Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:22

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
201111498/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gieterveen-Kampeerterrein Boerendijk" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/97 met annotatie van F.A.G. Groothuijse
JOM 2014/970
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111498/1/R4.

Datum uitspraak: 15 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A], wonend te Gieterveen, gemeente Aa en Hunze,

2. [appellant sub 2A], wonend te Gieterveen, gemeente Aa en Hunze,

3. [appellant sub 3A], wonend te Gieterveen, gemeente Aa en Hunze,

en

de raad van de gemeente Aa en Hunze,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gieterveen-Kampeerterrein Boerendijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A], [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2012, waar [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A], beiden bijgestaan door mr. P.C.H. van Schooten, advocaat te Rolde, en [appellant sub 1A] zijn verschenen. Voorts is daar verschenen de raad, vertegenwoordigd door P. Woudstra en T. Bruining.

Bij tussenuitspraak van 13 februari 2013, nr. 201111498/1/T1/R4, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 28 september 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De raad heeft het besluit van 28 september 2011 gedeeltelijk herzien bij besluit van 14 mei 2013 (hierna: het herstelbesluit).

Over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld hebben [appellant sub 1A], [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Tussenuitspraak

1. De Afdeling heeft in overweging 10.2 van de tussenuitspraak geoordeeld dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat niet te verwachten is dat de in het plan voorziene camping een volwaardig inkomen zal genereren en dat de camping vooralsnog dient te worden beschouwd als een nevenactiviteit. Gelet daarop achtte de Afdeling het aannemelijk dat het belang van de initiatiefnemer bij de realisatie van het kampeerterrein beperkt is. Onder deze omstandigheden achtte de Afdeling de vrees van [appellant sub 1A], [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] dat na de realisatie van de bedrijfswoning verdere investeringen in het kampeerterrein zullen uitblijven niet zonder grond. Hoewel de raad het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning niet wil toestaan, is gelet op het voorgaande niet uitgesloten dat de bedrijfswoning als burgerwoning in gebruik zal worden genomen. Gelet daarop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling een situatie met evidente handhavingsrisico’s gecreëerd, nu hij niet heeft zeker gesteld dat met de realisatie van het kampeerterrein is aangevangen alvorens tot de bouw van de bedrijfswoning kan worden overgegaan.

2. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen door met inachtneming van overweging 10.2 en 12 het besluit te wijzigen in die zin dat in het plan wordt zeker gesteld dat de in het plan voorziene bedrijfswoning niet kan worden gerealiseerd voordat een aanvang is gemaakt met de realisatie van de kampeervoorzieningen.

Het herstelbesluit

3. Bij brief van 5 juni 2013 heeft de raad de Afdeling medegedeeld dat de raad op 14 mei 2013 een nader besluit heeft genomen waarbij het bestemmingsplan "Gieterveen - Kampeerterrein Boerendijk" gedeeltelijk gewijzigd is vastgesteld. Het besluit strekt tot toevoeging van een planregel in het bestemmingsplan, waarin is opgenomen dat de bedrijfswoning ten behoeve van het kampeerterrein niet eerder wordt gebouwd dan dat het kampeerterrein is gerealiseerd in overeenstemming met het onderliggende bedrijfsplan.

4. In hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld hebben [appellant sub 1A], [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met de wijze waarop de raad het gebrek in het besluit van 28 september 2011 heeft hersteld.

5. Ingevolge artikel 6:19, eerst lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Het herstelbesluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid van de Awb mede onderwerp van het geding.

Inhoudelijk

6. [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] zetten in hun zienswijze uiteen dat zij zich goed kunnen vinden in de tekst van de planregel. Zij wijzen er echter op dat de tekst van de planregel niet geheel aansluit bij de plantoelichting en het verhandelde tijdens de raadsvergadering van 14 mei 2013. Ook [appellant sub 1A] voert in zijn zienswijze aan dat de tekst van de toegevoegde planregel niet overeenkomt met de uitleg die is gegeven tijdens de raadsvergadering.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] voeren daarnaast aan dat het bedrijfsplan van de initiatiefnemer van het kampeerterrein ten onrechte niet met naam en datum is genoemd in het bestemmingsplan.

7. In het herstelbesluit staat dat om het door de Afdeling in de tussenuitspraak van 13 februari 2013 geconstateerde gebrek te repareren, in de planregels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen.

In het gewijzigde besluit is aan artikel 4, in lid 4.2.1, na sub e een nieuw sublid f met de volgende tekst toegevoegd:

"f. De bedrijfswoning ten behoeve van het kampeerterrein wordt niet eerder gebouwd dan het kampeerterrein is gerealiseerd overeenkomstig het onderliggende bedrijfsplan;"

8. Gelet op de tekst van het gewijzigde besluit stelt de Afdeling vast dat de raad aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht heeft voldaan. Voor zover [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] aanvoeren dat de tekst in de plantoelichting niet overeenkomt met de planregel, overweegt de Afdeling dat de plantoelichting niet bindend is, zodat aan hetgeen daarin is opgenomen in juridische zin geen betekenis toekomt. Ook aan het verslag van de raadsvergadering komt geen juridisch bindende betekenis toe.

9. Voor zover [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] de naam en de datum van het bedrijfsplan in het bestemmingsplan willen zien opgenomen, overweegt de Afdeling dat de inrichting van het kampeerterrein, zoals die volgt uit het bedrijfsplan, op hoofdpunten in de verbeelding is verwerkt. In het plan zijn daarnaast ook regels gesteld met betrekking tot de realisatie van het kampeerterrein, die ook uit het bedrijfsplan volgen. Deze omstandigheden in aanmerking genomen, hebben Huisman en [appellant sub 3A] niet aannemelijk gemaakt dat het opnemen van de naam en de datum van het bedrijfsplan van de initiatiefnemer in het bestemmingsplan noodzakelijk is met het oog op de rechtszekerheid.

Conclusie

10. Gelet op het overwogene in 10.2. van de tussenuitspraak, zijn de beroepen van [appellant sub 1A], [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] tegen het besluit van 28 september 2011 gedeeltelijk gegrond. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening te worden vernietigd, voor zover daarin niet is zeker gesteld dat met de realisatie van het kampeerterrein is aangevangen alsvorens tot de bouw van de bedrijfswoning kan worden overgegaan.

11. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1A], [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] tegen het herstelbesluit is ongegrond.

Proceskosten

12. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Gelet op de omstandigheid dat de zienswijze op het herstelbesluit door [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] gezamenlijk is ingediend, ziet de Afdeling aanleiding de vergoeding voor het indienen van deze zienswijze te matigen door aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] ieder de helft van het te vergoeden bedrag toe te kennen.

13. Ten aanzien van [appellant sub 1A] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A], [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] tegen het besluit van de raad van de gemeente Aa en Hunze van 28 september 2011 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Aa en Hunze van 28 september 2011, voor zover daarin niet is zeker gesteld dat met de realisatie van het kampeerterrein is aangevangen alvorens tot de bouw van de bedrijfswoning kan worden overgegaan;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A], [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] tegen het besluit van de raad van de gemeente Aa en Hunze van 14 mei 2013 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Aa en Hunze tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.114,52 (zegge: elfhonderdveertien euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 1.062,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Aa en Hunze tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.114,52 (zegge: elfhonderdveertien euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 1.062,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Aa en Hunze aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1A], € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2A] en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 3A] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2014

539-731.