Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2273

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
201206258/1/R3
Formele relaties
Herziening: ECLI:NL:RVS:2015:2830, Afwijzing
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/140 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2014/141 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206258/1/R3.

Datum uitspraak: 20 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Boxtel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BPG Boxtel [appellant sub 2] Bouwmaterialen B.V., gevestigd te Boxtel,

3. [appellant sub 3], wonend te Oostwold, gemeente Oldambt,

4. [appellant sub 4], wonend te Liempde, gemeente Boxtel,

5. [appellant sub 5], wonend te Liempde, gemeente Boxtel,

6. [appellant sub 6], wonend te Liempde,

gemeente Boxtel,

7. [appellant sub 7], handelend onder de naam [appellant sub 7], wonend te Sint-Oedenrode,

8. [appellant sub 8], wonend te Liempde, gemeente Boxtel,

9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), beiden wonend te Liempde, gemeente Boxtel,

10. [appellant sub 10] en anderen, handelend onder de naam buurtschap Langenberg en Schijndelsedijk, allen wonend te Gemonde, gemeente Boxtel,

11. [appellant sub 11], wonend te Boxtel,

12. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 12]), beiden wonend te Sint-Oedenrode,

13. [appellant sub 13], wonend te Boxtel,

14. [appellant sub 14] (hierna: [appellant sub 14]), wonend te Boxtel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Boxtel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13] en [appellant sub 14] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 11] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 en 15 november 2013, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen.

Bij besluit van 26 november 2013 heeft de raad met de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Ontwikkelplan 2013" (hierna: het ontwikkelplan), het besluit van 10 april 2012 gedeeltelijk gewijzigd.

[appellant sub 3], [appellant sub 7] en [appellant sub 11] zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over het besluit van 26 november 2013 naar voren te brengen. [appellant sub 7] en [appellant sub 11] hebben daarvan gebruik gemaakt.

[appellant sub 3], [appellant sub 7], [appellant sub 11] en de raad hebben toestemming als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verleend, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan biedt een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van Boxtel en is conserverend van aard. Het betreft een integrale herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" naar aanleiding van het besluit omtrent goedkeuring van 19 juni 2007 van het college van gedeputeerde staten en de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009 in zaak nr. 200705084/1 ten aanzien van voornoemd bestemmingsplan.

Buitenopslag

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover het eraan in de weg staat dat goederen buiten kunnen worden opgeslagen bij hun bedrijven op het perceel [locatie 1] onderscheidenlijk het perceel [locatie 2]. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat de reeds jarenlange bestaande buitenopslag voor zijn metaalhandel noodzakelijk is en van een zodanige omvang dat opslag in een loods niet mogelijk is. [appellant sub 2] voert hiertoe aan de reeds jarenlang bestaande buitenopslag voor zijn bouwmaterialenhandel noodzakelijk is en door het aanwezige groen zoveel mogelijk aan het zicht wordt onttrokken.

De in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid is volgens [appellant sub 1] te beperkend en bovendien had de raad op basis van de door hem aangeleverde gegevens moeten beoordelen of voldaan wordt aan de randvoorwaarden voor het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid. Volgens [appellant sub 2] is het aannemelijk dat ter plaatse wordt voldaan aan de randvoorwoorden ten behoeve van het toepassen van de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid en had de raad een inhoudelijk besluit moeten nemen op zijn verzoek. Zij wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012 in zaak nr. 201103930/1/R3.

3.1. De raad stelt dat gelet op de kernkwaliteiten van het buitengebied van Boxtel, gelegen midden in het Nationaal Landschap ‘Het Groene Woud’, het niet wenselijk is buitenopslag rechtstreeks toe te staan, maar dat per situatie een afweging dient te worden gemaakt of aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan. De op de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaande buitenopslag valt volgens de raad onder het overgangsrecht.

3.2. Het perceel [locatie 1] heeft, voor zover van belang, de bestemmingen "Bedrijf" en "Bos". Het perceel [locatie 2] heeft voor zover hier van belang de bestemming "Bedrijf".

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder x, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden op het adres [locatie 1] bestemd voor de volgende activiteiten: handelsonderneming in geregelde en ongeregelde goederen, opslag en overslag, verkoop aan particulieren en bedrijven en technisch onderhoud.

Ingevolge lid 8.1, aanhef en onder o, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden op het adres [locatie 2] bestemd voor de volgende activiteiten: een groothandel in bouwmaterialen/hout met detailhandel in bouwmaterialen.

Ingevolge lid 8.5, onder 8.5.1, aanhef en sub a, wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend het gebruik van gronden ten behoeve van buitenopslag.

Ingevolge lid 8.6, onder 8.6.3, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 8.5.1, onder a, uitsluitend voor buitenopslag, onder de voorwaarden dat:

a. de buitenopslag noodzakelijk is uit een oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering in relatie tot de continuïteit van het bedrijf;

b. er uitsluitend opslag plaatsvindt ten behoeve van de bedrijfsvoering;

c. de buitenopslag landschappelijk wordt ingepast en zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor bos, bosbouw, bebossing, landschapselementen en groenvoorzieningen.

Ingevolge artikel 57, lid 57.2, onder 57.2.1, voor zover hier van belang, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

3.3. [appellant sub 1] exploiteert zijn bedrijf op het perceel [locatie 1] sinds 1987 en handelt in restpartijen uit de industrie. De buitenopslag omvat onder meer de opslag van buizen, pijpen, ongesorteerde goederen en omvangrijke goederen. Het deskundigenbericht vermeldt dat deze buitenopslag gezien de omvang hiervan noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] en dat landschappelijke inpassing hiervan reeds aanwezig is, welke verankerd zit in het plan door de bestemming "Bos".

[appellant sub 2] exploiteert ter plaatse een handel in hout en bouwmaterialen vanaf 2004. Het bedrijf is reeds sinds de jaren zeventig op het perceel [locatie 2] gevestigd. De buitenopslag omvat de opslag van stenen, betonnen lateien, zand/grind en hout. Het deskundigenbericht vermeldt dat deze materialen gelet op de omvang hiervan overdekt kunnen worden opgeslagen, maar het plan hiertoe onvoldoende bouwmogelijkheden biedt zodat buitenopslag thans noodzakelijk is. Voorts zijn ter plaatse groenvoorzieningen aanwezig.

3.4. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" hadden de percelen [locatie 1] en [locatie 2] grotendeels de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduiding "huidige bedrijfsactiviteit toegestaan (hba)". In de bijbehorende planvoorschriften was ten aanzien van het perceel Renbaan 1 bepaald dat de gronden met voornoemde bestemming en aanduiding waren bestemd voor een handelsonderneming in geregelde en ongeregelde goederen, opslag en overslag, verkoop aan particulieren en bedrijven en technisch onderhoud. Ten aanzien van het perceel [locatie 2] was bepaald dat de gronden met voornoemde bestemming en aanduiding waren bestemd voor een groothandel in bouwmaterialen/hout met detailhandel in bouwmaterialen.

In de planvoorschriften bij het vorige bestemmingsplan is geen expliciete bepaling ten aanzien van de aard en omvang van buitenopslag opgenomen noch is buitenopslag aangemerkt als strijdig gebruik.

3.5. Gezien het voorgaande staat vast dat de buitenopslag op de percelen [locatie 1] en [locatie 2], in tegenstelling tot het vorige bestemmingsplan, op grond van de bestemming "Bedrijf" is aangemerkt als strijdig gebruik en onder het gebruiksovergangsrecht van artikel 57, lid 57.2, onder 57.2.1, van de planregels is gebracht. Derhalve is het bestaande legale gebruik van de gronden behorende bij [locatie 1] en [locatie 2] niet meer als zodanig toegestaan.

De Afdeling overweegt dat bestaand legaal gebruik in het algemeen dient te worden toegestaan door middel van een planregeling die dat gebruik toelaat. Dit uitgangspunt kan slechts uitzondering vinden als het toestaan van bestaand legaal gebruik op basis van gewijzigde planologische inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de nieuwe regeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat de beoogde regeling binnen de planperiode uitvoerbaar is.

Niet is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is de buitenopslag op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te doen beëindigen. Evenmin is gebleken dat de belangen die zijn gediend bij het niet als zodanig toestaan van de buitenopslag zijn afgewogen tegen de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij dit gebruik. Met de algemene stelling dat het gelet op de kernkwaliteiten van het buitengebied van Boxtel niet wenselijk is om buitenopslag rechtstreeks toe te staan, gaat de raad ten onrechte voorbij aan bestaande legale gevallen waarbij maatwerk op perceelsniveau moet en kan worden geleverd. Voor zover de raad verwijst naar de afwijkingsbevoegdheid op grond waarvan onder voorwaarden buitenopslag alsnog als zodanig kan worden toegestaan, had het bij bestaande en legale gevallen, zoals op de percelen [locatie 1] en [locatie 2], in de rede gelegen reeds bij de vaststelling van dit plan te bezien of de buitenopslag direct als zodanig kan worden toegestaan. Een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is in die gevallen geen passende regeling (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012 in zaak nr. 201103930/1/R3). Het voorgaande klemt temeer daar [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hun zienswijze hebben verzocht de buitenopslag behorende bij hun bedrijfsvoering ter plaatse toe te staan en de raad derhalve ten tijde van de vaststelling van het plan op de hoogte was van de bestaande buitenopslag op de percelen [locatie 1] en [locatie 2].

3.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 1] en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 2].

Het beroep van [appellant sub 9]

Perceel [locatie 3]

4. [appellant sub 9] betoogt dat het in het plan opgenomen agrarisch bouwblok voor zijn perceel [locatie 3] te strak om de bestaande bebouwing is geprojecteerd en dat het plan hierdoor geen reële uitbreidingsmogelijkheden biedt voor zijn bedrijf dat zich heeft toegelegd op de verbrede landbouw. Volgens hem verwijst de raad hierbij ten onrechte naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009, nu daarmee geen rekening is gehouden met de ontwikkelingen sindsdien in de agrarische sector. [appellant sub 9] betoogt voorts dat geen inventarisatie aan de in het plan opgenomen agrarische bouwblokken ten grondslag ligt.

4.1. De raad stelt op basis van de omvang van het bedrijf van [appellant sub 9] het bouwblok begrensd te hebben aan de hand van de grenzen van de huidige bebouwing ter plaatse. Volgens de raad is dit in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009. De raad stelt voorts dat aan de hand van een concreet uitbreidingsplan kan worden gekeken naar de mogelijkheden tot verruiming van het bouwblok.

4.2. Het perceel [locatie 3] heeft gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2, aanhef en onder a, mogen op de voor "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met dien verstande dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegestaan.

Ingevolge lid 7.6, onder 7.6.3, aanhef, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap" onder voorwaarden wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" voor de uitbreiding van het agrarisch bedrijf.

4.3. [appellant sub 9] exploiteert aan de [locatie 3] een schapenhouderij welke een veestapel van ongeveer 100 fokschapen omvat.

Het deskundigenbericht vermeldt dat als gevolg van de enge begrenzing van het bouwblok de uitbreidingsmogelijkheden bij recht beperkt zijn. Volgens het deskundigenbericht kan de door [appellant sub 9] gewenste uitbreiding van zijn bedrijf worden gerealiseerd met de toepassing van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

4.4. In voornoemde uitspraak van 4 maart 2009 stond eveneens de vraag centraal of het toegekende bouwblok voor het perceel [locatie 3] te eng was begrensd. De Afdeling heeft ten aanzien hiervan het volgende overwogen: "Volgens het gemeentelijke beleid worden bedrijven met een omvang tussen 10 en 30 Nge niet aangemerkt als volwaardige bedrijven maar als nevenberoepsbedrijven en worden deze aan de hand van de grenzen van de huidige bebouwing voorzien van een eng begrensd agrarisch bouwvlak. In hetgeen [appellant sub 9]-van Hal heeft gesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding dit beleid onredelijk te achten. De Afdeling stelt vast dat met het in het plan opgenomen bouwvlak gekoppeld aan een bouwvlak ter plaatse van de schuilstal zoals dat de raad en het college inmiddels voor ogen staat voor het bedrijf van [appellant sub 9]-van Hal aan het voornoemde beleid wordt voldaan. Het beroep van [appellant sub 9]-van Hal geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet aan het voornoemde beleid heeft kunnen vasthouden. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat [appellant sub 9]-van Hal geen concrete uitbreidingsplannen heeft".

4.5. In de plantoelichting staat het volgende over de toekenning van agrarische bouwblokken. Bij de vraag omtrent toekenning van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (hierna ook wel kortweg bouwblokken genoemd) hanteerde de Gemeente Boxtel in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" de volgende indeling:

- 0-9 Nge: burgerwoning;

- 9-30 Nge: eng begrensd agrarisch bouwblok; aan de hand van de grenzen van de huidige bebouwing.

>30 Nge : volwaardig agrarisch bouwblok.

Het vertrekpunt bij het toekennen van de bouwblokken in het onderhavige plan is het respecteren van in (actuele) bestemmingsplannen toegekende bouwrechten. Voor Boxtel geldt dat de bouwrechten uit het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2006" (dat gebaseerd is op het Streekplan en het reconstructieplan) worden gerespecteerd inclusief de in deze planperiode verkregen rechten (zoals bouwblokwijzigingen en bouwvergunningen). Concreet betekent dit dat de bestaande rechten uit het vigerende plan zullen worden gehandhaafd, met inachtneming van het concentratiebeginsel. Hiertoe zijn bepalingen opgenomen in de planregels. Wijzigingsbevoegdheden en afwijkingsbepalingen worden uitdrukkelijk niet als onderdeel van de bestaande rechten beschouwd, aldus de plantoelichting.

4.6. Gezien het voorgaande heeft de raad, in aansluiting op het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006, als uitgangspunt voor de omvang van het agrarisch bouwblok, het aantal Nge’s van het agrarisch bedrijf van [appellant sub 9] gehanteerd. In navolging van de uitspraak van 4 maart 2009 ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 9] thans heeft aangevoerd geen aanleiding dit uitgangspunt onredelijk te achten. De Afdeling overweegt hiertoe dat [appellant sub 9] met de door hem gestelde omstandigheid dat het Landbouw Economisch Instituut geen Nge’s meer hanteert, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de raad niet in redelijkheid het aantal Nge’s van een agrarisch bedrijf heeft kunnen betrekken bij het bepalen van de omvang van het agrarisch bouwblok.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat op basis van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" en de hem bekende omgevingsvergunningen en andere ontwikkelingen een inventarisatie van de in het plan op te nemen agrarische bouwblokken is gemaakt. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 9] dat geen inventarisatie aan de in het plan opgenomen agrarische bouwblokken ten grondslag ligt.

Uit de bij de raad bekende gegevens van het agrarisch bedrijf van [appellant sub 9] werd op maximaal 27 Nge uitgekomen, waarvan 17 Nge voor de schapenhouderij en 10 Nge vanwege de toepassing van verbrede landbouw, en de raad heeft derhalve een eng begrensd agrarisch bouwblok voor het perceel [locatie 3] vastgesteld. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op voornoemde gegevens heeft kunnen baseren. De Afdeling neemt voorts in aanmerking dat niet is gebleken van concrete uitbreidingsplannen van [appellant sub 9] waarmee de raad ten tijde van de vaststelling van het plan rekening diende te houden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het in het plan opgenomen agrarische bouwblok voor het perceel [locatie 3].

Het betoog faalt.

Perceel [locatie 4]

5. [appellant sub 9] betoogt dat ten onrechte en in afwijking van het ontwerpplan de functieaanduiding "bedrijf aan huis" is toegekend voor het perceel [locatie 4]. Volgens hem doet dit geen recht aan de handhavingsprocedure die terzake heeft plaatsgevonden en aan de actuele situatie ter plaatse, nu de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt en het perceel te koop staat. Voorts is nieuwvestiging van een bedrijf in het buitengebied volgens hem in strijd met provinciaal en gemeentelijk beleid. [appellant sub 9] stelt dat zijn belangen ten onrechte niet zijn meegewogen bij de toekenning van voornoemde functieaanduiding.

5.1. De raad stelt dat om verdere uitbreiding van de activiteiten op voornoemd perceel te voorkomen, de functie en omvang van de bestaande activiteiten ter plaatse als zodanig zijn bestemd.

5.2. Het perceel [locatie 4] heeft de bestemming "Wonen" met de functieaanduiding "bedrijf aan huis".

Ingevolge artikel 27, lid 27.1, onder d, sub 12, van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijf aan huis" op het adres [locatie 4] de volgende nevenactiviteiten toegestaan: handel in bouwstoffen zoals deze bestond op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan tot een inpandige oppervlakte van 144 m2 met daarbij behorende buitenopslag tot een omvang van 350 m2 waarbij deze buitenopslag uitsluitend is toegestaan op het als zodanig in gebruik zijnde gedeelte van het perceel tussen de woning en de bedrijfsruimte.

5.3. Naar aanleiding van een zienswijze heeft de raad het plan ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld in die zin dat de functieaanduiding "bedrijf aan huis" is toegekend aan het perceel [locatie 4].

In de plantoelichting staat dat aan huis gebonden beroepen en bedrijven beperkt zijn toegestaan tot 50 m2 mits dit niet tot overlast van de omgeving leidt (hierbij wordt met name gelet op de verkeersaantrekkende werking). Wanneer de activiteit een grotere omvang heeft, is deze op de plankaart aangeduid met "bedrijf aan huis" en in het geval van een agrarisch bedrijf als hoofdactiviteit: "bedrijf". In de regels is vervolgens de aard van de nevenactiviteit, en de oppervlakte die hiervoor mag worden gebruikt, vastgelegd. Bij het beoordelen van de inpassingsmogelijkheden dient de ruimtelijke impact het leidend principe te zijn, en dan in het bijzonder de verkeersaantrekkende werking, aldus de plantoelichting.

5.4. Het deskundigenbericht vermeldt dat voor [appellant sub 9] geluidoverlast kan ontstaan, omdat activiteiten als het laden en lossen van stenen onderdeel zijn van de bedrijfsvoering ter plaatse.

Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling niet uitgesloten dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 9] geluidoverlast als gevolg van de in het plan mogelijk gemaakte handel in bouwstoffen op het perceel [locatie 4], met name gezien de toegestane buitenopslag tot een omvang van 350 m², kan optreden. Evenwel blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de raad in het kader van de vaststelling van het plan geen onderzoek heeft laten uitvoeren naar de aard en omvang van de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 9].

Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt of als gevolg van het plan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 9] kan worden gewaarborgd en derhalve hoe de belangen van [appellant sub 9] zijn meegewogen bij de vaststelling van het plan. Het standpunt van de raad dat hij het onwenselijk acht de bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 4] opnieuw onder het overgangsrecht te brengen, doet niet af aan de belangenafweging die de raad dient te maken bij de vaststelling van het plan.

De Afdeling ziet dan ook aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij de functieaanduiding "bedrijf aan huis" voor het [locatie 4] is vastgesteld.

Gelet hierop behoeven de overige tegen voornoemde aanduiding aangevoerde beroepsgronden geen bespreking meer.

Het beroep van [appellant sub 7]

Het ontwikkelplan

6. De raad stelt dat [appellant sub 7] blijkens haar zienswijze op het besluit van 26 november 2013 daartegen beroepsgronden aanvoert, terwijl niet is gebleken dat zij tegen dit besluit beroep heeft ingesteld.

6.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

6.2. Met het besluit van 26 november 2013 heeft de raad zijn besluit van 10 april 2012 gewijzigd, onder meer voor zover het bestemmingsplan ziet op het bij [appellant sub 7] in gebruik zijnde perceel, kadastraal bekend als [....] en een deel van het perceel [....]. Daarbij is gedeeltelijk, maar niet geheel, aan de bezwaren van [appellant sub 7] tegemoet gekomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 7] voldoende belang bij een beoordeling van het besluit van 26 november 2013. Uit artikel 6:19, eerste lid, van de Awb volgt daarom dat het beroep van [appellant sub 7] van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit van 26 november 2013. Voor zover de raad stelt dat [appellant sub 7] geen beroepsgronden tegen het besluit van 26 november 2013 mag aanvoeren omdat zij geen beroep heeft ingesteld tegen dit besluit, kan dit standpunt daarom niet worden gevolgd.

7. [appellant sub 7] voert aan dat het ontwikkelplan in strijd met artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening niet te raadplegen is op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

8. [appellant sub 7] betoogt dat in de definitie voor het begrip diepploegen ten onrechte nog een diepte van 40 cm is vermeld, nu de raad bij vaststelling van het plan heeft besloten werkzaamheden tot een diepte van 50 cm toe te staan.

8.1. In artikel 1, lid 1.47, van de planregels is diepploegen omschreven als grondbewerking dieper dan 40 cm, waartoe wordt gerekend het vermengen, woelen en keren van (alle) lagen in het bodemprofiel.

8.2. Weliswaar is diepploegen in het plan gedefinieerd als grondbewerking dieper dan 40 cm, maar in artikel 15, lid 15.3.2, onder a, sub 4, en artikel 16, lid 16.3.2, onder a, sub 4, van de regels van het ontwikkelplan zijn uitzonderingen opgenomen op het verbod om bepaalde werkzaamheden uit te voeren zonder omgevingsvergunning voor werkzaamheden die het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,50 meter onder maaiveld wordt geroerd. [appellant sub 7] heeft niet onderbouwd waarom zij niettemin wordt beperkt in haar bedrijfsvoering door de in het plan opgenomen definitie van diepploegen.

Het betoog faalt.

9. [appellant sub 7] kan zich niet verenigen met diverse in het plan opgenomen dubbelbestemmingen. Zij voert hiertoe onder meer aan dat haar bedrijfsvoering op de percelen onnodig wordt belemmerd door de in het plan opgenomen diepte van slechts 50 cm tot welke zonder vergunning grondbewerkingen mogen worden uitgevoerd. [appellant sub 7] betoogt dat de aanwezigheid van bodemvondsten beperkt kan worden geacht door diverse intensieve grondbewerkingen die hebben plaatsgevonden. [appellant sub 7] wijst er op dat de Afdeling in een vrijwel gelijke situatie die aan de orde was in de uitspraak van 22 januari 2014, nr. 201205174/1/R4 een soortgelijke dubbelbestemming heeft vernietigd.

9.1. De raad stelt dat hij naar aanleiding van een archeologische rapportage van boomkwekerij [appellant sub 7] de archeologische dubbelbestemming op het perceel [....] heeft verwijderd. De overige twee percelen maken deel uit van de hogere akkercomplexen en juist op die complexen biedt het esdek een bescherming voor de onderliggende archeologische waarden, aldus de raad. Hij wijst er voorts op dat het perceel [....] voor een klein deel is bestemd als "Wonen". Daarnaast geldt volgens de raad niet altijd een archeologische onderzoeksverplichting. De raad is van mening dat de activiteiten van boomkwekerij [appellant sub 7] niet onevenredig worden belemmerd door de archeologische dubbelbestemming.

9.2. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009 in zaak nr. 200705084/1 over het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" is ten behoeve van het thans voorliggende plan onderzoek naar de archeologische verwachtingswaarde in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport "Boextel binnen en buiten den Brugghen, archeologie en cultuurhistorie in de gemeente Boxtel" (RAAP Archeologisch Adviesbureau, 19 augustus 2011). Deze resultaten zijn betrokken bij de beoordeling van de raad van de aan het plangebied toe te kennen mate van bescherming van potentiële archeologische waarden.

9.3. Aan het perceel [....] is, voor zover het besluit van 26 november op dat perceel ziet, de archeologische dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - Categorie 2" toegekend. De voor deze dubbelbestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

Op deze gronden is het verboden om, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bepaalde in artikel 15, lid 15.3.1, van de regels van het ontwikkelplan opgesomde werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren onderscheidenlijk te realiseren. Als uitzondering op deze plicht is, in artikel 15, lid 15.3.2, onder a, sub 4, onder meer opgenomen werkzaamheden die het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,50 meter onder maaiveld wordt geroerd.

9.4. In het deskundigenbericht is vermeld dat de gronden in het plangebied die [appellant sub 7] gebruikt voor bedrijfsdoeleinden door haar worden gebruikt voor zogenoemde spillenteelt, waarbij jonge bomen worden opgekweekt tot een hoogte van ongeveer 2,5 à 3 m en vervolgens worden uitgegraven en overgebracht naar een andere locatie van het bedrijf in Sint-Oedenrode, waar ze verder opgroeien.

In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 7] heeft verklaard dat bij het huidige gebruik voor de spillenteelt de bodem niet tot een grotere diepte dan 50 cm verstoord wordt. De Afdeling stelt dan ook vast dat [appellant sub 7] door de aan haar gronden toegekende archeologische dubbelbestemmingen niet wordt belemmerd in haar huidige bedrijfsvoering. Anders dan [appellant sub 7] veronderstelt, geldt geen maximale grondoppervlakte bij het gebruik voor de spillenteelt, nu dit het normale agrarische gebruik in de zin van artikel 15, lid 15.3.2, onder a, sub 4, van de regels van het ontwikkelplan betreft.

Dat in artikel 15, lid 15.3.2, onder a, sub 1, daarvan, voorts een uitzondering is opgenomen op het in artikel 15, lid 15.3.1 opgenomen verbod om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren indien werkzaamheden maximaal 0,50 meter diep reiken ten opzichte van het maaiveld en een verstoringsoppervlakte hebben van ten hoogste 125 m², doet niet af aan de algemene uitzondering die voor normaal agrarisch gebruik in de regels is opgenomen.

[appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het archeologisch onderzoek dat ten behoeve van de plannen is verricht zodanige gebreken vertoont dat de raad zich daarop bij het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid heeft kunnen baseren.

Voor zover [appellant sub 7] wijst op voornoemde uitspraak van 22 januari 2014, overweegt de Afdeling dat uit overweging 68.5 van die uitspraak blijkt dat daarbij onder meer van belang is geacht dat de raad er geen blijk van had gegeven dat bij het toekennen van de dubbelbestemming en het daaraan gekoppelde omgevingsvergunningstelsel rekening is gehouden met de belangen van appellante. In het voorliggende geval wordt [appellant sub 7] echter, zoals hiervoor reeds overwogen, niet belemmerd in het normale agrarische gebruik van haar gronden. Daarom geeft de door [appellant sub 7] gemaakte vergelijking geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen.

10. [appellant sub 7] voert aan dat teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie ten onrechte als met het plan strijdig gebruik wordt aangemerkt.

10.1. Aan een deel van de percelen [....] en [....] is de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" toegekend.

Ingevolge artikel 25, lid 25.2, onder 25.2.1, van de regels van het ontwikkelplan wordt op gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van gronden voor teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie.

Ingevolge artikel 36, lid 36.2, onder 36.2.1, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Vogel- en Habitatrichtlijnen (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 en richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992) beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan bestaand gebruik.

Ingevolge lid 36.2, onder 36.2.2, is het verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in 36.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Ingevolge lid 36.2, onder 36.2.3 is het, indien het gebruik, bedoeld in 36.2.1 na het tijdstip van inwerkingtreding van het ontwikkelplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. In het geval van meerjarige teelt is geen sprake van onderbroken gebruik, mits het gebruik is hervat aan het eind van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de teelt is gestaakt.

Ingevolge lid 36.2, onder 36.2.4 is het bepaalde in 36.2.1 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

10.2. Het gebruik van vorenbedoelde gronden voor de spillenteelt door [appellant sub 7] moet worden aangemerkt als bestaand legaal gebruik, welk gebruik in het algemeen dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt.

Niet aannemelijk is dat aan deze laatstgenoemde voorwaarde zal worden voldaan, nu het gebruik van de gronden voor de kweek van wilgen mag worden voortgezet op grond van het in het ontwikkelplan opgenomen gebruiksovergangsrecht en nu niet is gebleken van voornemens om dit gebruik binnen de planperiode te staken. Door dit gebruik onder het overgangsrecht te brengen zonder dat aannemelijk is dat het binnen de planperiode zal worden gestaakt, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3.1 van de Wro voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" is toegekend aan de percelen [....] en [....].

11. Hetgeen [appellant sub 7] voor het overige heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat zij door het besluit van 26 november 2013 onevenredig wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering.

Het besluit van de raad van 10 april 2012

12. Het beroep van [appellant sub 7] is mede gericht tegen het plandeel dat is vastgesteld bij besluit van 10 april 2012 en dat is gewijzigd bij besluit van 26 november 2013. Nu blijkens het hiervoor overwogene het beroep van [appellant sub 7], voor zover gericht tegen het besluit van 26 november 2013, niet leidt tot vernietiging van dat besluit, behoudens voor zover het betreft de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex", wordt het besluit van 26 november 2013 met de bekendmaking van deze uitspraak in zoverre onherroepelijk. Hieruit volgt dat aan het besluit van 10 april 2012 in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van dit deel van het beroep ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 7] in zoverre geen procesbelang meer heeft.

In verband hiermee dient het beroep van [appellant sub 7], voor zover gericht tegen de bij besluit van 10 april 2012 vastgestelde plandelen die betrekking hebben op de gronden van [appellant sub 7] en zijn gewijzigd bij besluit van 26 november 2013, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

13. In overweging 10.2 heeft de Afdeling gemotiveerd waarom het besluit van de raad van 26 november 2013 is genomen in strijd met artikel 3.1 van de Wro, voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" is toegekend aan de percelen [....] en [....].

Om dezelfde redenen als daar genoemd, komt de Afdeling tot het oordeel dat het besluit van de raad van 10 april 2012 is genomen in strijd met artikel 3.1 van de Wro, voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" is toegekend aan het perceel [....], voor zover dit niet is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied Ontwikkelplan 2013".

14. Voor zover [appellant sub 7] zich richt tegen de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie - Categorie 2" en "Waarde - Archeologie - Categorie 3" voor zover die zijn toegekend aan haar percelen [....] en [....], overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 32, lid 32.3.2, onder a, sub 4, en artikel 33, lid 33.3.2, onder a, sub 4, van het plan zijn voor gronden met deze aanduidingen uitzonderingen opgenomen die gelijkluidend zijn aan de onder 9.3 weergegeven en onder 9.4 besproken regeling uit artikel 15, lid 15.3.2, onder a, sub 4, van de regels van het ontwikkelplan.

Onder 9.4 heeft de Afdeling gemotiveerd waarom het betoog van [appellant sub 7] dat dit deel van het ontwikkelplan voor vernietiging in aanmerking komt, faalt. Om dezelfde redenen faalt het betoog van [appellant sub 7] dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover in het plan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie - Categorie 2" en "Waarde - Archeologie - Categorie 3" zijn toegekend aan de percelen met kadastrale nummers [....] en [....].

15. Hetgeen [appellant sub 7] voor het overige heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat zij door het besluit van 10 april 2012 onevenredig wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering.

Conclusie

16. Het beroep van [appellant sub 7] is, voor zover ontvankelijk, gegrond.

16.1. Het besluit van 10 april 2012 dient te worden vernietigd voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" is toegekend aan het perceel [....], voor zover dit perceel niet is opgenomen in het ontwikkelplan.

Het besluit van 26 november 2013 dient te worden vernietigd voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" is toegekend aan de percelen [....] en [....].

De beroepen van [appellant sub 14] en [appellant sub 13]

17. [appellant sub 14] en [appellant sub 13] richten zich tegen de bestemmingsregeling voor de gronden die zij gebruiken voor hun agrarische bedrijven aan onderscheidenlijk het [locatie 4] en de [locatie 5] te Boxtel.

18. De Afdeling stelt voorop dat in de voorliggende procedure alleen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan aan de orde kan komen, alsmede de wijze waarop dit besluit tot stand is gekomen. Voor zover [appellant sub 14] en [appellant sub 13] verwijzen naar gestelde gebreken in andere besluiten kunnen deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Ook hun betoog dat zij ten onrechte niet zijn gehoord door het college van gedeputeerde staten kan daartoe niet leiden, nu dit geen deel uitmaakt van de wettelijk voorgeschreven procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan. Voor zover hun bezwaren zien op het waterbeheer ter plaatse van hun gronden en de omgeving daarvan en de gevolgen daarvan voor de als monument aangewezen woning van [appellant sub 14] en op geschillen met het waterschap, gaat het om aspecten die in een bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kunnen komen.

19. [appellant sub 14] en [appellant sub 13] voeren aan dat ten onrechte aan een gedeelte van het perceel [locatie 4] de aanduiding "reconstructiewetzone-extensiveringsgebied" is toegekend en refereren daarbij aan de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007, nr. 200506285/1.

19.1. De raad stelt dat bouwvlakken op basis van voornoemde uitspraak weliswaar niet doorsneden mogen worden, maar dat de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening) noopt tot toekenning van de bestreden aanduiding en dat de raad niet bevoegd is dit aan te passen.

19.2. Ingevolge artikel 9.1, eerste lid, van de Verordening geldt voor de toepassing van dit hoofdstuk de integrale zonering waarvan de geometrische plaatsbepaling en begrenzing met een nauwkeurigheid van 25 meter zijn vastgelegd.

Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat nieuwvestiging, uitbreiding, hervestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij niet zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha mogen uitbreiden op een duurzame locatie.

Ingevolge het tweede lid blijkt uit de toelichting bij een bestemmingsplan ten aanzien van een duurzame locatie, als bedoeld in het eerste lid, onder d, dat:

a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse;

b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;

c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid van mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.

19.3. De raad heeft aan het perceel [locatie 4] ter plaatse van een deel van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" toegekend overeenkomstig de kaart bij de Verordening, waarop deze gronden zijn aangeduid als extensiveringsgebied.

Provinciale Staten hebben bij de Verordening voor de integrale zonering aangesloten bij de zonering zoals die was opgenomen in de diverse reconstructieplannen en de correctieve herziening hiervan.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 30 mei 2007, in zaaknr. 200506285/1, over het reconstructieplan De Meierij, het besluit tot vaststelling van dat reconstructieplan en het bijbehorende goedkeuringsbesluit vernietigd, onder meer voor zover bouwblokken zijn voorzien van twee zoneringsaanduidingen. Bij besluiten van 27 juni 2008 en 12 augustus 2008 is onder meer de correctieve herziening van het reconstructieplan De Meierij vastgesteld en goedgekeurd. Deze herziening voorzag opnieuw in twee zoneringsaanduidingen voor het bouwblok van [appellant sub 14]. [appellant sub 14] en [appellant sub 13] hebben hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. De besluiten tot vaststelling en goedkeuring van de correctieve herziening zijn, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2010, in zaaknr. 200807643/1/R1, in zoverre in rechte onaantastbaar geworden.

Onder voormelde omstandigheden geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de Verordening, zoals deze luidde ten tijde van belang, in de weg staat aan de door [appellant sub 14] en [appellant sub 13] gewenste toekenning van de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied".

Het betoog faalt.

20. [appellant sub 14] en [appellant sub 13] betogen dat ten onrechte de bestemming "Verkeer-Onverhard" is toegekend aan gronden die in gebruik zijn als grasland.

20.1. De raad wijst er op dat deze bestemming is overgenomen uit het vorige plan.

20.2. Aan delen van het perceel, kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie N, nummer [...], die [appellant sub 14] volgens het deskundigenbericht gebruikt als grasland, is de bestemming "Verkeer-Onverhard" toegekend. Het betreft volgens het deskundigenbericht gronden met een breedte van ongeveer 11 m die aan de noord- en zuidzijde aansluiten op een onverharde weg. De bestemming "Verkeer-Onverhard" maakt het gebruik van de gronden als grasland niet bij recht mogelijk. [appellant sub 14] heeft volgens het deskundigenbericht te kennen gegeven dat de gronden al sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw in gebruik zijn als grasland.

20.3. Ter zitting heeft [appellant sub 14] onweersproken te kennen gegeven dat hij delen van voornoemd perceel waaraan de bestemming "Verkeer - Onverhard" is toegekend meer dan twintig jaar in gebruik heeft als grasland. De raad heeft ter zitting gesteld dat belang bestaat bij het behoud van onverharde paden voor recreatieve routes. Desgevraagd heeft de raad ter zitting evenwel te kennen gegeven dat het gemeentebestuur niet voornemens is om handhavend op te treden tegen het gebruik van de desbetreffende gronden als grasland. Gelet hierop en nu feitelijk ter plaatse geen sprake is van bestaande onverharde paden, had het in de rede gelegen dat de raad had onderzocht in hoeverre delen van dit perceel waaraan de bestemming "Verkeer - Onverhard" is toegekend, zijn ingericht als grasland en of het toekennen van een bestemming die het bestaande gebruik mogelijk maakt, aanvaardbaar kan worden geacht. Nu de raad dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is op dit punt genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

21. Hetgeen [appellant sub 14] en [appellant sub 13] voor het overige hebben aangevoerd, komt overeen met hetgeen zij in eerdere instanties naar voren hebben gebracht. Zij hebben niet onderbouwd waarom de reactie daarop onjuist zou zijn.

Conclusie

22. De beroepen van [appellant sub 14] en [appellant sub 13] zijn gegrond.

22.1. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer - Onverhard" voor zover dat betrekking heeft op het perceel, kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie N, nummer [...].

Ruimte-voor-Ruimte kavels

De beroepen van [appellant sub 5] en [appellant sub 4]

De dubbelbestemmingen "Waarde - Leefgebied soorten van half-open landschap" en "Waarde - Archeologie - Categorie 4"

23. [appellant sub 5] en [appellant sub 4] betogen dat aan hun percelen aan de Hamsestraat, kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie G, nummer […] (hierna: perceel [locatie 6]) onderscheidenlijk sectie G, nummer […] (hierna: perceel [locatie 7]) ten onrechte de dubbelbestemmingen "Waarde - Leefgebied soorten van half-open landschap" en "Waarde - Archeologie - Categorie 4" zijn toegekend. Volgens hen zijn ter plaatse geen natuurwaarden of archeologische waarden aanwezig. Zij verwijzen in dit verband naar het rapport "Ecologische quickscan Hamsestraat, Liempde, Boxtel" (hierna: de ecologische quickscan) en het rapport "Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)" (hierna: het archeologisch onderzoek).

23.1. De raad stelt dat zolang geen woonbestemming aan voornoemde percelen is toegekend, de agrarische bestemming met bijbehorende waarden en aanduidingen behouden blijven. Volgens de raad is nog geen selectiebesluit genomen ten aanzien van het archeologisch onderzoek zodat de archeologische dubbelbestemming vooralsnog blijft gehandhaafd.

23.2. Aan de dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied soorten van half-open landschap" ligt het rapport "Achtergrondrapportage Natuurwaardenkaart" ten grondslag. Het gebied aan de Hamsestraat is op de bijbehorende "Aspectenkaart leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap (zonder hoge planten)" aangeduid als gebied waar broedvogels van weiland en akker voorkomen.

In de ecologische quickscan worden aanbevelingen gedaan om verstoring van de aanwezige fauna, zoals broedvogels en vleermuizen, te minimaliseren indien op de percelen [locatie 6] en [locatie 7] woningen worden gerealiseerd. Uit de ecologische quickscan blijkt dan ook niet dat ter plaatse geen natuurwaarden aanwezig zijn. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen komen tot het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied soorten van half-open landschap" voor de percelen van [appellant sub 5] en [appellant sub 4].

Het betoog faalt in zoverre.

23.3. Aan het plan ligt het eerder genoemde rapport van RAAP ten grondslag. Blijkens dit rapport bestaat er een hoge verwachting ten aanzien van archeologische waarden gezien de ligging van de percelen in het gebied "droge landschappen". Voorts maakt dit rapport melding van het door [appellant sub 5] en [appellant sub 4] overgelegde archeologisch onderzoek.

In het archeologisch onderzoek wordt ter plaatse een lage verwachting toegekend voor het aantreffen van onverstoorde archeologische waarden, gezien de ligging van de percelen [locatie 6] en [locatie 7] in relatief nat gebied.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat het archeologisch onderzoek dient te worden bekrachtigd door middel van een zogeheten selectiebesluit en dat hieraan nog niet is toegekomen. Op basis van een selectiebesluit wordt de archeologische waardenkaart en vervolgens het plan aangepast. De raad heeft met het voorgaande onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij de uitkomsten van het archeologisch onderzoek, welke bekend waren ten tijde van de vaststelling van het plan en waar voornoemd rapport van RAAP uitdrukkelijk melding van maakt, heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

Artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.9, van de planregels

24. [appellant sub 5] en [appellant sub 4] betogen dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van hun percelen te wijzigen in de bestemming "Natuur". Volgens hen is dit in strijd met het aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt om geen nieuw beleid door te voeren en staat deze bestemming haaks op de door hen gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de percelen naar een woonbestemming.

24.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.9, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch" wijzigen in de bestemming "Natuur" en/of "Water" onder de voorwaarden dat:

a. de inrichting van de gronden tot natuur of water geen onevenredige belemmering vormt voor het gebruik van de belendende agrarische percelen;

b. de natuurontwikkeling op deze gronden geschiedt enkel op basis van de vrijwillige medewerking van de grondeigenaren.

24.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Dit artikel ziet uitsluitend op toedeling van een wijzigingsbevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 7 november 2012 in zaak nr. 201105458/1/R4 past het niet in het stelsel van de Wro dat een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat waarbij het gebruik van die bevoegdheid door het college van burgemeester en wethouders afhankelijk wordt gesteld van voorafgaande instemming van de gerechtigden ten aanzien van de gronden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.9, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro. Het betoog slaagt.

Het realiseren van woningen

25. [appellant sub 5] en [appellant sub 4] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover het eraan in de weg staat woningen te realiseren op hun percelen [locatie 6] en [locatie 7] waarvoor zij de titel Ruimte-voor-Ruimte kavel hebben verworven. Volgens hen stelt de raad ten onrechte dat milieuhygiënische aspecten een woonbestemming voor voornoemde percelen in de weg staan. [appellant sub 5] en [appellant sub 4] verwijzen in dit verband naar het onderzoek "Toets bedrijven en milieuzonering" (hierna: de milieutoets).

[appellant sub 5] en [appellant sub 4] betogen dat, voor zover een woonbestemming niet kan worden toegekend, de in het vorige bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid opnieuw in het onderhavige plan diende te worden opgenomen.

25.1. De raad stelt dat woningbouwontwikkeling op het perceel [locatie 6] en perceel [locatie 7] niet mogelijk is vanwege de milieuhygiënische belemmeringen van het bedrijventerrein ‘Daasdonk’. De raad verwijst in dit verband naar de notitie "gemeentelijke notitie met uitleg vigerend bestemmingsplan bedrijventerrein Daasdonk in relatie tot Ruimte voor Ruimte-kavels aan de Hamsestraat" van juli 2012 (hierna: de gemeentelijke notitie).

25.2. Vast staat dat het plan voor de percelen [locatie 6] en [locatie 7], waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend, niet de mogelijkheid tot het realiseren van een woning biedt.

In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" werd door middel van een wijzigingsbevoegdheid voorzien in de mogelijkheid om op deze percelen een woning te realiseren. Deze wijzigingsbevoegdheid maakte onderdeel uit van een agrarische gebiedsbestemming waaraan de Afdeling in de uitspraak van 4 maart 2009 goedkeuring heeft onthouden. Het bestemmingsplan "Buitengebied 1995" van de voormalige gemeente Liempde werd daarmee voor de percelen [locatie 6] en [locatie 7] weer van kracht. In dit bestemmingsplan hadden de percelen de bestemming "Agrarisch gebied: landschappelijk waardevol" en kon op basis van de hierbij behorende planvoorschriften ter plaatse geen woningen worden gerealiseerd.

25.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellant sub 5] en [appellant sub 4] vanaf 2007 overleg voeren met de gemeente om elk een woning te realiseren op de percelen [locatie 6] en [locatie 7].

[appellant sub 5] en [appellant sub 4] hebben ten behoeve hiervan in 2011 het voorontwerp bestemmingsplan "Ruimte-voor-Ruimte Hamsestraat Liempde" laten opstellen. In dit kader is de milieutoets opgesteld waarin wordt getoetst of de huidige aanwezige bedrijven aan de Hamsestraat worden belemmerd door de door [appellant sub 5] en [appellant sub 4] gewenste woningbouw. De conclusie van de milieutoets luidt dat geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat de raad het concrete initiatief van [appellant sub 5] en [appellant sub 4] heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. De raad heeft ter zitting toegelicht dat bij de uitwerking van dit initiatief is gebleken dat milieuhygiënische belemmeringen bestaan als gevolg van het aan de overzijde van de percelen [locatie 6] en [locatie 7] gelegen bedrijventerrein Daasdonk. Ter onderbouwing hiervan is, na de vaststelling van het plan, de gemeentelijke notitie opgesteld. De conclusie van de gemeentelijke notitie luidt dat vanwege voornoemde milieuhygiënische belemmeringen van het bedrijventerrein Daasdonk woningbouwontwikkeling niet haalbaar is.

25.4. Kern van het verschil in conclusie van de milieutoets en de gemeentelijke notitie vormt de kwalificatie van het gebied waarin de percelen [locatie 6] en [locatie 7] zijn gelegen. In de milieutoets wordt uitgegaan van "gemengd gebied", terwijl in de gemeentelijke notitie "rustige woonwijk/buitengebied" als uitgangspunt wordt genomen. De bij deze gebieden behorende richtafstanden tot de bedrijven van het bedrijventerrein Daasdonk, waarbij is aangesloten bij de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure), vormen de indicatie voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van milieuhygiënische belemmeringen voor het realiseren van woningen op de percelen van [appellant sub 5] en [appellant sub 4]. Indien wordt uitgegaan van "gemengd gebied" kan worden voldaan aan de desbetreffende richtafstand, bij "rustige woonwijk/buitengebied" als uitgangspunt is dit niet het geval.

De raad heeft ter zitting toegelicht alleen de percelen [locatie 6] en [locatie 7], welke thans braak liggen dan wel als grasland in gebruik zijn, te hebben betrokken bij de kwalificatie van het gebied als "rustige woonwijk/buitengebied". Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet kunnen volstaan met het enkel bezien van de locatie van de door [appellant sub 5] en [appellant sub 4] gewenste woningen, maar diende in breder verband te worden gekeken naar het gebied waarin de percelen [locatie 6] en [locatie 7] zijn gelegen. Nu de raad de kenmerken van het gehele gebied aan de Hamsestraat niet heeft betrokken bij de vraag hoe het gebied waarin de percelen van [appellant sub 5] en [appellant sub 4] zijn gelegen, dient te worden gekwalificeerd, heeft de raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de richtafstand behorend bij "rustige woonwijk/buitengebied" dient te worden gehanteerd. Gelet hierop heeft de raad voorts onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat milieuhygiënische belemmeringen in de weg staan aan het realiseren van woningen op de percelen [locatie 6] en [locatie 7].

25.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij de plandelen die betrekking hebben op de percelen [locatie 6] en [locatie 7] zijn vastgesteld.

De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 8]

Ontvankelijkheid

26. [appellant sub 6] en [appellant sub 8] betogen dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van hun percelen te wijzigen in de bestemming "Natuur" en voorts dat ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied soorten van half-open landschap" is toegekend. Volgens hen is dit in strijd met het aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt om geen nieuw beleid door te voeren en staat deze bestemming haaks op de door hen gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de percelen naar een woonbestemming.

26.1. De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 8] voor zover gericht tegen de dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied soorten van half-open landschap" en de in artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.9, van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het wijzigen van de bestemming "Agrarisch" naar "Natuur", steunen niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

De beroepen zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

Wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van woningen

27. [appellant sub 6] en [appellant sub 8] betogen dat voor hun percelen aan de Hamsestraat, kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie B, nummer [….] (hierna: perceel [locatie 8]), onderscheidenlijk sectie B, nummer [….] (hierna: perceel [locatie 9]), ten onrechte en in tegenstelling tot het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" geen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het realiseren van woningen is opgenomen. Volgens hen bestaan ter plaatse van voornoemde percelen geen milieuhygiënische belemmeringen die het niet opnemen van voornoemde wijzigingsbevoegdheid rechtvaardigen.

27.1. De raad stelt dat uit de beoordeling van juli 2012 is gebleken dat de percelen [locatie 8] en [locatie 9] geen milieuhygiënische belemmeringen van het bedrijventerrein ‘Daasdonk’ ondervinden.

27.2. Vast staat dat het plan voor de percelen [locatie 8] en [locatie 9], waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend, niet de mogelijkheid tot het realiseren van een woning biedt.

In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" werd door middel van een wijzigingsbevoegdheid voorzien in de mogelijkheid om op deze percelen een woning te realiseren. Deze wijzigingsbevoegdheid maakte onderdeel uit van een agrarische gebiedsbestemming waaraan de Afdeling in de uitspraak van 4 maart 2009 goedkeuring heeft onthouden. Het bestemmingsplan "Buitengebied 1995" van de voormalige gemeente Liempde werd daarmee voor de percelen [locatie 8] en [locatie 9] weer van kracht. In dit bestemmingsplan hadden de percelen de bestemming "Agrarisch gebied: landschappelijk waardevol" en kon op basis van de hierbij behorende planvoorschriften ter plaatse geen woningen worden gerealiseerd.

27.3. De raad heeft ter zitting toegelicht de aanvaardbaarheid van woningbouw op de percelen aan de Hamsestraat in zijn geheel te willen bezien en dat hij het daarom wenselijk acht te wachten met de ontwikkelingen op de percelen [locatie 8] en [locatie 9] tot duidelijkheid is verkregen dan wel een oplossing is gevonden voor de percelen [locatie 7] en [locatie 6].

Niet in geschil is dat gelet op de afstand tot het bedrijventerrein Daasdonk, ter plaatse van de percelen [locatie 8] en [locatie 9] geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan die in de weg staan aan het aldaar realiseren van woningen. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij deze omstandigheid heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat tussen de percelen [locatie 7] en [locatie 6] en de percelen [locatie 8] en [locatie 9] een zodanige samenhang bestaat, dat voor de percelen [locatie 8] en [locatie 9] geen zelfstandige afweging ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het realiseren van woningen ter plaatse kon worden gemaakt. Dit klemt te meer daar de raad al geruime tijd bekend was met de wens van [appellant sub 6] en [appellant sub 8] om ter plaatse woningen te realiseren en de raad onvoldoende blijk heeft gegeven deze belangen te hebben meegewogen bij de vaststelling van het plan.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 6] en [appellant sub 8] hebben aangevoerd, aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn gegrond. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij de plandelen die betrekking hebben op de percelen [locatie 8] en [locatie 9] zijn vastgesteld.

Het beroep van [appellant sub 12]

28. [appellant sub 12] kan zich niet verenigen met het plan voor zover het, in tegenstelling tot het vorige bestemmingsplan, eraan in de weg staat een woning te realiseren op het perceel naast het perceel [locatie 10], kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie H, nummer […] (hierna: perceel [locatie 10]). Volgens hem is voornoemd perceel aangemerkt als Ruimte-voor-Ruimte kavel en is het derhalve ruimtelijk aanvaardbaar ter plaatse een woning te realiseren. [appellant sub 12] wijst in dit verband op de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 oktober 2011. De raad heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom de mogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan niet in dit plan zijn opgenomen, aldus [appellant sub 12]. Volgens [appellant sub 12] leidt het plan daarmee tot waardevermindering van zijn perceel.

28.1. De raad stelt dat op basis van een concreet verzoek de afweging wordt gemaakt of de voorgestelde locatie ruimtelijke aanvaardbaar is, of voldaan wordt aan de voorwaarden van de Ruimte voor Ruimte regeling en of de woningbouwontwikkeling haalbaar is. Voor het perceel [locatie 10] hebben de onderzoeken ten behoeve van het toekennen van een woonbestemming volgens de raad nog niet plaatsgevonden. Bovendien is pas recentelijk de milieuhygiënische belemmering voor voornoemd perceel komen te vervallen, aldus de raad.

28.2. Vast staat dat het plan voor het perceel [locatie 10], waaraan de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap" is toegekend, niet de mogelijkheid tot het realiseren van een woning biedt.

In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" werd door middel van een wijzigingsbevoegdheid voorzien in de mogelijkheid om op dit perceel een woning te realiseren. Deze wijzigingsbevoegdheid maakte onderdeel uit van een agrarische gebiedsbestemming waaraan de Afdeling in de uitspraak van 4 maart 2009 goedkeuring heeft onthouden. Het bestemmingsplan "Buitengebied 1995" van de voormalige gemeente Liempde werd daarmee voor het perceel [locatie 10] weer van kracht. In dit bestemmingsplan was het perceel opgenomen in de "Agrarische hoofdstructuur" met de bestemming "Agrarisch gebied" en "Lint- en clusterbebouwing" en kon op basis van de hierbij behorende planvoorschriften ter plaatse geen woning worden gerealiseerd.

28.3. De raad heeft ter zitting toegelicht dat er voor is gekozen in het geheel geen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het realiseren van Ruimte-voor-Ruimte woningen in het plan op te nemen, maar aan de hand van concrete initiatieven een afweging ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de desbetreffende locatie te maken en het perceel [locatie 10] hiervoor niet in aanmerking kwam ten tijde van de vaststelling van het plan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellant sub 12] sinds 2011 voornemens is op het perceel [locatie 10] een woning te realiseren en hiertoe meerdere malen overleg heeft gevoerd met de gemeente. De door [appellant sub 12] aangehaalde brief van 25 oktober 2011 bevat het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel om in principe mee te werken aan het verzoek van [appellant sub 12] tot het realiseren van een Ruimte-voor-Ruimte woning op het perceel [locatie 10].

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat voor het perceel [locatie 10] lange tijd een nabij gelegen intensieve veehouderij een milieuhygiënische belemmering vormde voor het realiseren van een woning ter plaatse. De desbetreffende veehouderij heeft in februari 2012 een verzoek tot verplaatsing ingediend, waarna de bedrijfsvoering van deze intensieve veehouderij in de zomer van 2012 is beëindigd.

28.4. Gelet op het voorgaande heeft de raad wat betreft het perceel [locatie 10] naar het oordeel van de Afdeling niet kunnen volstaan met een algemene afweging ten aanzien van het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het realiseren van Ruimte-voor-Ruimte woningen in het plan en had de raad de concrete situatie van [appellant sub 12] bij de vaststelling van het plan moeten betrekken. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het ten tijde van de vaststelling van het plan in de lijn der verwachting lag dat de intensieve veehouderij ter plaatse zijn bedrijfsvoering binnen de planperiode zou beëindigen en de raad gezien het besluit van het college van burgemeester en wethouders tot het in principe meewerken aan het realiseren van een woning op het perceel [locatie 10] op de hoogte was van het voornemen van [appellant sub 12]. De raad heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe het voorgaande en daarmee de belangen van [appellant sub 12] zijn betrokken bij het besluit tot vaststelling van het plan.

De Afdeling ziet dan ook in hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij de plandelen die betrekking hebben op het perceel [locatie 10] zijn vastgesteld.

Gelet hierop behoeven de overige aangevoerde beroepsgronden geen bespreking meer.

Het beroep van [appellant sub 3]

Bedrijfsvoering [appellant sub 3]

29. [appellant sub 3] betoogt dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor het uitoefenen van een sierteeltbedrijf/plantenkwekerij op zijn perceel aan de Donders ongenummerd. Hij wijst hierbij in het bijzonder op de toegekende bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschap" en de dubbelbestemmingen "Leiding - Gas" en "Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2". Volgens hem dient een ruimer bouwblok te worden opgenomen om teeltondersteunende voorzieningen, zoals bijvoorbeeld containervelden, mogelijk te maken, temeer nu een deel van de gronden die zijn aangeduid als bouwblok niet kan worden gebruikt vanwege de ter plaatse aanwezige leiding. Het concrete verzoek van [appellant sub 3] hiertoe had de raad volgens hem inhoudelijk moeten beoordelen bij de vaststelling van het plan.

[appellant sub 3] betoogt voorts dat het plan ten onrechte in de weg staat aan het gebruik van zijn gronden aangrenzend aan het bouwblok ten behoeve van (tijdelijke) teeltondersteunende voorzieningen.

29.1. De raad stelt dat thans ter plaatse geen agrarisch bedrijf is gevestigd en acht een afweging ten aanzien van uitbreidingsmogelijkheden dan ook prematuur. Volgens de raad biedt het in het plan opgenomen bouwblok voldoende ruimte om ter plaatse containervelden te realiseren.

De raad stelt voorts dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen door middel van een omgevingsvergunning kunnen worden toegestaan op de gronden ten noorden van het in het plan opgenomen bouwblok.

29.2. Het perceel aan de Donders ongenummerd heeft deels de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en deels de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap". Voorts heeft voornoemd perceel, voor zover hier van belang, gedeeltelijk de dubbelbestemmingen "Leiding - Gas" en "Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 1, lid 1.8, wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.1, sub a, zijn teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter niet toegestaan binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap".

Ingevolge lid 6.6, onder 6.6.5, kunnen burgemeester en wethouders onder voorwaarden de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen toegestaan" voor de uitbreiding van het agrarisch bedrijf voor permanente en/ of tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

Ingevolge artikel 29, lid 29.2, mogen op de tot "Leiding -Gas" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de gasleiding worden gebouwd.

Ingevolge lid 29.3, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 29.2 en worden toegestaan dat wordt gebouwd ten dienste van de overige op deze gronden voorkomende bestemming(en), voor zover uit overleg met de leidingbeheerder blijkt dat daartegen uit hoofde van de bescherming van de aardgastransportleiding geen bezwaar bestaat.

Ingevolge artikel 43, lid 43.2, onder 43.2.1, aanhef en onder a, wordt de teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie tot een strijdig gebruik gerekend op gronden mede bestemd voor "Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2".

Ingevolge artikel 1, lid 1.33, wordt onder teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van beplantingsgewassen zoals bos- en haagplantsoen, laan- en parkbomen, vruchtbomen, rozenstruiken, sierconiferen en overige sierheesters, een en ander in de vorm van vollegrondsteelt dan wel containerteelt.

29.3. Bij besluit van 28 maart 2011 is aan [appellant sub 3] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een woning, een loods en een kas ten behoeve van een kwekerij voor sierheesters. Deze bebouwing is voorzien binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan de Donders ongenummerd.

29.4. Ten aanzien van de door [appellant sub 3] gewenste verruiming van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van het realiseren van containervelden overweegt de Afdeling als volgt.

Binnen voornoemd bestemmingsvlak ligt een aardgasleiding met bijbehorende belemmeringenstrook waaraan de dubbelbestemming "Leiding - Gas" is toegekend. Op gronden met deze bestemming mogen gelet op artikel 29, lid 29.2, van de planregels uitsluitend bouwwerken ten dienste van de gasleiding worden gerealiseerd. Evenwel biedt het plan ingevolge artikel 29, lid 29.3, van de planregels de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde te realiseren en werkzaamheden toe te staan als voldaan wordt aan de in dat artikel genoemde voorwaarden. Gelet hierop sluit de bestemming "Leiding - Gas" agrarische activiteiten en het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen niet bij voorbaat uit.

De gronden aan de Donders ongenummerd rondom het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" hebben de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap". Binnen deze bestemming zijn gelet op artikel 6, lid 6.2, van de planregels teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter niet toegestaan.

In de plantoelichting staat dat permanente teeltondersteunende voorzieningen een behoorlijke impact kunnen hebben op het landschap. Permanente teeltondersteunende voorzieningen bestaan uit teeltondersteunende kassen en overige permanente voorzieningen als bakken op stellingen en containervelden en hebben geen directe relatie met het grondgebruik. Daarom mogen deze in beginsel alleen binnen het bouwblok worden gerealiseerd. Indien het bouwblok niet voldoende ruimte biedt, kan het bouwvlak hiervoor worden uitgebreid met een aanduidingsvlak, waarbinnen uitsluitend teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan. Hiertoe is in het plan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen toegestaan", aldus de plantoelichting. De raad heeft in aansluiting hierop ter zitting toegelicht dat aan de hand van een concreet verzoek een beoordeling plaatsvindt of de uitbreiding door middel van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen toegestaan" in relatie tot de te beschermen landschappelijke waarden ter plaatse aanvaardbaar is.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de bescherming van de landschappelijke waarden ter plaatse dan aan het belang van [appellant sub 3] de desbetreffende gronden bij recht te gebruiken ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen. Daarbij heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nu [appellant sub 3] zijn bedrijf ter plaatse nog niet heeft gevestigd, een afweging ten aanzien van de uitbreiding hiervan prematuur is en aan de hand van een concreet verzoek de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een uitbreiding ter plaatse zal worden bezien. Voor zover [appellant sub 3] wijst op de door hem overgelegde en bij de raad bekende situatietekening waarop de door hem gewenste containervelden staan aangegeven, overweegt de Afdeling dat uit deze situatietekening niet volgt dat de raad de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen toegestaan" in het plan diende op te nemen voor de desbetreffende gronden, nu hieruit niet kan worden afgeleid of voldaan kan worden aan de in artikel 6, lid 6.6, onder 6.6.5, van de planregels gestelde voorwaarden.

29.5. Gelet op het vorenoverwogene ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het in het plan toegekende bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan de gronden aan de Donders ongenummerd. De Afdeling neemt hiertoe in aanmerking dat het plan met behulp van een omgevingsvergunning binnen de bestemming "Leiding - Gas" en een wijzigingsbevoegdheid binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" het door [appellant sub 3] gewenste gebruik van de desbetreffende gronden voor het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen in beginsel mogelijk maakt. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbare belemmering van de bedrijfsvoering van [appellant sub 3] ter plaatse van de gronden aan de Donders ongenummerd. De verwijzing van [appellant sub 3] naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2013 in zaak nr. 201109895/1/R3 treft geen doel, nu het in deze uitspraak ging om het toekennen van een woonbestemming en niet om de uitbreiding van een in het plan opgenomen bedrijf.

Het betoog faalt in zoverre.

29.6. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat de dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2" zijn bedrijfsvoering ter plaatse belemmert, overweegt de Afdeling als volgt.

Voornoemde dubbelbestemming is over het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op de gronden aan de Donders ongenummerd en de gronden ten zuiden hiervan gelegen. Binnen deze dubbelbestemming wordt gezien artikel 43, lid 43.2, onder 43.2.1, van de planregels de teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie (boomteelt) tot strijdig gebruik met het plan gerekend. De raad heeft hieraan het navolgende ten grondslag gelegd. De dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2" is in het plan opgenomen ter bescherming van waardevolle beekdalen, bolle akkers en open akkercomplexen. Het waardevolle beekdal van de Beerze bevindt zich ter plaatse van de gronden van [appellant sub 3]. Leefgebieden van soorten van half-open cultuurlandschap zijn kwetsbaar voor een scheve verhouding tussen boomteelt en grasland/bouwland. Een te groot aandeel boomteelt tast de afwisseling met open gebieden aan, hetgeen mogelijk leidt tot negatieve effecten voor het leefgebied van deze soorten en tot een aantasting van de landschappelijke karakteristiek van het half-open landschap. De beekdalen met aangrenzende gebieden, zoals de gronden aan de Donders ongenummerd, vormen het gebied waar het areaal grasland nog het meeste voorkomt en waar de landschappelijke openheid het sterkst wordt ervaren. Daarom is in deze beekdalen nieuwe boomteelt uitgesloten.

De raad heeft in aansluiting hierop ter zitting toegelicht met het plan te hebben beoogd geen teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie op de gronden ten zuiden van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toe te staan. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de bescherming van de leefgebieden van soorten van half-open cultuurlandschap dan aan het belang dat [appellant sub 3] heeft bij de teelt van houtgewas op de desbetreffende gronden.

29.7. Evenwel heeft de raad, zoals ter zitting toegelicht, met de dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2" over het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" niet beoogd de teelt van houtgewas, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1.33, van de planregels, binnen dit bestemmingsvlak uit te sluiten en wijst de raad in dit verband op artikel 43, lid 43.3, onder 43.3.2, van de planregels. Hoewel op grond van dit artikellid het in artikel 43, lid 43.3, onder 43.3.1, vervatte verbod niet van toepassing is op bepaalde werken en werkzaamheden die binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" kunnen worden uitgevoerd, wordt hiermee niet het verbod op het gebruik van gronden voor de teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie, zoals neergelegd in artikel 43, lid 43.2, onder 43.2.1, van de planregels opgeheven. Gelet hierop staat, in tegenstelling tot wat de raad heeft beoogd, de desbetreffende dubbelbestemming voor zover gelegen over het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op de gronden aan de Donders ongenummerd het gebruik van deze gronden voor de teelt van houtgewas in de weg.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 is genomen in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid bij het voorbereiden van een besluit. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2" over het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op de gronden aan de Donders ongenummerd is vastgesteld.

De dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex"

30. [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" is opgenomen voor zijn gronden aan de Donders ongenummerd, waardoor ter plaatse geen teelt van houtgewas is toegestaan.

30.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat abusievelijk de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" voor de gronden van [appellant sub 3] op de verbeelding is opgenomen en dat deze dubbelbestemming zal worden verwijderd bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 is genomen in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid bij het voorbereiden van een besluit. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" is vastgesteld voor de gronden van [appellant sub 3] bij de Donders ongenummerd.

Artikel 42 van de planregels

31. Volgens [appellant sub 3] ontbreekt in artikel 42, lid 42.2, onder 42.2.1, aanhef, van de planregels abusievelijk de zinsnede "zonder een omgevingsvergunning".

31.1. De raad heeft ter zitting bevestigd dat deze zinsnede in voornoemde planregel dient te worden opgenomen en dit abusievelijk niet is gebeurd bij de vaststelling van het plan.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 is genomen in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid bij het voorbereiden van een besluit. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover de zinsnede "zonder een omgevingsvergunning" ontbreekt in artikel 42, lid 42.2, onder 42.2.1, aanhef, van de planregels.

De Afdeling ziet aanleiding op hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

Het ontwikkelplan

32. Met de vaststelling van het ontwikkelplan heeft de raad onder meer beoogd het in rechtsoverweging 30.1 geconstateerde gebrek te herstellen. Het besluit van 26 november 2013 is daarmee ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding.

[appellant sub 3] heeft naar aanleiding van het besluit van 26 november 2013 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant sub 3] geen bezwaren heeft tegen dit besluit. Het daartegen van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

De aanduiding "Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied"

33. [appellant sub 11] betoogt dat voor zijn perceel, plaatselijk bekend als perceel [locatie 11], ten onrechte de gebiedsaanduiding "Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" in het plan is opgenomen. Volgens hem is voornoemde gebiedsaanduiding willekeurig aan percelen toegekend, nu diverse percelen in de directe omgeving die gelegen zijn binnen de ecologische hoofdstructuur deze gebiedsaanduiding niet hebben gekregen. [appellant sub 11] vreest als gevolg van voornoemde gebiedsaanduiding beperkt te worden in de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel hetgeen volgens hem tot een waardedaling daarvan leidt.

33.1. De raad stelt dat de wijzigingsbevoegdheid met voornoemde gebiedsaanduiding overeenkomstig de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening) is opgenomen voor gronden gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur, maar die thans niet als natuur zijn ingericht. Voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is de voorwaarde opgenomen dat de natuurontwikkeling alleen geschiedt op basis van vrijwillige medewerking van de grondeigenaren. De belangen van [appellant sub 11] worden volgens de raad dan ook niet geschaad door het toekennen van de gebiedsaanduiding.

33.2. Het perceel [locatie 11] heeft, voor zover van belang, de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap", de dubbelbestemming "Waarde - Attentiegebied EHS" en de gebiedsaanduiding "Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied".

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a en h, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik en het ontwikkelen van nieuwe natuur ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied".

Ingevolge artikel 7, lid 7.6, onder 7.6.8, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap" wijzigen in de bestemming "Natuur" en/of "Water" ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" onder de voorwaarden dat:

a. de inrichting van de gronden tot natuur of water geen onevenredige belemmering vormt voor het gebruik van de belendende agrarische percelen; b. de natuurontwikkeling op deze gronden enkel geschiedt op basis van vrijwillige medewerking van de grondeigenaren.

33.3. Zoals in r.o. 24.2 overwogen heeft de Afdeling eerder in de uitspraak van 7 november 2012 in zaak nr. 201105458/1/R4 overwogen dat het niet past in het stelsel van de Wro dat een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat waarbij het gebruik van die bevoegdheid door het college van burgemeester en wethouders afhankelijk wordt gesteld van voorafgaande instemming van de gerechtigden ten aanzien van de gronden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 7, lid 7.6, onder 7.6.8, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het besluit van 10 april 2012 dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de aanduiding "Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" is vastgesteld voor het perceel [locatie 11].

Gelet hierop behoeven de overige tegen voornoemde aanduiding aangevoerde beroepsgronden geen bespreking meer.

Fietspad

34. [appellant sub 11] betoogt dat de voor het perceel plaatselijk bekend als N225 vastgestelde bestemming "Verkeer - Onverhard" geen recht doet aan het huidige gebruik van het perceel als fietspad. Volgens hem komt voornoemde bestemming voorts niet overeen met de beantwoording van zijn zienswijze.

34.1. In reactie op het betoog van [appellant sub 11] heeft de raad toegelicht dat abusievelijk voor een klein deel van het perceel N225 de bestemming "Verkeer - Onverhard" in plaats van de bestemming "Verkeer - verkeer" op de verbeelding is opgenomen en dat dit zal worden gecorrigeerd in de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 is genomen in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid bij het voorbereiden van een besluit. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij voor het desbetreffende deel van het perceel N225 de bestemming "Verkeer - Onverhard" is vastgesteld.

Het ontwikkelplan

35. Met de vaststelling van het ontwikkelplan heeft de raad onder meer beoogd het in rechtsoverweging 34.1 geconstateerde gebrek te herstellen. Het besluit van 26 november 2013 is daarmee ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding.

[appellant sub 11] heeft in zijn zienswijze te kennen gegeven dat hij zich met het besluit van 26 november 2013 kan verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 11] tegen het ontwikkelplan geacht worden te zijn ingetrokken.

Het beroep van [appellant sub 10] en anderen

36. [appellant sub 10] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij voor het gehele perceel [locatie 12] een agrarisch bouwblok is opgenomen ten behoeve van een intensieve veehouderij. Zij betogen dat het plan daarmee ten onrechte de mogelijkheid biedt voor het ter plaatse aanwezige mestvarkensbedrijf om van een nevenbedrijf naar een volwaardig agrarisch bedrijf uit te groeien. [appellant sub 10] en anderen vrezen als gevolg hiervan een onaanvaardbare verslechtering van hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen hierbij op de uitstoot van ammoniak, stankoverlast, geluidoverlast en de gevolgen voor de volksgezondheid gezien de korte afstand tussen het mestvarkensbedrijf en de ter plaatse aanwezige woningen. [appellant sub 10] en anderen vrezen gezien het vrachtwagenverkeer ten behoeve van de intensieve veehouderij voorts verkeersonveilige situaties op de provinciale weg.

[appellant sub 10] en anderen betogen dat uitbreiding van het mestvarkensbedrijf vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is gezien de grootte van het perceel, de invloed op het kleinschalige cultuurlandschap en de afstand tot natuurgebied "De Geelders". Volgens hen voldoet het perceel [locatie 12] niet aan het begrip duurzame locatie zoals gedefinieerd in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening Ruimte).

36.1. De raad stelt dat de omvang en vorm van het bouwblok voor het perceel [locatie 12] geheel overeenkomstig het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" is toegekend. Voorts is op 5 juni 2012 een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen en uitbreiden van een vleesvarkenshouderij. Volgens de raad is sprake van een reëel agrarisch bedrijf en is de continuïteit hiervan aannemelijk. Milieuhygiënische aspecten en aspecten als de ontsluiting van het desbetreffende perceel worden in het kader van vergunningverlening bezien, waarna op dat moment een afweging ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid wordt gemaakt, aldus de raad.

36.2. Aan het perceel [locatie 12] zijn, voor zover van belang, de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", de dubbelbestemming "Waarde - Kleinschalig cultuurlandschap", en de functieaanduiding "intensieve veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, sub 2, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat intensieve veehouderijbedrijven uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge lid 4.2, aanhef en onder a, mogen op de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van een doelmatig, reëel agrarisch bedrijf waarbij geldt dat overtollige of leegstaande bebouwing en reeds verstrekte vergunningen worden betrokken bij de beoordeling van de doelmatigheid en noodzaak van de bebouwing.

36.3. Vast staat dat het gehele perceel [locatie 12], gelet op artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder a, van de planregels en nu geen maximaal bebouwingspercentage in de planregels is opgenomen, kan worden benut voor de uitbreiding van bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" had het perceel [locatie 12] de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" en de aanduiding "intensieve veehouderij toegestaan". In de bijbehorende voorschriften was bepaald dat op gronden met deze bestemming en aanduiding de exploitatie van een intensieve veehouderij was toegestaan en bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf kon worden opgericht, waarbij geen maximaal bebouwingspercentage was bepaald.

Gelet hierop is met het onderhavige plan aangesloten bij het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" en bieden de plannen ongeveer dezelfde gebruiks- en bouwmogelijkheden.

36.4. Op het perceel [locatie 12] wordt thans een mestvarkensbedrijf met ongeveer 800 mestvarkens geëxploiteerd overeenkomstig de hiervoor verleende vergunning van 3 september 2002. Wekelijks vindt door middel van vrachtwagens de aanvoer van biggen en de afvoer van varkens plaats. Voorts wordt wekelijks voer aangeleverd en wordt één dan wel twee keer in de maand mest afgevoerd. Grote vrachtwagens kunnen, gezien de ontsluiting van het perceel door een smalle oprit, vanaf de provinciale weg de draai op het perceel thans niet maken en rijden achterwaarts het perceel op.

Bij besluit van 5 juni 2012 is op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van de veestapel tot 1.940 mestvarkens en de oprichting van een nieuwe stal.

36.5. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 10] en anderen dat uitbreiding van het mestvarkensbedrijf een nadelige invloed heeft op het kleinschalige cultuurlandschap ter plaatse en op het natuurgebied "De Geelders" overweegt de Afdeling als volgt.

De voor "Waarde - Kleinschalig cultuurlandschap" aangewezen gronden zijn gelet op artikel 40, lid 40.1, van de planregels mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de aanwezige samenhangende cultuurhistorische waarden waaronder de kavelstructuur met bijbehorende begroeiing, zandwegenstructuur en rabatten/slotenpatroon. In het deskundigenbericht staat dat de kleinschaligheid van het landschap ter plaatse als gevolg van het plan niet zal worden aangetast, nu weliswaar extra bebouwing kan worden opgericht, maar verandering van verkaveling niet mogelijk is. In hetgeen [appellant sub 10] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre onjuist te achten.

Het natuurgebied "De Geelders" is op een afstand van ongeveer 460 m van het perceel [locatie 12] gelegen. Gelet hierop en gezien de grootte van voornoemd perceel van nog geen 1,5 hectare hebben [appellant sub 10] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het plan op dit punt dient te worden gevreesd voor een onaanvaardbare aantasting van het natuurgebied "De Geelders".

De betogen falen in zoverre.

36.6. Voor zover [appellant sub 10] en anderen betogen dat het perceel [locatie 12] niet is aan te merken als een duurzame locatie als bedoeld in de Verordening Ruimte, overweegt de Afdeling dat uit het bepaalde in artikel 9.3, eerste lid, onder d, van de Verordening Ruimte volgt dat bouwblokken voor intensieve veehouderijen gelegen in een verwevingsgebied die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare mogen uitbreiden op een duurzame locatie. Nu het plan niet voorziet in de uitbreiding van een bouwblok, is in zoverre geen sprake van strijdigheid van het plan met de Verordening Ruimte.

Het betoog faalt.

36.7. Het deskundigenbericht vermeldt dat indien de bouwmogelijkheden op grond van voornoemde omgevingsvergunning worden benut, op het perceel nog ruimte resteert om bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf te realiseren. Het deskundigenbericht vermeldt voorts dat de in het plan voorziene uitbreiding van het mestvarkensbedrijf voor enkele appellanten tot gevolg heeft dat de agrarische bedrijfsbebouwing dichter bij hun woningen komt te staan. De woningen van [appellant sub 10] en anderen zijn thans op een afstand van minimaal 45 m en maximaal 112 m afstand van het perceel [locatie 12] gelegen.

In het deskundigenbericht staat dat weliswaar bij het verlenen van de omgevingsvergunning van 5 juni 2012 de gevolgen van de uitbreiding van het mestvarkensbedrijf op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 10] en anderen zijn bezien, maar dat de raad in het kader van het plan geen aparte afweging heeft gemaakt ten aanzien van de gevolgen van de in het plan geboden maximale gebruiks- en bouwmogelijkheden. Voorts zijn de gevolgen van deze maximale planologische mogelijkheden voor de verkeersveiligheid ter plaatse niet onderzocht.

36.8. De raad heeft desgevraagd eerst ter zitting toegelicht dat gelet op de mogelijkheden die het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" bood en de ligging van het perceel in een verwevingsgebied, verkleining van het agrarische bouwblok niet voor de hand lag en hij de in het plan voorziene uitbreiding van het mestvarkensbedrijf gezien de uitkomsten van de onderzoeken in het kader van voornoemde omgevingsvergunning ruimtelijk aanvaardbaar acht. Bij de omgevingsvergunning die is vereist voor het benutten van de overige in het plan opgenomen gebruiks- en bouwmogelijkheden kunnen volgens de raad de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 10] en anderen en voor de verkeersveiligheid ter plaatse worden bezien.

Naar het oordeel van de Afdeling miskent de raad hiermee dat reeds bij de vaststelling van het plan dient te worden bezien of de daarin geboden maximale mogelijkheden ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Dit klemt te meer gezien de korte afstand waarop de woningen van [appellant sub 10] zijn gelegen en de verkeerssituatie ter plaatse. Het had op de weg van de raad gelegen om inzichtelijk te maken hoe voornoemde aspecten zijn betrokken bij de vaststelling van het plan. De enkele verwijzing naar de procedure omtrent de omgevingsvergunning is hiertoe onvoldoende.

In hetgeen [appellant sub 10] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling gelet op het voorgaande aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 april 2012 in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover de plandelen die betrekking hebben op het perceel [locatie 12] zijn vastgesteld.

Proceskosten

37. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 9], [appellant sub 7], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 5] en [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 8], [appellant sub 12], [appellant sub 3] en [appellant sub 10] en anderen dient de raad op na te melden wijze te worden veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten. De Afdeling ziet aanleiding ten aanzien van [appellant sub 5] en [appellant sub 4] een wegingsfactor 0,5 toe te passen als bedoeld in de bijlage genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu de beroepschriften van appellanten gelijkluidend zijn, opgesteld zijn door dezelfde beroepsmatige rechtsbijstandverlener en appellanten zich ook op de zitting door deze zelfde beroepsmatige rechtsbijstandverlener hebben laten bijstaan. Het laatste gaat eveneens op voor de beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 8].

Ten aanzien van [appellant sub 11] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 7], handelend onder de naam [appellant sub 7], voor zover gericht tegen de bij besluit van 10 april 2012 vastgestelde plandelen die betrekking hebben op haar gronden en zijn gewijzigd bij besluit van 26 november 2013, alsmede de beroepen van [appellant sub 6], [appellant sub 8] voor zover gericht tegen het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied van soorten van half-open landschap" en de in artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.9, van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid voor zover betrekking hebbend op de percelen kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie B, nummer [....] en sectie B, nummer [....], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 10 april 2012, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 10 april 2012, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" is vastgesteld, ten aanzien van het beroep van:

a. [appellant sub 1], voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 1];

b. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BPG Boxtel [appellant sub 2] Bouwmaterialen B.V., voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 2];

c. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], voor zover het betreft de functieaanduiding "bedrijf aan huis" voor het perceel [locatie 4];

d. [appellant sub 7], handelend onder de naam [appellant sub 7], voor zover het betreft de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" voor het perceel [....], voor zover dit perceel niet is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied Ontwikkelplan 2013";

e. [appellant sub 13] en [appellant sub 14], voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en onder meer de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 4], alsmede het plandeel met de bestemming "Verkeer - Onverhard" voor zover dat betrekking heeft op het perceel, kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie N, nummer [...];

f. [appellant sub 5] en [appellant sub 4], wat betreft de plandelen die betrekking hebben op de percelen kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie G, nummer […] en sectie G, nummer […];

g. [appellant sub 8] en [appellant sub 6], wat betreft de plandelen die betrekking hebben op de percelen kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie B, nummer [....] en sectie B, nummer [....];

h. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], wat betreft de plandelen die betrekking hebben op het perceel kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie H, nummer […];

i. [appellant sub 3], voor zover het betreft het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2" over het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op de gronden aan de Donders ongenummerd, alsmede het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" voor de gronden aan de Donders ongenummerd, alsook artikel 42, lid 42.2, onder 42.2.1, van de planregels, voor zover de zinsnede "zonder een omgevingsvergunning" hierin ontbreekt;

j. [appellant sub 11], voor zover het betreft het plandeel met de gebiedsaanduiding "Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" voor het perceel plaatselijk bekend als [locatie 11], alsmede het plandeel met de bestemming "Verkeer - Onverhard" voor zover gelegen over een deel van het perceel plaatselijk bekend als N225;

k. [appellant sub 10] en anderen, handelend onder de naam buurtschap Langenberg en Schijndelsedijk, wat betreft de plandelen die betrekking hebben op het perceel [locatie 12];

IV. bepaalt dat artikel 42, lid 42.2, onder 42.2.1, aanhef, van de planregels als volgt komt te luiden: "Het is verboden om op of in de voor "Waarde - Leefgebied van half-open cultuurlandschap" aangewezen gronden de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken, zonder een omgevingsvergunning uit te voeren";

V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft onderdeel IV in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 7], handelend onder de naam [appellant sub 7], tegen het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 26 november 2013 gegrond;

VII. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 26 november 2013, voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Open akkercomplex" is toegekend aan de percelen [....] en [....];

VIII. draagt de raad van de gemeente Boxtel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III, IV en VII worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IX. verklaart het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 26 november 2013 ongegrond;

X. veroordeelt de raad van de gemeente Boxtel tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 1.257,78 (zegge: twaalfhonderdzevenenvijftig euro en achtenzeventig cent), waarvan een bedrag van € 1217,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 1];

b. € 1.257,78 (zegge: twaalfhonderdzevenenvijftig euro en achtenzeventig cent), waarvan een bedrag van € 1217,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BPG Boxtel [appellant sub 2] Bouwmaterialen B.V.;

c. € 1.257,78 (zegge: twaalfhonderdzevenenvijftig euro en achtenzeventig cent), waarvan een bedrag van € 1217,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 7], handelend onder de naam [appellant sub 7];

e. € 82,28 (zegge: tweeëntachtig euro en achtentwintig cent), aan [appellant sub 13] en € 82,28 (zegge: tweeëntachtig euro en achtentwintig cent), aan [appellant sub 14];

f. € 526,68 (zegge: vijfhonderzesentwintig euro en achtenzestig cent), waarvan € 487,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 5] en € 526,68 (zegge: vijfhonderzesentwintig euro en achtenzestig cent), waarvan € 487,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 4];

g. € 283,18 (zegge: tweehonderddrieëntachtig euro en achttien cent), waarvan € 243,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 8] en € 283,18 (zegge: tweehonderddrieëntachtig euro en achttien cent), waarvan € 243,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 6];

h. € 527,28 (zegge: vijfhonderdzevenentwintig euro en achtentwintig cent), waarvan een bedrag van € 487,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

i. € 1217,50 (zegge: twaalfhonderzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 3];

j. € 40,28 (zegge: veertig euro en achtentwintig cent), aan [appellant sub 10] en anderen, handelend onder de naam buurtschap Langenberg en Schijndelsedijk, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

XI. gelast dat de raad van de gemeente Boxtel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 1];

b. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BPG Boxtel [appellant sub 2] Bouwmaterialen B.V.;

c. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 7], handelend onder de naam [appellant sub 7];

e. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 14] en € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 13];

f. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 5] en € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 4];

g. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 8] en € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 6];

h. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

i. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 3];

j. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 11];

k. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 10] en anderen, handelend onder de naam buurtschap Langenberg en Schijndelsedijk, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Verhoeven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2014

690-528.