Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201309824/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:15322, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309824/1/V3.

Datum uitspraak: 13 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 oktober 2013 in zaak nr. 13/14533 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 oktober 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2014, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.O. Kanhai en drs. H. Heinink, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.H. van Akenborgh, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit het doel en de systematiek van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) volgt dat artikel 11, derde lid, tweede alinea, van die richtlijn betrekking heeft op onderdanen van een derde land die, zoals de vreemdeling, hebben beschikt over een verblijfstitel overeenkomstig Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (PB 2004 L 261; hierna: Richtlijn 2004/81/EG), welke verblijfstitel vervolgens zijn gelding heeft verloren, en die niet langer legaal verblijf hebben in de desbetreffende lidstaat. Volgens de rechtbank is de Terugkeerrichtlijn namelijk uitsluitend van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen en ziet voormeld artikel 11, derde lid, tweede alinea, op omstandigheden van humanitaire of andere aard die aan de uitvaardiging van een inreisverbod of de handhaving van een reeds uitgevaardigd inreisverbod in de weg kunnen staan. Een richtlijnconforme uitleg van artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) brengt dan ook met zich dat dit artikelonderdeel geacht moet worden mede betrekking te hebben op een situatie als die van de vreemdeling en dat het inreisverbod in strijd met die bepaling tegen haar is uitgevaardigd, aldus de rechtbank.

2. In de enige grief, zoals ter zitting van de Afdeling nader toegelicht, klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank door aldus te overwegen niet heeft onderkend dat de vreemdeling ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod niet aan de aan haar opgelegde terugkeerverplichting had voldaan. Volgens de staatssecretaris heeft hij dan ook gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn, waarnaar in artikel 11, derde lid, tweede alinea, van die richtlijn is verwezen, terecht op 4 juni 2013 een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.

2.1. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van Richtlijn 2004/81/EG wordt voor de toepassing van die richtlijn onder "verblijfstitel" verstaan: iedere door een lidstaat verleende toestemming op grond waarvan het een onderdaan van een derde land die aan de bij deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voldoet, is toegestaan legaal op het grondgebied van die lidstaat te verblijven.

Volgens artikel 2, eerste lid, is de Terugkeerrichtlijn van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen.

Volgens artikel 3, aanhef en onder punt 2, wordt voor de toepassing van de Terugkeerrichtlijn onder "illegaal verblijf" verstaan: de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat, van een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in die lidstaat.

Volgens artikel 11, eerste lid, eerste alinea, aanhef en onder b, gaat het terugkeerbesluit gepaard met inreisverbod, indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan.

Volgens artikel 11, derde lid, tweede alinea, wordt tegen slachtoffers van mensenhandel aan wie een verblijfstitel is verstrekt overeenkomstig Richtlijn 2004/81/EG en die met de bevoegde autoriteiten samenwerken, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, eerste alinea, aanhef en onder b, en op voorwaarde dat zij geen bedreiging vormen voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, geen inreisverbod uitgevaardigd.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) vaardigt de staatssecretaris een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten.

Ingevolge het achtste lid kan de staatssecretaris in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Ingevolge artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 wordt tegen een vreemdeling geen inreisverbod uitgevaardigd, indien deze als slachtoffer- of getuige-aangever in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000.

2.2. Bij besluit van 24 januari 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking als genoemd in paragraaf B9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 verleend. De rechtbank heeft in hoger beroep onbestreden overwogen dat die verblijfsvergunning een overeenkomstig Richtlijn 2004/81/EG verstrekte verblijfstitel is.

Bij besluit van 14 maart 2013 heeft de staatssecretaris vorenbedoelde verblijfsvergunning met ingang van 31 januari 2013 ingetrokken en een aanvraag van de vreemdeling tot wijziging van vorenbedoelde beperking niet in behandeling genomen. In dit besluit staat ook dat de vreemdeling na bekendmaking daarvan niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat zij Nederland binnen 28 dagen moet verlaten. Het besluit van 14 maart 2013 staat in rechte vast.

De vreemdeling heeft op 15 april 2013 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 23 april 2013 heeft de staatssecretaris die aanvraag afgewezen. In dit besluit staat ook dat de vreemdeling na bekendmaking daarvan niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat zij Nederland binnen 28 dagen moet verlaten. Het besluit van 23 april 2013 staat in rechte vast.

2.3. De rechtbank is terecht ervan uitgegaan dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op een vreemdeling die in het bezit is van een geldige verblijfstitel als bedoeld in Richtlijn 2004/81/EG. Een vreemdeling die over een zodanige verblijfstitel beschikt, verblijft legaal op het grondgebied van Nederland, zoals ook is vastgelegd in artikel 2, aanhef en onder e, van Richtlijn 2004/81/EG.

De rechtbank is evenzeer terecht ervan uitgegaan dat ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod, toen de vreemdeling niet langer legaal in Nederland verbleef, de Terugkeerrichtlijn op haar van toepassing was. Hoewel niet in geschil is dat de vreemdeling op dat moment geen bedreiging vormde voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 11, derde lid, tweede alinea, van de Terugkeerrichtlijn en derhalve aan die voorwaarde was voldaan, heeft de rechtbank niet onderkend dat uit het bepaalde in dat artikelonderdeel volgt dat de in het daarin omschreven geval geldende verplichting geen inreisverbod uit te vaardigen niet van toepassing is, indien de desbetreffende vreemdeling niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan. Vaststaat dat de vreemdeling ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod geen gevolg had gegeven aan de haar laatstelijk in het besluit van 23 april 2013 opgelegde terugkeerverplichting. De staatssecretaris heeft gelet op het bepaalde in artikel 11, derde lid, tweede alinea, gelezen in verbinding met artikel 11, eerste lid, eerste alinea, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn reeds om die reden terecht op 4 juni 2013 een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 behelst geen onjuiste omzetting daarvan.

De enige grief slaagt reeds hierom.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris overigens aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inreisverbod toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris in de door haar naar voren gebrachte individuele omstandigheden ten onrechte geen aanleiding heeft gezien het inreisverbod niet uit te vaardigen.

Daartoe heeft de vreemdeling erop gewezen dat zij vreest voor represailles, zwanger is en medische klachten heeft. Volgens haar zijn daarin humanitaire redenen gelegen om af te zien van de uitvaardiging van het inreisverbod.

4.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 15 juni 2012 in zaak nr. 201201202/1/V4 overweegt de Afdeling dat uit de formulering van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 volgt dat de staatssecretaris bij de toepassing van die bepaling beoordelingsvrijheid toekomt. De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden nopen niet tot de conclusie dat de staatssecretaris in redelijkheid van de uitvaardiging van het inreisverbod had moeten afzien.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 oktober 2013 in zaak nr. 13/14533;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2014

714.