Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201308584/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:4682, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor het gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Simpelveld (hierna: het perceel) als mortuarium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308584/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 5 augustus 2013 in zaak nr. 12/837 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld.

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor het gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Simpelveld (hierna: het perceel) als mortuarium.

Bij besluit van 22 mei 2008 heeft het college [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het verbouwen van de in het pand op het perceel gevestigde drukkerij tot mortuarium.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het college het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en ontheffing krachtens artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Simpelveld (hierna: de bouwverordening) verleend.

Bij uitspraak van 5 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 mei 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.Y. Gans, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.S.H. Meisen en mr. H.B.M. Verhoeven, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het inmiddels gerealiseerde bouwplan voorziet in het dichtmaken van gevelopeningen in de zijgevel van het pand op het perceel ten behoeve van het gebruik als mortuarium. Het pand was voorheen in gebruik als drukkerij. Het mortuarium is door de week geopend van 18.00 tot 18.30 uur en op zaterdag van 17.00 tot 17.30 uur. Op de bij het bouwplan behorende bouwtekeningen zijn geen parkeerplaatsen op het perceel ingetekend. Ter zitting heeft het college onweersproken gesteld dat op het perceel parkeergelegenheid is gecreëerd voor, afhankelijk van de wijze van parkeren, twee tot drie auto’s. Vast staat dat het bouwplan niet voorziet in realisering van voldoende parkeerplaatsen op het perceel. [appellant] exploiteert in het naastgelegen pand een frituurzaak/cafetaria.

2. Het college stelt zich in zijn verweerschrift in hoger beroep op het standpunt dat [appellant] geen procesbelang heeft, nu voor het dichtmaken van gevelopeningen in de zijgevel van het pand ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) geen omgevingsvergunning is vereist.

2.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de wet geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 1 wordt in bijlage II onder openbaar toegankelijk gebied verstaan: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor het publiek algemeen toegankelijk is.

2.2. Ter zitting is komen vast te staan dat tegen de zijgevel van het mortuarium het terras van de frituurzaak/cafetaria is gelegen. Dit terras ligt voor een deel op openbaar toegankelijk gebied. Dat brengt mee dat de zijgevel van het mortuarium is gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied. Dat dit terras gedeeltelijk in eigendom is van [appellant], leidt niet tot een ander oordeel, nu dat onverlet laat dat het terras voor het publiek algemeen toegankelijk is. Hieruit volgt dat het dichtmaken van de gevelopeningen gelet op artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II niet omgevingsvergunningvrij is. Het standpunt van het college dat [appellant] geen procesbelang heeft, wordt derhalve niet gevolgd.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het college, door in het besluit op bezwaar het standpunt in te nemen dat er voldoende parkeergelegenheid in de nabije omgeving van het mortuarium is, zeker nu het Oranjeplein en de Stationstraat opnieuw zijn ingericht en daar aanvullende parkeerplaatsen zijn gerealiseerd, toepassing heeft gegeven aan artikel 2.5.30, vierde lid, onder b, van de bouwverordening. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat besluit wegens de ontoereikende motivering daarvan niet in stand blijven.

4. Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel van de rechtbank, zodat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging van het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde overwegingen.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand heeft gelaten. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college heeft vastgehouden aan zijn standpunt dat geen sprake is van een parkeerprobleem ter plaatse en niet heeft gemotiveerd welke de bijzondere omstandigheden en overwegende bezwaren zijn, als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening. De rechtbank is, door te overwegen dat grond is gelegen in toepassing van die bepaling, buiten de omvang van het geschil getreden, aldus [appellant]. Verder voert zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid aan het belang van [vergunninghouder] doorslaggevende betekenis mocht hechten, gelet op de reeds bestaande verkeersoverlast en parkeerproblematiek ter plaatse, die door de ontheffing wordt verergerd. Verder heeft de rechtbank bij haar beoordeling ten onrechte niet in aanmerking genomen dat de bezoekers van het mortuarium aansluitend de nabijgelegen kerk bezoeken en dat de openingstijden van het mortuarium samenvallen met etenstijden en bezoek aan de frituurzaak, aldus [appellant].

5.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.

Ingevolge het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid:

a. indien het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodigde parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

5.2. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand gelaten. Zij heeft daartoe overwogen dat het college in zijn verweerschrift in beroep het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening vanwege de noodzaak van een mortuarium in de gemeente Simpelveld en de passende locatie nabij kerk, kerkhof en bushalte. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat het volgens het college onevenredig bezwarend is om van [vergunninghouder] meer parkeerplaatsen op het perceel te eisen dan hij reeds heeft gerealiseerd vanwege het kortdurend gebruik van het mortuarium. De rechtbank heeft, door vervolgens te overwegen dat deze omstandigheden de toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening in redelijkheid rechtvaardigen, laten blijken voormeld standpunt van het college te hebben getoetst. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden.

De rechtbank heeft echter niet onderkend dat het college niet draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening bevoegd is ontheffing te verlenen van de verplichting om op het perceel voldoende parkeergelegenheid te realiseren. De gestelde noodzaak van een mortuarium in de gemeente Simpelveld en de passende locatie nabij kerk, kerkhof en bushalte zijn geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in die bepaling. Dat de bezoeken aan het mortuarium maar van korte duur zijn, is evenmin een zodanige bijzondere omstandigheid. Deze omstandigheden brengen niet mee dat het realiseren van voldoende parkeergelegenheid op eigen perceel op overwegende bezwaren stuit. In de nadere motivering van het college in zijn verweerschrift in beroep heeft de rechtbank derhalve ten onrechte aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand te laten.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand zijn gelaten. Het college dient opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 2 november 2007 en 22 mei 2008 te beslissen, waarbij het, mits deugdelijk gemotiveerd, opnieuw krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, onder a of b, van de bouwverordening ontheffing van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel kan verlenen.

7. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8. Het college zal op na te melden wijze tot vergoeding in de kosten worden veroordeeld die bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep zijn opgekomen.

8.1. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van de reis-, verblijfs- en verletkosten die zij heeft gemaakt. Wat betreft de reis- en verblijfskosten wordt met toepassing van artikel 2, eerste lid, sub c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht uitgegaan van een vergoeding van onderscheidenlijk € 54,94 en € 15,16. De reiskosten worden vergoed op basis van de kosten per openbaar middel van vervoer. Wat betreft de verletkosten wordt met toepassing van het bepaalde onder sub d van voormeld artikel uitgegaan van de daadwerkelijke kosten van één medewerker voor zes uur voor het bijwonen van de zitting, hetgeen neerkomt op € 70,29.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 5 augustus 2013 in zaak nr. 12/837, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 mei 2011 in stand zijn gelaten;

III. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.114,39 (zegge: elfhonderdveertien euro en negenendertig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld aan [appellant] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

531-757.