van het provinciale beleid wordt gehanteerd dat één agrarisch bedrijf per bouwblok kan worden gevestigd. Dit neemt echter naar het oordeel van de Afdeling niet weg dat het plan juridisch-planologisch niet voorziet in nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1.1, onder 59, van de Verordening, nu geen sprake is van de projectie van een al dan niet gekoppeld agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een zelfstandig bouwblok ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Het plan voorziet daarmee juridisch-planologisch niet in de uitbreiding van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ter plaatse van het perceel [locatie 1]. Gelet hierop heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijven toegestaan" binnen het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op het perceel [locatie 1] en de zinsnede "met uitzondering ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijven toegestaan", waar maximaal twee agrarische bedrijven zijn toegestaan" in artikel 4, lid 4.1, onder a, sub 1, van de planregels, in strijd zijn met artikel 6.4, eerste lid, onder a, dan wel artikel 9.3, eerste lid, onder a, van de Verordening.

3. Gelet op het voorgaande is het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro. Het beroep van Kwekerij [appellante] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

4. Het college dient op na te melden wijze te worden veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 15 mei 2012;

III. draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kwekerij [appellante] in verband met de behandeling van haar beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.257,42 (zegge: twaalfhonderdzevenenvijftig euro en tweeënveertig cent), waarvan een bedrag van € 1217,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vergoedt;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kwekerij [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro).

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Verhoeven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2014

690.