Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2208

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201307713/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:5824, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de recreatiewoning op het perceel [plaats] te Schoorl.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.3a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307713/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Leiden (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 juli 2013 in zaak nr. 12/2219 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Schoorl,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de recreatiewoning op het perceel [plaats] te Schoorl.

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college het door onder meer [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 11 juli 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [wederpartij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [appellant A], bijgestaan door S.C.M. van Gemert, en het college, vertegenwoordigd door E. Visser, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Daar is voorts [wederpartij], bijgestaan door mr. J. Rutteman, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Eerste partiële herziening bestemmingsplan Duingebied" heeft het perceel de bestemming "Natuurgebied II".

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften mag op of in de op de gronden op de kaart bestemd tot "Natuurgebied II" niet worden gebouwd.

Ingevolge artikel 23, derde lid, mogen bestaande bouwwerken die hetzij door hun bestaan als zodanig, hetzij door hun afmetingen niet voldoen aan de bestemmingen van het plan of aan één of meer bepalingen van deze voorschriften, gedeeltelijk worden vernieuwd of gedeeltelijk worden veranderd met dien verstande dat:

a. zodanige vernieuwing of verandering geen wijziging van het gebruik ten doel heeft, tenzij het andere gebruik krachtens deze voorschriften is of kan worden toegestaan;

b. reeds bestaande afwijkingen ten aanzien van de in deze voorschriften genoemde dan wel op de plankaart gestelde maten niet mogen worden vergroot.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, wordt in deze voorschriften onder "bestaande bouwwerken" verstaan: bouwwerken die op het tijdstip van de ter visie legging van het ontwerp van het plan reeds bestaan.

Ingevolge artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

2. Vast staat dat de recreatiewoning op het perceel zonder de daartoe vereiste vergunning is opgericht en in stand wordt gelaten, zodat de rechtbank het college terecht bevoegd heeft geacht om daartegen handhavend op te treden wegens strijd met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij besluit van 31 juli 2012 afdoende heeft gemotiveerd dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, op grond waarvan het college van handhavend optreden ten aanzien van de aanwezigheid van de recreatiewoning op het perceel mocht afzien. Daartoe voert zij aan dat de recreatiewoning sinds de jaren '50 van de vorige eeuw op het perceel aanwezig is. Ter staving van deze stelling wijst zij op diverse verklaringen en foto's. Voorts stelt zij dat de bouw van de recreatiewoning ten tijde van de oprichting daarvan in overeenstemming was met de aan het perceel toegekende recreatieve bestemming. Tevens voert zij aan dat de recreatiewoning gedeeltelijk mag worden vernieuwd, waarna de woning geschikt is voor recreatief gebruik. Zij acht handhavend optreden onevenredig in verhouding tot het belang van degene die om handhavend optreden heeft verzocht, gelet op de langdurige aanwezigheid van de recreatiewoning op het perceel en in aanmerking genomen dat [wederpartij] pas ruim vijf jaar na het verwerven van het naastgelegen perceel in 2006 om handhaving heeft verzocht.

3.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2012 in zaak nr. 201107057/1/A1 heeft de rechtbank terecht overwogen dat zelfs wanneer zou worden aangenomen dat de recreatiewoning ten tijde van de ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan in 1971 reeds bestond en dus een gerechtvaardigd beroep op het overgangsrecht kan worden gedaan, dat onverlet laat dat het in stand houden van de woning in strijd is met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. In dat verband heeft de rechtbank terecht overwogen dat een geslaagd beroep op het overgangsrecht geen bouwvergunning vervangende titel verschaft en het bouwwerk evenmin anderszins legaliseert. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de recreatiewoning op het perceel in strijd is met artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften, heeft de rechtbank terecht geen concreet zicht op legalisering aanwezig geacht. In de enkele stelling van [appellante] dat zij in overleg is getreden met het college teneinde te komen tot vernieuwing van de recreatiewoning, dan wel nieuwbouw, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. De omstandigheid dat, zoals [appellante] en het college ter zitting van de Afdeling hebben gesteld, de recreatiewoning in het voorontwerp-bestemmingsplan "Duingebied" positief is bestemd, leidt voorts niet tot de conclusie dat ten tijde van het besluit op bezwaar concreet zicht op legalisering aanwezig was. Voorts wordt daarin geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat thans concreet zicht op legalisering aanwezig is, reeds nu het slechts een voorontwerp betreft.

De rechtbank heeft voorts aan de omstandigheid dat de recreatiewoning geruime tijd op het perceel aanwezig is, terecht niet de betekenis gehecht die [appellante] daaraan verbonden wil zien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 juli 2010 in zaak nr. 200909962/1/H3), brengt de enkele omstandigheid dat het college bekend was met de aanwezigheid van de zonder vergunning opgerichte recreatiewoning en geruime tijd daartegen geen handhavingsmaatregelen heeft gericht, niet met zich dat daartegen niet meer handhavend mag worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college in redelijkheid van handhavend optreden had behoren af te zien. De door [appellante] overgelegde verklaringen en foto's maken dat niet anders. De rechtbank heeft tevens terecht overwogen dat geen sprake is van een langdurig gelijkblijvende situatie, nu het college de vader van [appellante] vanwege zijn persoonlijke omstandigheden in 2010 toestemming heeft verleend om de woning tijdelijk in stand te laten, welke toestemming persoonsgebonden, object gerelateerd en niet overdraagbaar was en ten tijde van het besluit van 16 april 2012 was vervallen.

3.2. De rechtbank heeft verder terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het treffen van handhavingsmaatregelen in dit geval onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen belang. Er is geen sprake van een incidentele overtreding of een overtreding van zeer geringe aard en ernst. Nu geen concreet zicht op legalisering aanwezig is en ook anderszins niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, geeft het betoog van [appellante] dat zij de recreatiewoning wil vernieuwen om daarin te kunnen recreëren, geen grond voor het oordeel dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

672.