Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201310709/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:14482, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2013 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een beëdiging tot advocaat bij de Nederlandse Orde van Advocaten, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310709/1/A3.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2013 in zaak nr. 13/5127 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2013 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een beëdiging tot advocaat bij de Nederlandse Orde van Advocaten, afgewezen.

Bij besluit van 24 mei 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T.J. Sterkenburg, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

1.1. Ingevolge artikel 2 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: het Bjsg) worden met betrekking tot misdrijven als justitiële gegevens aangemerkt de in de artikelen 6 en 7 vermelde gegevens van zaken waarvan het proces-verbaal door het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad op grond van artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie in behandeling is genomen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, worden, voor zover van toepassing, als justitiële gegevens als bedoeld in artikel 2 aangemerkt: alle beslissingen die door het openbaar ministerie of de rechter zijn genomen, met uitzondering van:

1o. de beslissing tot niet vervolgen omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt;

2o. de beslissing tot niet vervolgen na vaststelling van een rechtmatige geweldsaanwending van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren.

1.2. Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van een VOG zijn de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2012 (Stcrt. 31 juli 2012, 16054).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de staatssecretaris ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS). Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven, ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

2. De rechtbank heeft vastgesteld dat in het JDS met betrekking tot [appellant] een zaak geregistreerd staat wegens primair verduistering in dienstbetrekking en subsidiair verduistering, gepleegd op 19 november 2010. Ingevolge artikel 35 van de Wjsg komt bewijskracht toe aan het JDS. Het is in deze bestuursrechtelijke procedure niet aan de staatssecretaris om zich een oordeel te vormen over de schuldvraag van [appellant] met betrekking tot deze gegevens. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over zijn onschuld blijft volgens de rechtbank derhalve buiten beschouwing. Daarbij betrekt de rechtbank dat de Afdeling (uitspraak van 22 juli 2009 in zaak nr: 200901285/1/H3) eerder heeft overwogen dat de enkele verdenking van een strafbaar feit, gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wjsg, voldoende grondslag kan bieden om een weigering als bedoeld in deze bepaling, op te baseren. De rechtbank concludeert dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag van [appellant] mocht uitgaan van de gegevens zoals deze ten tijde van de beslissing op bezwaar bekend waren in het JDS.

3. [appellant] betoogt dat op het moment van het beoordelen van de aanvraag zijn vervolging nog niet was aangevangen en dat hiervan evenmin melding was gemaakt in de justitiële documentatie. De aanvraag was de aanleiding voor de vervolging. Bovendien is de kans dat de vervolging leidt tot een veroordeling nihil. Gelet hierop is niet aan het objectieve criterium voldaan, aldus [appellant].

3.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat ten tijde van het besluit van 24 mei 2013 de vervolging reeds was aangevangen, nu aan [appellant] een transactie was aangeboden, bestaande uit een werkstraf, wegens verduistering in dienstbetrekking dan wel verduistering. Voorts is voor de vraag of aan het objectieve criterium is voldaan niet relevant of met betrekking tot een bepaald strafbaar feit een rechterlijke uitspraak is gedaan, aldus de staatssecretaris.

3.2. In het JDS staat dat het vermeende strafbare feit heeft plaatsgevonden op 19 november 2010 en dat op 15 oktober 2012 de beslissing is genomen een transactie aan te bieden. Op 27 december 2012 heeft [appellant] een aanvraag om afgifte van een VOG gedaan. Anders dan [appellant] stelt, was ten tijde van de aanvraag het proces-verbaal van het vermeende strafbare feit derhalve reeds door het openbaar ministerie in behandeling genomen en was hiervan bovendien melding gemaakt in de justitiële documentatie.

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201303672/1/A3) dient gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wjsg, een VOG te worden geweigerd indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat bij herhaling, gezien het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, in de weg zal staan aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd. Gelet op artikel 1, aanhef en onder e, en artikel 2, eerste lid, van de Wjsg, omvat de justitiële documentatie justitiële gegevens. Justitiële gegevens zijn krachtens artikel 1, aanhef en onder a, en artikel 2, tweede lid, van de Wjsg bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gegevens. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Bjsg behoren daartoe alle beslissingen van het openbaar ministerie met betrekking tot een misdrijf, met uitzondering van twee, hier niet aan de orde zijnde, categorieën beslissingen. Derhalve duidt het begrip "strafbare feiten" in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg niet slechts op strafbare feiten ter zake waarvan een rechterlijke veroordeling is uitgesproken, maar ook op strafbare feiten ter zake waarvan een beslissing tot dagvaarding of seponering of een andere beslissing van het openbaar ministerie is genomen. Dienovereenkomstig heeft de Afdeling eerder overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 januari 2013 in zaak nr. 201202911/1/A3) dat de enkele verdenking van een strafbaar feit de staatssecretaris, gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wsjg, voldoende grondslag kan bieden om daarop een weigering, als bedoeld in deze bepaling, te baseren. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het in deze bestuursrechtelijke procedure niet aan de staatssecretaris is om zich een oordeel te vormen over de schuldvraag van [appellant] en is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag van [appellant] mocht uitgaan van de gegevens zoals deze ten tijde van het besluit van 24 mei 2013 bekend waren in het JDS. Dat de officier van justitie bij brief van 15 april 2014 aan [appellant] heeft meegedeeld dat hij heeft besloten [appellant] niet (verder) te vervolgen omdat [appellant] door het gebeurde of de gevolgen daarvan is getroffen, maakt voornoemd oordeel niet anders, nu de staatssecretaris diende uit te gaan van de gegevens zoals deze ten tijde van het besluit van 24 mei 2013 bekend waren. Uit het JDS blijkt dat het openbaar ministerie op dat moment aanleiding zag voor het aanbieden van een transactie en derhalve niet voor een sepot.

Gelet op het vorenstaande wordt in het aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat niet aan het objectieve criterium is voldaan.

3.4. Voor zover [appellant] er in het kader van het subjectieve criterium op heeft gewezen dat hem geen transactie is aangeboden, in de vorm van een werkstraf van 120 uren, en dat de omstandigheden die hebben geleid tot het sepot ten tijde van het besluit van 24 mei 2013 reeds bij de staatssecretaris bekend hadden kunnen zijn en hadden moeten leiden tot verstrekking van de VOG, overweegt de Afdeling als volgt. Hiervoor is reeds overwogen dat de staatssecretaris mocht uitgaan van de gegevens zoals deze ten tijde van het besluit van 24 mei 2013 bekend waren in het JDS. Dit geldt ook bij de toetsing aan het subjectieve criterium. In de enkele ontkenning van [appellant] dat hem een transactie is aangeboden, behoefde de staatssecretaris dan ook geen aanleiding te zien nader onderzoek te doen naar de juistheid van de vermelding in het JDS dat een transactie was aangeboden. Voorts is van belang dat in het besluit van 27 februari 2013 staat dat [appellant] aanvoert dat de weigering van de VOG hem het recht op arbeid ontzegt, hij als gevolg van de gestelde valse aangifte veel hinder heeft ondervonden, hij aanzienlijke financiële schade heeft geleden en de financiële schade als gevolg van de weigering van de VOG alleen maar zal oplopen alsmede dat de staatssecretaris het belang van [appellant] bij toewijzing van de VOG erkent. Hieruit blijkt dat de staatssecretaris de omstandigheid dat [appellant] door het gebeurde of de gevolgen daarvan is getroffen - welke omstandigheid de officier van justitie ten grondslag heeft gelegd aan het sepot - heeft betrokken in de toetsing aan het subjectieve criterium. In de enkele verwijzing van [appellant] naar deze omstandigheid ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij verstrekking van de VOG. In dit verband is van belang dat bij de beoordeling van de vraag of een VOG kan worden verstrekt de bescherming van de samenleving centraal staat en dat in de strafrechtelijke procedure een geheel andere beoordeling plaatsvindt.

3.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de staatssecretaris in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

559.