Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2245

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201311050/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:19146, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft de minister een verzoek om nadeelcompensatie voor schade als gevolg van de onttrekking aan het openbaar verkeer van aansluiting 9 Zevenhuizen op de Rijksweg A12 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311050/1/A2.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zevenhuizen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 november 2013 in zaak nr. 13/6617 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft de minister een verzoek om nadeelcompensatie voor schade als gevolg van de onttrekking aan het openbaar verkeer van aansluiting 9 Zevenhuizen op de Rijksweg A12 afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. In artikel 12, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (de Regeling) is bepaald dat de minister een verzoek kan afwijzen, indien vijf jaren zijn verlopen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde, zowel met de schade, als met de omstandigheid dat deze schade is veroorzaakt door een schadeoorzaak, als bedoeld in artikel 2, eerste lid bekend is geworden en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis, waardoor de schade is veroorzaakt.

2. [appellant] heeft op 18 december 2012 verzocht om vergoeding van schade als gevolg van de onttrekking aan het openbaar verkeer van aansluiting Zevenhuizen op de Rijksweg A12.

3. Bij besluit van 18 februari 2013 heeft de minister het verzoek afgewezen, omdat het niet tijdig is ingediend. Het Wegaanpassingsbesluit A12 Zoetermeer-Gouda en het Koninklijk Besluit houdende onttrekking aan het openbaar verkeer van de bij het Rijk in beheer en onderhoud zijnde aansluiting Zevenhuizen op de A12 zijn op 2 februari 2007 onherroepelijk geworden. Vanaf die dag heeft [appellant] vijf jaar, tot 2 februari 2012, de gelegenheid gehad een verzoek in te dienen. Nu [appellant] zijn verzoek niet binnen deze termijn heeft ingediend, is zijn aanspraak verjaard.

4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister het verzoek om schadevergoeding terecht wegens verjaring op grond van artikel 12 van de Regeling heeft afgewezen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het te laat indienen van het verzoek op 18 december 2012 kunnen rechtvaardigen.

5. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank aldus heeft miskend dat hij bij brief van 17 augustus 2009 gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle een verzoek tot nadeelcompensatie heeft gedaan. Ook heeft hij per e-mail van 16 augustus 2011, gericht aan een ambtenaar van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle een verzoek tot nadeelcompensatie gedaan. In beide gevallen is het verzoek ten onrechte niet onverwijld doorgezonden. Als datum waarop het verzoek is ingediend, moet dan ook 17 augustus 2009, dan wel 16 augustus 2011 gelden. In beide gevallen is het verzoek tijdig ingediend. Het niet tijdig doorzenden van de aanvraag moet aan het college worden toegerekend. Gelet op deze bijzondere omstandigheid had de minister het verzoek alsnog inhoudelijk in behandeling moeten nemen en niet kunnen afwijzen omdat ten tijde van het indienen van het verzoek de termijn als bedoeld in artikel 12 van de Regeling was verstreken.

5.1. Ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.

5.2. In de brief van 17 augustus 2009 heeft [appellant] het college in zeer algemene bewoordingen verzocht om vergoeding van planschade en nadeelcompensatie voor het vervallen van de aansluiting Zevenhuizen op de A12. Bij brief van 24 december 2009 heeft het college aan [appellant] laten weten dat het verzoek om planschadevergoeding in behandeling zal worden genomen en is, onder meer, verzocht om het overleggen van aanvullende gegevens. Uit het verslag van de hoorzitting van 11 juni 2013 blijkt dat eerst door het in de planschadeprocedure overgelegde deskundigenadvies van 10 augustus 2011 voor partijen duidelijk is geworden dat niet alle schade als planschade kan worden aangemerkt en dat [appellant] voor een deel van de gestelde schade een verzoek om vergoeding van nadeel op grond van de Regeling kan doen. Anders dan [appellant] betoogt, vormde de brief van 17 augustus 2009 voor het college geen aanleiding tot onverwijlde doorzending van het verzoek om nadeelcompensatie, omdat uit die brief niet kon worden opgemaakt dat de minister kennelijk bevoegd was om te beslissen op het verzoek. In zoverre bestond er voor het college geen plicht tot onverwijlde doorzending.

Vervolgens heeft [appellant] bij e-mailbericht van 16 augustus 2011 het college medegedeeld dat hij in aanmerking wenst te komen voor nadeelcompensatie. Dit e-mail bericht, wat er verder ook van zij, kan, gelet op de zeer algemene bewoordingen ervan en het ontbreken van enige onderbouwing, niet aangemerkt worden als een verzoek om nadeelcompensatie op grond van de Regeling. Van belang is dat een ambtenaar van de gemeente in reactie daarop [appellant] op 16 augustus 2011 per mail heeft laten weten dat hij zijn verzoek moet indienen bij de minister en verwezen naar de website waarop de wijze van indiening staat vermeld. Vervolgens heeft [appellant] ruim vijftien maanden gewacht en pas op 18 december 2012 een verzoek op grond van de Regeling ingediend. Deze omstandigheid komt voor rekening van [appellant]. Gelet hierop kan de te late indiening van het verzoek om nadeelcompensatie [appellant] tegen worden tegengeworpen. Dat hij in de veronderstelling verkeerde nog ruim de tijd te hebben voor het indienen van een verzoek op grond van de Regeling, is geen aan dit geval verbonden specifieke omstandigheid die maakt dat de minister geen toepassing heeft kunnen geven aan artikel 12 van de Regeling. Dat het college geen informatie heeft verstrekt omtrent de mogelijkheid tot 2 februari 2012 een tijdig verzoek in te dienen, is daartoe evenmin voldoende, nu het daartoe niet gehouden was.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

299.