Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201308993/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013, kenmerk nr. 41a, heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Liessel, 2e herziening" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/116
JBO 2014/138 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308993/1/R3.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Liessel, gemeente Deurne,

3. [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Deurne,

en

de raad van de gemeente Deurne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013, kenmerk nr. 41a, heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Liessel, 2e herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2014, waar [appellant sub 1 A], [appellante sub 1 B], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door M. van de Water, bijgestaan door mr. W. Krijger, [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B], beiden bijgestaan door A.M.J. Verkerk, en de raad, vertegenwoordigd door H.H. Moors, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

2. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de bestemmingen die zijn toegekend aan zijn perceel kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie G, nummer 4621, dat aan de noordzijde van het bedrijventerrein "Willige Laagt" grenst. Zo is volgens hem ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie hoog" toegekend. Volgens hem heeft het perceel geen (hoge) archeologische verwachtingswaarde en is de bestemming om die reden onnodig bezwarend. Verder wijst hij er op dat in het verleden de grond bebouwd is geweest en dat daardoor de gronden al verstoord zijn.

[appellant sub 1] kan zich voorts niet verenigen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Groen" die zijn toegekend aan het genoemde perceel. Hij wijst er op dat in een voorontwerp van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Willige Laagt" de bestemming "Bedrijf" aan zijn gronden was toegekend, dat de omliggende gronden al een bedrijfsbestemming hebben en dat de raad het perceel binnen een periode van tien tot vijftien jaar bij het bedrijventerrein zal betrekken. Als een bedrijfsbestemming niet mogelijk is, dient volgens [appellant sub 1] een agrarisch bedrijf mogelijk te worden gemaakt, inclusief de mogelijkheid om gebouwen op te richten, zoals een paardenstal.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op grond van de gemeentelijke archeologische waardenkaart en naar aanleiding van archeologisch bureau- en veldonderzoek in 2010 in het kader van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Willige Laagt", waarin het perceel lag, de aanduiding "archeologische waarden" aan het perceel is toegekend. Volgens de raad hoeft volgens bestendige jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, in zaaknr. 201207782/1/R1, voor het opnemen van een archeologische beschermingsregeling niet vereist te zijn dat archeologische sporen daadwerkelijk aanwezig zijn. Voldoende is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen.

[appellant sub 1] heeft niet gemotiveerd bestreden dat archeologische sporen in het gebied voorkomen. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie hoog" heeft kunnen toekennen aan het perceel. Het betoog faalt.

2.2. Ten aanzien van de bestemmingen "Agrarisch" en "Groen" stelt de raad zich op het standpunt dat het plan voornamelijk conserverend is. In het voorgaande plan was aan het perceel de bestemming "Agrarisch - dorpsgebied onbebouwd" en de bestemming "Groen" toegekend. Verder stelt de raad dat een bedrijfsbestemming, gelet op de geringe behoefte aan nieuwe ruimte op het bedrijventerrein, niet wenselijk is. In dit verband wijst hij op de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2012, in zaaknr. 201105502/1/R3, waarin reeds is overwogen dat onder meer wegens een gebrek aan behoefte om het bedrijventerrein uit te breiden, niet de bestemming "Bedrijf" aan het perceel behoefde te worden toegekend. Verder had het plandeel met de bestemming "Groen" in het vorige plan eveneens de bestemming "Groen". Dat het perceel van [appellant sub 1] aan één kant aan het bedrijventerrein Willege Laagt grenst behoeft volgens hem ook geen reden te zijn om het perceel een bedrijfsbestemming toe te kennen.

[appellant sub 1] heeft het voorgaande niet gemotiveerd bestreden. Verder heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat inmiddels behoefte is aan een uitbreiding van het bedrijventerrein. Nu het plan verder conserverend van aard is, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet de bestemmingen die het perceel onder het hiervoor geldende plan had, heeft kunnen voortzetten in het ter beoordeling staande plan. Het betoog faalt.

2.3. Over het mogelijk maken van een agrarisch bedrijf overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied bepaalt dat nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf niet is toegestaan. Ingevolge het vijfde en zesde lid van artikel 8.3 is hierop onder voorwaarden een uitzondering mogelijk. Niet gebleken is dat aan deze voorwaarden is voldaan. De raad heeft dan ook terecht niet een agrarisch bedrijf op het perceel mogelijk gemaakt. Voor zover [appellant sub 1] ter zitting heeft toegelicht dat hij in ieder geval een stal wenst voor de paarden die nu op het perceel worden geweid, overweegt de Afdeling dat in het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Niet gebleken is dat [appellant sub 1] een concreet initiatief voor een stal heeft ingediend. De raad heeft dan ook in redelijkheid zich op het standpunt kunnen stellen dat niet behoefde te worden voorzien in een stal op het perceel. Het betoog faalt.

2.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

3. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met de grenzen van het bestemmingsplan. Hij voert aan dat een deel van zijn bedrijfspercelen, met de kadastrale nummers T 506 en T 507, in het aan de orde zijnde plangebied ligt en een deel, met het kadastrale nummer T 587, binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Buitengebied". Volgens hem leidt dit tot de onwenselijke situatie dat voor zijn bedrijf verschillende planologische regimes van kracht zijn en had perceel T 587 in dit plan moeten worden opgenomen. Verder voert hij aan dat de bebouwing op het perceel T 587 onder het overgangsrecht is gebracht hetgeen de continuïteit van het bedrijf niet ten goede komt. Indien alle percelen binnen de grenzen van het voorliggende bestemmingsplan zouden liggen, kan het perceel efficiënter worden ingericht, geldt een eenduidige planregeling die rechtszeker is, wordt de ruimte zuiniger gebruikt, is geen nieuw bouwblok voor niet-agrarische activiteiten in het buitengebied nodig en kan verrommeling door buitenopslag in het buitengebied worden tegengegaan. Tot slot voert hij aan dat bij een efficiëntere indeling van het perceel, een deel daarvan kan worden ingezet voor natuur- en landschapsontwikkeling.

Verder voert [appellante sub 2] aan dat in artikel 4, lid 4.3, onder b, alleen wordt gesproken over de goothoogte en niet over de bouwhoogte, terwijl dit volgens hem wel de bedoeling is geweest van de raad.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de activiteiten op het buiten het plangebied liggende perceel van [appellante sub 2] nooit legaal zijn geweest. Tegen de activiteiten op het achterste deel van dat perceel is in het verleden handhavend opgetreden. Met betrekking tot het voorste deel van het achterterrein heeft het college van burgemeester en wethouders een gedoogbeschikking met een termijn tot 1 februari 2015 verleend. Verder stelt de raad dat bedrijvigheid op dit perceel, dat tot het buitengebied behoort, niet wenselijk is en dat [appellante sub 2] ook niet is opgekomen tegen de bestemming "Agrarisch" die aan dit perceel is toegekend in het kader van het bestemmingsplan "Buitengebied". Volgens hem is verder geen sprake van rechtsonzekerheid, nu duidelijk is wat beide bestemmingsplannen regelen voor de beide percelen.

Ten aanzien van artikel 4, lid 4.3, onder b, erkent de raad dat abusievelijk de bouwhoogte niet is vermeld.

3.2. Aan de percelen kadastraal bekend T 506 en T 507 zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 6" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming en aanduiding uitsluitend bestemd voor "een bouw- en transportbedrijf weg- en waterbouw".

3.3. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Niet is gebleken dat tussen de gronden in dit plangebied en het perceel T 587 dat in het plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied" ligt een zodanige samenhang bestaat dat de raad de begrenzing van dit plangebied niet zo heeft kunnen vaststellen en dit perceel in het voorliggende plan had moeten betrekken. De omliggende gronden, die eveneens zijn opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied", hebben het karakter van buitengebied en het perceel T 587 onderscheidt zich daar in ruimtelijk opzicht niet van. Dat op het voorste deel van dit perceel vooralsnog een, volgens de raad illegaal, bouwwerk staat, maakt niet dat de raad het perceel binnen de grenzen van het voorliggende plan had moeten betrekken. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat een rechtsonzeker regime ontstaat. Op het perceel T 587 rust de bestemming "Agrarisch" en het hiervoor geldende planologische regime is geregeld in het bestemmingsplan "Buitengebied". De enkele omstandigheid dat het perceel T 587 en de percelen binnen het plangebied tot één eigenaar behoren en dat [appellante sub 2] op het perceel T 587 een deel van zijn bedrijfsactiviteiten wenst uit te voeren, maakt niet dat een rechtsonzeker planologisch regime ontstaat of dat de raad het perceel T 587 bij dit plan had moeten betrekken. Het betoog faalt.

3.4. Ten aanzien van de bouwhoogte overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, lid 4.2.2, onder c, van de planregels mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,5 meter, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' een afwijkende maat is aangegeven.

Ingevolge het bepaalde onder d mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 7 meter, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' een afwijkende maat is aangegeven.

Ingevolge artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder b kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde onder 4.2.2 onder c. en d. ten behoeve van een grotere goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 6', indien het te gebruiken materieel dat vereist.

3.5. De raad heeft erkend dat abusievelijk het woord "bouwhoogte" niet is opgenomen in lid 4.3, onder b. De bepaling dient volgens hem te luiden "in 4.2.2 onder c. en d. ten behoeve van een grotere goot- en/of bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 6", indien het te gebruiken materieel dat vereist." Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

3.6. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

3.7. Nu [appellante sub 2] met de door de raad voorgestelde bepaling heeft ingestemd en niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het beroep van [appellant sub 3]

4. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch" die is toegekend aan zijn perceel kadastraal bekend sectie G, nummer 5008, aan de Tramweg te Liessel. Volgens hem had een woonbestemming of een uit te werken woonbestemming moeten worden toegekend aan dit perceel. Dit ligt in de lijn van het gemeentelijke beleid, dat is neergelegd in het integraal dorpsontwikkelingsplan (hierna: IDOP) en waarin het perceel is aangewezen als "zoeklocatie woningbouw lange termijn".

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het hier een overwegend conserverend plan betreft en de uitbreidingsruimte voor woningbouw afhankelijk is van gemeentelijke, regionale en provinciale woningbouwafspraken. Volgens de raad is het noodzakelijk om terughoudend om te gaan met het toekennen van nieuwe woonbestemmingen, omdat het migratiesaldo van Liessel nul is en het plan al voldoende ruimte biedt voor woningen voor de planperiode. Mocht er na de planperiode nog behoefte bestaan aan nieuwe woningen, dan zal worden beoordeeld of nieuwe woningen mogelijk kunnen worden gemaakt in de gebieden die als zoeklocaties zijn aangewezen. Verder wijst hij er op dat in het IDOP is vermeld dat weinig behoefte bestaat aan nieuwe woningen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in het gemeentelijk woningbouwprogramma 2012 - 2021 is aangegeven dat nog 108 woningen nodig zijn en dat dit aantal bijna bereikt is. Meer woningen zijn daarom niet nodig volgens hem en indien dit wel het geval zou zijn, kan in de woonbehoefte worden voorzien in de zoeklocaties voor de korte termijn. Voorts heeft de raad gesteld dat een concreet initiatief voor enkele woningen uitwisselbaar zou kunnen zijn tegen woningbouwprojecten die niet doorgaan, maar dat een dergelijk initiatief niet is ingediend.

4.2. Ter zitting is gebleken dat het perceel ruimte biedt aan ongeveer 40 woningen. Verder staat vast dat het perceel in het hiervoor geldende plan de bestemming "Agrarisch - dorpsgebied onbebouwd" had en dat woningbouw niet was toegestaan. Verder heeft [appellant sub 3] in het kader van het voorliggende plan geen concreet initiatief ingediend om woningen te bouwen. Voorts heeft [appellant sub 3] niet bestreden dat het plan reeds voorziet in het aantal woningen dat volgens het gemeentelijke woningbouwprogramma nodig is en dat geen behoefte bestaat aan meer woningen. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestaande bestemming kan worden voortgezet en dat het niet toekennen van een woonbestemming aan het hele perceel van [appellant sub 3] niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening kan worden geacht.

4.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Proceskosten

5. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 2] op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Deurne van 25 juni 2013, kenmerk nr. 41a, voor zover het artikel 4, lid 4.3, onder b, van de planregels betreft;

III. bepaalt dat artikel 4, lid 4.3, onder b als volgt komt te luiden: "In 4.2.2 onder c. en d. ten behoeve van een grotere goot- en/of bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 6", indien het te gebruiken materieel dat vereist";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. draagt de raad van de gemeente Deurne op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II tot en met IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] en [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] ongegrond

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Deurne tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Deurne aan [appellante sub 2] Bouw en Transport B.V. het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Helvoort

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

361.