Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2214

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201308508/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:5894, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2012 heeft het college zijn beslissing tot onmiddellijke ontmanteling op 10 januari 2012 van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Schiedam op schrift gesteld, de kosten van de ontmanteling ten laste van [wederpartij] gebracht en deze vastgesteld op € 3.530,55.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308508/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2013 in zaak nr. 12/4944 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Schiedam,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2012 heeft het college zijn beslissing tot onmiddellijke ontmanteling op 10 januari 2012 van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Schiedam op schrift gesteld, de kosten van de ontmanteling ten laste van [wederpartij] gebracht en deze vastgesteld op € 3.530,55.

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 oktober 2012 vernietigd, het besluit van 25 april 2012 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. Schauwaert, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1. [wederpartij] was ten tijde van de ontmanteling van de hennepkwekerij eigenaar van het pand aan de [locatie], dat hij aan een derde ter gebruik als woning verhuurde. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college [wederpartij] terecht als overtreder heeft aangemerkt en derhalve de kosten, verband houdend met de toepassing van bestuursdwang, ten laste van hem heeft mogen brengen.

2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [wederpartij] niet als overtreder kan worden aangemerkt omdat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist of kon weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt. Daartoe voert het aan dat de omstandigheid dat de huurovereenkomst met de derde via [makelaarskantoor] tot stand is gekomen, [wederpartij] als niet-professionele verhuurder niet van zijn verantwoordelijkheid ontslaat om zich te informeren over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt. Het college wijst er in dat verband op dat [wederpartij] op geen enkele wijze heeft aangetoond dat [makelaarskantoor] feitelijk als beheerder van het pand optrad. Voorts voert het college aan dat niet is gebleken dat controles ten aanzien van het gebruik van het pand hebben plaatsgevonden, terwijl enige alertheid was vereist nu de huurpenningen van € 1.150,00 contant werden betaald. Verder voert het college aan dat het [wederpartij] toe te rekenen is dat hij de identiteit van de huurster onvoldoende heeft vastgesteld, omdat hij niet om een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie heeft gevraagd, met behulp waarvan vastgesteld had kunnen worden dat haar identiteitsbewijs vals was.

2.1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010 in zaak nr. 200904180/1/H1 terecht als uitgangspunt genomen dat voor de vraag of [wederpartij] als overtreder aangemerkt kan worden van belang is of [wederpartij] wist, dan wel redelijkerwijs had kunnen weten, dat de woning als hennepkwekerij werd gebruikt. In dat verband heeft de rechtbank terecht overwogen dat van [wederpartij] mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheid dat [wederpartij] eigenaar is van het pand, niet reeds tot de conclusie leidt dat hij kan worden aangemerkt als overtreder.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [makelaarskantoor] in opdracht van [wederpartij] een huurster heeft aangedragen. De omstandigheid dat [wederpartij] [makelaarskantoor] heeft ingeschakeld voor de verhuur van het pand biedt geen grond voor het oordeel dat [wederpartij] als eigenaar en verhuurder van het pand niet langer de verantwoordelijkheid is blijven dragen voor de wijze waarop het pand wordt gebruikt. In de enkele stelling van [wederpartij] dat [makelaarskantoor] als beheerder van het pand is opgetreden, heeft de rechtbank ten onrechte aanleiding gezien voor een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat dit makelaarskantoor anders dan als tussenpersoon is opgetreden bij de totstandkoming van de huurovereenkomst tussen [wederpartij] en de derde, bijvoorbeeld door overlegging van een beheerovereenkomst. De enkele stelling dat [wederpartij] en [makelaarskantoor] mondeling een beheerovereenkomst zijn overeengekomen, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat [makelaarskantoor] het beheer van de woning van [wederpartij] heeft overgenomen. Daarbij wordt betrokken dat geen administratie van de inning door [makelaarskantoor] van de waarborgsom en de huurpenningen is overgelegd en dat evenmin is gebleken dat en wanneer [makelaarskantoor] de huurpenningen aan [wederpartij] heeft overgedragen.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat [wederpartij] de identiteit van de derde voldoende heeft vastgesteld. De rechtbank heeft weliswaar met juistheid overwogen dat van [wederpartij] als niet-professionele verhuurder niet kon worden gevergd dat hij een voor een leek normaal ogend identiteitsbewijs als vals herkende, maar de handtekening op het identiteitsbewijs en de handtekening op de huurovereenkomst vertonen geen enkele gelijkenis met elkaar, hetgeen extra alertheid van [wederpartij] vereiste. Daarbij wordt voorts betrokken dat [wederpartij] geen andere documenten van de huurster heeft gevorderd aan de hand waarvan haar identiteit kon worden gecontroleerd.

De rechtbank heeft verder de stelling van [wederpartij] dat [makelaarskantoor] de woning regelmatig heeft bezocht, ten onrechte aannemelijk gemaakt geacht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [wederpartij] volgens een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 11 januari 2012 van een verbalisant van de politie Rotterdam-Rijnmond heeft verklaard dat [makelaarskantoor] hem desgevraagd te kennen heeft gegeven dat er geen problemen met de verhuur waren en dat [makelaarskantoor] in november voor het laatst in de woning is geweest en daarbij niets vreemds of verdachts heeft geconstateerd. Gelet op de conclusie van een fraudespecialist van Stedin Netbeheer B.V. dat de hennepkwekerij ongeveer 91 dagen in bedrijf is geweest, te weten van 11 oktober 2011 tot 10 januari 2012, het proces-verbaal van bevindingen over de ontmanteling van de hennepkwekerij van 10 januari 2012 en de omvang van de hennepkwekerij in aanmerking genomen, wordt niet aannemelijk geacht dat de hennepkwekerij bij het betreden van de woning niet zou worden ontdekt.

De stelling van [wederpartij] dat hij het pand tweemaal aan de buitenkant heeft geïnspecteerd, wordt in het licht van het ontbreken van administratie over de betaling van de waarborgsom en de huurpenningen en gelet op de niet-afdoende vaststelling van de identiteit van de huurster, onvoldoende geacht voor het oordeel dat aannemelijk is dat [wederpartij] heeft voldaan aan zijn plicht om zich tot op zekere hoogte te informeren over het gebruik van het pand. Gelet daarop, heeft het college [wederpartij] terecht aangemerkt als overtreder en de kosten voor de toepassing van bestuursdwang terecht op hem verhaald. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van 9 oktober 2012 alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2013 in zaak nr. 12/4944;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

672.