Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201311440/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 13 maart 2014 heeft de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van 31 oktober 2013, kenmerk REO 13.056974, voor zover het het plandeel met de bestemming "Verkeer" met inbegrip van de functieaanduiding "verkeer-openbaar vervoer" betreft, zoals nader aangegeven op de bij die uitspraak behorende kaart en het besluit van het college van 15 november 2013, kenmerk HZ_WABO-13-06400, geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311440/3/R2.

Datum uitspraak: 13 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:

de raad van de gemeente en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verzoekers,

om opheffing of wijziging (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) van de bij uitspraak van 13 maart 2014, in zaak nr. 201311440/2, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen onder meer:

[wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij]), gevestigd te Amsterdam,

en

de raad van de gemeente Utrecht.

Procesverloop

Bij uitspraak van 13 maart 2014 heeft de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van 31 oktober 2013, kenmerk REO 13.056974, voor zover het het plandeel met de bestemming "Verkeer" met inbegrip van de functieaanduiding "verkeer-openbaar vervoer" betreft, zoals nader aangegeven op de bij die uitspraak behorende kaart en het besluit van het college van 15 november 2013, kenmerk HZ_WABO-13-06400, geschorst.

De raad en het college hebben de voorzitter verzocht deze voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 mei 2014, waar [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. C. Oude Elferink, bijgestaan door mr. B.S. Friedberg, mr. B.A.J. Haagen en mr. A.R. Klijn, allen advocaat te Amsterdam, en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, mr. P.H. Meijer en drs. I.E. Vliegenberg zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

Ingevolge het tweede lid kan een belanghebbende die door de voorlopige voorziening rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, een verzoek om opheffing of wijziging doen.

3. Het bestreden besluit van 31 oktober 2013 en het besluit van 15 november 2013 zijn met toepassing van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

4. Het op 31 oktober 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Van Sijpesteijnkade, Westflank Noord-HOV, Stationsgebied" (hierna: het plan) voorziet in de ontwikkeling van het gebied Westflank Noord te Utrecht tot een gemengd gebied met woningen, kantoren en voorzieningen en een Hoogwaardig Openbaar Vervoer (hierna: HOV)-verbinding met viaduct die geschikt is voor trams en bussen. Verder voorziet het plan in bebouwing aan de Van Sijpesteijnkade. Het plangebied ligt direct ten westen van het station Utrecht Centraal en ten noorden van het Jaarbeursplein.

5. Bij de uitspraak van 13 maart 2014 heeft de voorzitter het besluit van de raad van 31 oktober 2013 tot vaststelling van het plan geschorst voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" met inbegrip van de functieaanduiding "verkeer-openbaar vervoer", zoals nader aangegeven op de bij die uitspraak behorende kaart. De voorzitter heeft eveneens het besluit van het college van 15 november 2013 tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van het HOV-viaduct en de daartoe benodigde voorbereidende werkzaamheden geschorst.

Bij voornoemde uitspraak heeft de voorzitter overwogen dat de beoordeling van de door [wederpartij] aangedragen aspecten nader onderzoek vergt, waarvoor deze procedure zich niet leent. De voorzitter wees op de verwachting dat de uitspraak in de hoofdzaak binnen afzienbare termijn zal worden gedaan en heeft gelet op de betrokken belangen voornoemde voorlopige voorziening getroffen.

6. De raad en het college hebben om opheffing van de schorsing verzocht, omdat, nu bekend is dat de zitting in de hoofdzaak op 3 september 2014 zal plaatsvinden, zij niet langer verwachten dat voor november 2014 uitspraak in de hoofdzaak zal zijn gedaan. Zij stellen dat een groot maatschappelijk belang is gediend bij het tijdig realiseren van het HOV-viaduct. Volgens hen moet uiterlijk 1 oktober 2014 worden gestart met de bouw van het HOV-viaduct, teneinde vertraging van de bouw van het Stationsplein Oost en van de aanleg van de Uithoflijn te voorkomen.

7. Zoals de voorzitter in de uitspraak van 13 maart 2014 reeds heeft overwogen, vergt de beoordeling van de door [wederpartij] tijdens de behandeling van haar verzoek om voorlopige voorziening aangedragen aspecten nader onderzoek waarvoor ook deze procedure zich niet leent. De vraag of vooruitlopend op die beoordeling de getroffen voorlopige voorziening moet worden opgeheven, zal dan ook worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging.

De belangen van [wederpartij] zijn met name gelegen in de gevreesde overlast en schade die het HOV-viaduct met zich kan brengen. Het belang van de raad en het college is gelegen in het op 1 oktober 2014 kunnen beginnen met de aanleg van het HOV-viaduct, teneinde vertraging en de gevolgen daarvan te voorkomen.

De voorzitter acht het belang van [wederpartij] bij het geschorst laten van het besluit ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen, groter dan het belang van de raad en het college om reeds nu meer duidelijkheid te hebben omtrent de mogelijke aanvang van de aanleg van het HOV-viaduct op 1 oktober 2014. De voorzitter acht daarbij van belang dat een daartoe tijdig gedaan nieuw verzoek om opheffing van de schorsing gelijktijdig met de hoofdzaak op 3 september 2014 ter zitting kan worden behandeld. De uitspraak op een dergelijk nieuw verzoek zal naar verwacht mag worden voor 1 oktober 2014 worden gedaan.

De voorzitter ziet in het voorgaande aanleiding om het verzoek om opheffing van de schorsing af te wijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2014

579-803.