Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2213

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201307914/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2012 heeft het college het urgentieverzoek van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307914/1/A3.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], mede voor hun minderjarige kinderen (hierna allen tezamen en in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 12 juli 2013 in zaak nr. 13/2003 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2012 heeft het college het urgentieverzoek van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2014, waar [appellant A], bijgestaan door mr. C. Forder, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Braeken en C. Schol, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland 2007 van de gemeente Haarlem (hierna: HVV) kan het college, als een woningzoekende en ingezetene van de regio Zuid-Kennemerland dringend behoefte heeft aan (andere) woonruimte, in de in de artikelen 15 en 16 omschreven gevallen op schriftelijk verzoek een urgentieverklaring verlenen.

Ingevolge het tweede lid komen woningzoekenden die zelf verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de ontstane woonproblematiek of die onvoldoende pogingen hebben gedaan om zelf een oplossing te vinden, niet in aanmerking voor een verklaring.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, kan de in artikel 14, eerste lid, bedoelde urgentie worden verleend indien er sprake is van een medische of een psychosociale klacht in relatie met de huidige woning, waaruit een dringende noodzaak tot (her)huisvesting op korte termijn voortvloeit. Deze noodzaak is alleen aanwezig als er sprake is van een levensbedreigende of maatschappelijk onaanvaardbare situatie.

Ingevolge artikel 29 kan het college deze artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van het in gebruik nemen of geven van woonruimte of het wijzigen van de woonruimtevoorraad leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Volgens bijlage II ‘Begripsomschrijvingen’, onder s, van de HVV wordt onder maatschappelijk onaanvaardbaar verstaan: de situatie waarin een ingezetene zich bevindt waarbij,

- het jongste kind minderjarig is en

- er zeer ernstige medische of psychische problemen zijn bij een van de gezinsleden, die door de huidige woonsituatie worden versterkt dan wel de huidige situatie onhoudbaar maken en

- verhuizen de enige oplossing is.

2. [appellant A] huurde een kamer in onderhuur bij [persoon]. Zijn vrouw en vier kinderen zijn na gezinshereniging bij hem in komen wonen. De verhuurder heeft daarop te kennen gegeven dat er teveel mensen in een te kleine ruimte wonen en dat [appellant] de woning diende te verlaten. [appellant] dreigde derhalve dakloos te worden.

3. Het college heeft aan het besluit van 5 april 2013 ten grondslag gelegd dat de woonsituatie van [appellant] niet maatschappelijk onaanvaardbaar is. Geen van de gezinsleden heeft medische of psychische problemen die door de huidige woonsituatie worden versterkt dan wel de huidige situatie onhoudbaar maken en waarbij verhuizen de enige oplossing is. De omstandigheid dat het gezin, bestaande uit zes personen, slechts de beschikking heeft over één kamer maakt de woonsituatie ongewenst, maar niet maatschappelijk onaanvaardbaar. Voorts is [appellant A] zelf verantwoordelijk voor de ontstane woonproblematiek. Hij had kunnen voorzien dat het woonprobleem zou ontstaan als hij zijn gezinsleden naar Nederland zou laten komen terwijl hij zich pas op 5 september 2011 had laten inschrijven als woningzoekende. Voorts is niet gebleken dat er reden is om [appellant] op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 29 van de HVV een urgentieverklaring toe te kennen, aldus het college.

4. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarden die de HVV stelt om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring. Voorts heeft zij overwogen dat de weigering een urgentieverklaring te verlenen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ten tijde van het besluit van 5 april 2013 stond nog niet vast dat de ouders hun verantwoordelijkheid voor de huisvesting van de kinderen niet konden of wilden nemen. Aangezien die verantwoordelijkheid primair bij de ouders ligt, bestond voor het college geen verplichting de kinderen te beschermen en daarvoor maatregelen te treffen. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012; ECLI:NL:HR:2012:BW5328. Er was dan ook geen aanleiding [appellant] door middel van een urgentieverklaring voorrang te verlenen boven andere woningzoekenden, aldus de rechtbank.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering een urgentieverklaring te verlenen in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Wanneer zij dakloos worden, zal Bureau Jeugdzorg de kinderen bij de ouders weghalen. Als er uitsluitend woonproblemen en geen pedagogische redenen zijn voor het uit huis plaatsen van kinderen, is het uit elkaar halen van een gezin een inbreuk op het gezinsleven. Dit kan worden voorkomen met het aanbieden van woonruimte of opvang, aldus [appellant].

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeente naast de verantwoordelijkheid van de ouders andere woonruimte te vinden, een aanvullende verantwoordelijkheid draagt. Hij stelt dat tijdens de hoorzitting bij de Commissie beroep- en bezwaarschriften reeds duidelijk was dat ontruiming aanstaande was. Hij wijst daarbij op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 30 mei 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6438). Uit die uitspraak volgt dat het niet nodig is dat de exacte datum van de feitelijke ontruiming vaststaat.

[appellant] onderkent dat een urgentieverklaring een uiterst middel is, maar hij betoogt dat de bevoegdheden en mogelijkheden van een gemeente ruimer zijn dan het kader waarvan de rechtbank is uitgegaan. Niet valt in te zien waarom de gemeente zich niet inspant voor het vinden van alternatieve woonruimte. De gemeente heeft de plicht om dakloosheid te voorkomen.

Tot slot doet [appellant] een beroep op artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest (hierna: ESH). Het Europees Comité inzake Sociale Rechten (hierna: ECSR) heeft zich op het standpunt gesteld dat bij uithuiszetting doorgaans op de overheid een plicht rust hulp te bieden om dakloosheid te voorkomen. Daarvoor heeft de overheid verscheidene instrumenten, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Woningwet en Huisvestingsverordeningen en de Wet werk en bijstand, aldus [appellant].

5.1. Niet in geschil is dat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarden van de HVV om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring.

5.2. Het beroep op artikel 31 van het ESH kan niet slagen, reeds omdat dit artikel naar zijn inhoud niet een ieder verbindt. Ook aan uitspraken van het ECSR, die de verdragsstaten niet rechtstreeks juridisch binden, kunnen geen aanspraken worden ontleend.

5.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201108977/1/A3), heeft artikel 8 van het EVRM als doel het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven en kunnen aan het effectief respecteren daarvan positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet, in zaken als deze, worden beoordeeld of in het besluit om een urgentieverklaring te weigeren een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling.

Met de rechtbank beantwoordt de Afdeling de vraag of zich in dit geval feiten of omstandigheden voordoen waaruit een positieve verplichting tot toewijzing van een urgentieverklaring voortvloeit, ontkennend. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat de verantwoordelijkheid voor het welzijn van kinderen pas toekomt aan de overheid, wanneer de ouders die verantwoordelijkheid niet of onvoldoende nemen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat ten tijde van het besluit van 5 april 2013 niet vaststond dat de ouders hun verantwoordelijkheid voor de huisvesting van de kinderen niet konden of wilden nemen. In tegenstelling tot in de zaak die heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak van 30 mei 2011 van de CRvB, lag ten tijde van het besluit van 5 april 2013 niet vast per wanneer [appellant] de woning diende te verlaten, zodat de verantwoordelijkheid van de huisvesting van de kinderen op dat moment nog bij de ouders lag. Door de weigering een urgentieverklaring te verlenen heeft het college het gezinsleven van [appellant] niet onmogelijk gemaakt. Het college heeft dan ook het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] om op de door hem gewenste wijze aan zijn gezinsleven vorm te geven. De rechtbank heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college door de weigering de door [appellant] gewenste urgentieverklaring te verlenen het recht op eerbiediging van het gezinsleven heeft geschonden.

5.4. Het college heeft ter zitting van 7 oktober 2013 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland toegezegd dat het sociaal wijkteam [appellant] zal begeleiden bij het vinden van vervangende woonruimte en dat noodopvang in Hoofddorp zal worden geboden wanneer het gezin feitelijk dakloos wordt. Ter zitting bij de Afdeling is gebleken dat inmiddels van die noodopvang gebruik wordt gemaakt. Het gezin is derhalve niet dakloos.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. R.F.B. van Zutphen, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

176-773.