Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201309545/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-116, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Kop van Schouwen aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309545/1/R2.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rotterdam, en anderen,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-116, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Kop van Schouwen aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2014, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.D. Strookman en E.R. Osieck, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998 wijst onze Minister gebieden aan ter uitvoering van richtlijn 2009/147/1EG en de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstellingen behoren in ieder geval: b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voor zover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het derde lid kan de instandhoudingsdoelstelling bedoeld in het tweede lid mede betrekking hebben op doelstellingen ten aanzien van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied, anders dan vereist ingevolge de richtlijnen bedoeld in het tweede lid.

Ingevolge het vierde lid gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

2. Het gebied Kop van Schouwen is een duingebied in het westen van het eiland Schouwen-Duiveland. Het gebied is aangewezen voor verschillende habitattypen en -soorten, waaronder de nauwe korfslak en de noordse woelmuis. Het gebied is ongeveer 2.240 hectare groot.

3. [appellant] en anderen stellen dat uit het besluit niet duidelijk volgt of en hoe hun zienswijze inzake het buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied brengen van het deelgebied Biesterveld, is overgenomen.

3.1. De staatssecretaris stelt dat het aanwijzingsbesluit niet onduidelijk is en licht toe dat een deel van het deelgebied Biesterveld buiten het Natura 2000-gebied is gelaten en dat dit blijkt uit de bij het bestreden besluit gevoegde kaart. Voor het overige geldt de algemene exclaveringsformule zoals opgenomen in de toelichting van het bestreden besluit, aldus de staatssecretaris.

3.2. Uit de kaart bij het bestreden besluit blijkt dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] en anderen twee deeltjes van Biesterveld buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied zijn gelaten. In zoverre is dan ook tegemoet gekomen aan de zienswijze van [appellant] en anderen. Niet valt in te zien dat een en ander leidt tot een rechtsonzekere situatie. Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] en anderen ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

647.