Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2204

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201307837/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2013 heeft de burgemeester aan [wederpartij] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning aan de [locatie] te 's-Hertogenbosch. Bij besluit van 26 april 2013 heeft de burgemeester dit huisverbod met achttien dagen verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/382 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307837/1/A3.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van 's-Hertogenbosch,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2013 in zaak nr. 262339 / FA RK 13-2207 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te ’s-Hertogenbosch,

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2013 heeft de burgemeester aan [wederpartij] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning aan de [locatie] te 's-Hertogenbosch. Bij besluit van 26 april 2013 heeft de burgemeester dit huisverbod met achttien dagen verlengd.

Bij uitspraak van 15 juli 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 16 en 26 april 2013 vernietigd en de burgemeester veroordeeld om aan [wederpartij] een bedrag van € 500,00 aan schadevergoeding te betalen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2014, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.B.A.M. Gerritse en

F.J.M. Merkx, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) wordt in deze wet onder huisverbod verstaan: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

2. De burgemeester heeft het besluit tot oplegging van het huisverbod gebaseerd op een door de Hulpofficier van Justitie (hierna: de HOvJ) ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) en een door de HOvJ op ambtseed opgemaakt proces-verbaal "bevindingen HOvJ voor beslissing huisverbod", beide van 16 april 2013. Volgens de burgemeester levert de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar op voor de veiligheid van zijn echtgenote en kinderen, althans bestaat daartoe een ernstig vermoeden. De burgemeester acht een tijdelijk huisverbod noodzakelijk in verband met het belang van de veiligheid van de echtgenote en de kinderen van [wederpartij], de gespannen gezinssituatie en de noodzaak van hulpverlening om de dreigende escalatie in de toekomst te voorkomen. Het belang van [wederpartij] bij het ongestoord genot van zijn woning en het contact met zijn echtgenote en kinderen heeft hij minder zwaarwegend geacht.

Aan het besluit tot verlenging van het huisverbod heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat uit een advies van het Steunpunt Huiselijk Geweld (hierna: het SHG) van 24 april 2013 (hierna: het advies) volgt, dat [wederpartij] niet heeft meegewerkt aan gesprekken bij het Algemeen Maatschappelijk Werk (hierna: het AMW) en het SHG. Volgens dat advies is bij [wederpartij] geen verandering in gedrag of denkwijze geconstateerd en maakt hij niet de indruk dat hij door de tijdelijke maatregel tot zelfreflectie en inzicht is gekomen. Gelet hierop heeft de burgemeester het belang van de echtgenote en de kinderen zwaarder laten wegen dan het belang van [wederpartij] om terug te keren naar de woning.

3. De rechtbank heeft de besluiten van 16 en 26 april 2013 vernietigd. Volgens de rechtbank was de burgemeester niet bevoegd tot het opleggen van het huisverbod en derhalve evenmin tot het verlengen van het huisverbod. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat [wederpartij] en zijn echtgenote over het incident op 15 april 2013 tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd waaruit de burgemeester ten onrechte heeft afgeleid dat de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van zijn echtgenote en kinderen althans dat een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar bestond.

Nu [wederpartij] een huisverbod heeft moeten dulden terwijl de burgemeester tot het opleggen ervan niet bevoegd was, is hij in zijn persoon aangetast en dient de burgemeester hem een bedrag van € 500,00 aan schadevergoeding te betalen, aldus de rechtbank.

4. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet bevoegd was tot het opleggen van een huisverbod. Hij voert hiertoe aan dat een ernstig en onmiddellijk gevaar bestond voor de veiligheid van één of meer personen dan wel daartoe een ernstig vermoeden bestond. Hieraan heeft hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet slechts de verklaring van de echtgenote van [wederpartij] ten grondslag gelegd. Het besluit is gebaseerd op een door de HOvJ ingevuld RiHG en een door hem op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, beide van 16 april 2013. Dit proces-verbaal is onder meer gebaseerd op de verklaring van [wederpartij] en het door de betrokken politieambtenaren, die op 15 april 2013 naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld ter plaatse zijn geweest, op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013, waarin onder meer de verklaringen van de echtgenote en een verklaring van de dochter van [wederpartij] zijn opgenomen. Daarnaast volgt uit dit proces-verbaal van bevindingen dat door de betrokken politieambtenaren bij de vijfjarige dochter daadwerkelijk letsel is geconstateerd, hetgeen de verklaring van de echtgenote over het geweld ondersteunt. Gelet op al deze informatie heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van zijn echtgenote en kinderen althans dat hij daartoe in redelijkheid een ernstig vermoeden kon hebben, aldus de burgemeester.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 6 februari 2013 in zaak nr. 201112454/1/A3 is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, dient de burgemeester zorgvuldig te overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester terughoudend getoetst.

4.2. Uit het RiHG volgt dat een huisverbod wordt opgelegd, indien een of meer beoordelingsmomenten leiden tot de conclusie: "hoog risico". In dit geval is de conclusie van het eerste beoordelingsmoment "geen/laag risico", van het tweede beoordelingsmoment "hoog risico" en van het derde beoordelingsmoment "geen/laag risico". Bij de toelichting in het RiHG is onder meer vermeld dat op 15 april 2013 bij de politie een melding binnen kwam van de broer van de echtgenote van [wederpartij], omdat zijn zus weer door haar man zou worden geslagen. Toen de politie bij de woning aankwam vertelde de echtgenote dat [wederpartij] haar en hun vijfjarige dochter had geslagen. De vijfjarige dochter had een verwonding op haar neus en vertelde dat haar vader haar en haar moeder had geslagen. Volgens de echtgenote had [wederpartij] gezegd dat hij als vader het recht heeft om zijn kind te slaan. Het geweld was ontstaan na een verstoring van de rust door de kinderen. De echtgenote was met de kinderen in de slaapkamer gaan zitten om [wederpartij] niet in zijn rust te storen. Dit was niet gelukt, waardoor een ruzie ontstond. Volgens het RiHG heeft [wederpartij] verklaard dat hij het heel erg vindt dat hij het huis uit moet en dat hij begrijpt dat het voor de kinderen beter is om in hun eigen omgeving te blijven. Ook heeft hij verklaard mee te willen werken aan hulpverlening. Hij denkt dat zijn echtgenote geen hulp zal accepteren. De echtgenote heeft verklaard bang te zijn voor de toekomst. Zij wil een einde maken aan de relatie en begrijpt dat hulp zal worden geboden om dit tot een goed einde te brengen. Voorts volgt uit het RiHG dat in 2009 ook huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, waarna de echtgenote met hun, toen nog, enige kind tijdelijk bij haar ouders heeft gewoond.

4.3. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank door te overwegen dat over het incident geen zekerheid bestaat een te streng toetsingskader heeft aangelegd. Beoordeeld dient te worden of op grond van de beschikbare objectieve gegevens een zodanig inzicht in het feitelijk verloop van het incident is verkregen in die zin dat de burgemeester zich op grond daarvan terecht op het standpunt heeft gesteld dat een ernstig en onmiddellijk gevaar bestond voor de veiligheid van één of meer personen dan wel daartoe een ernstig vermoeden bestond.

Niet in geschil is dat op 15 maart 2013 een ruzie heeft plaatsgevonden tussen [wederpartij] en zijn echtgenote. De melding dat [wederpartij] zijn echtgenote zou hebben geslagen kwam van de broer van de echtgenote. Daarnaast heeft de echtgenote zelf verklaard te zijn geslagen door [wederpartij], welke verklaring in dit geval wordt ondersteund door de verklaring van de vijfjarige dochter, alsmede door het door de politieambtenaren geconstateerde letsel op de neus van die dochter. Ter zitting heeft de burgemeester bovendien te kennen gegeven dat de verklaring van de dochter ter plaatse en binnen twee uur na het incident is afgenomen. Verder blijkt uit het door de HOvJ op ambtseed opgemaakte proces-verbaal dat [wederpartij] niet heeft ontkend geweld te hebben gebruikt, nu hij heeft verklaard dat geen sprake was van slaan, maar van een "tik". De burgemeester beschikte derhalve over objectieve gegevens en, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet slechts over twee tegengestelde verklaringen. Over het incident bestond derhalve voldoende zekerheid in evenbedoelde zin. De burgemeester heeft zich gelet hierop en op het onder 4.2 overwogene terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartij] een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van één of meer personen in de woning, dan wel dat daartoe een ernstig vermoeden bestond. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend. Dat de echtgenote geen aangifte heeft gedaan van het huiselijk geweld, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat zich geen ernstig gevaar als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth, voordeed. De rechtbank heeft gelet hierop ten onrechte overwogen dat de burgemeester niet bevoegd was tot het opleggen van een huisverbod.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De overige door de burgemeester aangevoerde gronden behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die nog bespreking behoeven.

6. [wederpartij] betoogt dat de burgemeester niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het huisverbod te verlengen. Volgens [wederpartij] heeft hij in een gesprek met het AMW te kennen gegeven dat hij graag in gesprek wil gaan met zijn echtgenote en de hulpverlening. Hij is bereid zijn medewerking te verlenen aan de hulpverlening zodat tot een goede oplossing kan worden gekomen in het belang van zijn kinderen, aldus [wederpartij].

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 19 februari 2014 in zaak nr. 201304642/1/A3), is bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.

6.2. Uit het advies volgt dat er contact is geweest met [wederpartij], zijn echtgenote en zijn kinderen en dat de door middel van het RiHG getaxeerde dreiging zich voortzet. Volgens het advies voelt [wederpartij] zich uitsluitend slachtoffer van de situatie en ontkent hij, ondanks het bij zijn vijfjarige dochter geconstateerde letsel, huiselijk geweld te hebben gepleegd. Bureau Jeugdzorg (hierna: BJZ) concludeert uit gesprekken en observaties echter dat [wederpartij] zijn dochter heeft geslagen met letsel als gevolg. Beide kinderen vertonen na escalatie van het huiselijk geweld agressief en zelfbeschadigend gedrag, hetgeen wijst op emotionele beschadiging. Verder volgt uit het advies dat ook de echtgenote van [wederpartij] zich uitsluitend slachtoffer voelt. Voor beide betrokkenen geldt dat zij niet de volledige verantwoordelijkheid nemen voor hun aandeel in het geweld. Beiden zeggen psychische of psychiatrische problematiek te vermoeden bij de ander. Daarnaast volgt uit het advies dat [wederpartij] geen hulp accepteert. Hij werkt niet mee aan gesprekken met het AMW en bij het SHG. Ook heeft hij BJZ geen toestemming gegeven voor gegevensuitwisseling, hetgeen de hulpverlening bemoeilijkt. Volgens het advies dient het huisverbod te worden verlengd.

[wederpartij] en zijn echtgenote zijn vervolgens door een gemeenteambtenaar gehoord over het advies om het huisverbod te verlengen. Uit een door die gemeenteambtenaar opgestelde rapportage van 26 maart 2013 volgt dat [wederpartij] te kennen heeft gegeven niet te begrijpen hoe het SHG tot zijn advies heeft kunnen komen, nu hij hen nauwelijks heeft gesproken. Hij ontkent het huiselijk geweld en verklaart dat het letsel bij zijn vijfjarige dochter is ontstaan door een val. De echtgenote van [wederpartij] heeft te kennen gegeven dat zij bij terugkeer van haar man vreest voor geweld en dat zij graag wil dat het huisverbod wordt verlengd. Tevens heeft zij te kennen gegeven te willen scheiden.

Gelet hierop heeft de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verlenging van het huisverbod gebruik kunnen maken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit het advies volgt dat nog geen reële aanvang met de hulpverlening was gemaakt en dat de dreiging van huiselijk geweld zich voortzette. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, in tegenstelling tot hetgeen het advies vermeldt, bereid was mee te werken aan de hulpverlening, zodat voor een ander oordeel geen grond bestaat.

Het betoog faalt.

7. Het beroep van [wederpartij] tegen de besluiten van 16 en 26 april 2013 is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2013 in zaak nr. 262339 / FA RK 13-2207;

III. verklaart het door W. [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen de besluiten van 16 en 26 april 2013 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Veenboer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

730.