Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2199

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201306440/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2013" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306440/1/R1.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Vogelenzang, gemeente Bloemendaal,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Vogelenzang Natuurschoon B.V., gevestigd te Vogelenzang, gemeente Bloemendaal (hierna: LVN),

3. Staatsbosbeheer regio west, gevestigd te Amsterdam,

4. het bestuur van de Nederlandse provincie van de congregatie van de Zusters Franciscanessen, gevestigd te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal (hierna: de Zusters Franciscanessen),

en

de raad van de gemeente Bloemendaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], de LVN, Staatsbosbeheer en de Zusters Franciscanessen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

LVN heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2014, waar LVN, vertegenwoordigd door ing. P.K. Witte en ing. H.P. de Vries, de Zusters Franciscanessen, vertegenwoordigd door mr. P.A.M. de Laat, Staatsbosbeheer, vertegenwoordigd door B.M.G.T.H. Duijn, en de raad, vertegenwoordigd door E.N. Em-Schotborg en drs. J. Rozema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actualisatie van de juridisch-planologische regeling voor het grondgebied van de gemeente Bloemendaal, exclusief de dorpskernen en Bloemendaal aan Zee. Het plan heeft een overwegend conserverend karakter, maar voorziet in enkele nieuwe ontwikkelingen.

Het beroep van de Zusters Franciscanessen

3. De Zusters Franciscanessen betogen dat de raad voorafgaand aan de vaststelling van het plan ten onrechte met hen geen overleg heeft gevoerd.

3.1. Voor zover de Zusters Franciscanessen hiermee hebben beoogd te betogen dat de raad ten onrechte geen inspraak heeft geboden, overweegt de Afdeling dat het bieden van inspraak geen deel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Dat vooraf geen inspraak is geboden of overleg is gevoerd kan als zodanig geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

4. De Zusters Franciscanessen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het landgoed waartoe het klooster St. Franciscus aan de Boekenroodeweg 9 te Aerdenhout behoort.

Zij betogen dat in het voorheen geldende bestemmingsplan een maatschappelijke bestemming was opgenomen, specifiek gericht op ouderenhuisvesting - en dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door deze bestemming voor dit plandeel te wijzigen. Zij betogen dat onder meer de verkeers- en parkeerdruk zal toenemen en dat de ter plaatse aanwezige natuur- en cultuurwaarden zullen worden aangetast.

4.1. Op de verbeelding is de bestemming "Wonen" opgenomen ter plaatse van de in geding zijnde gronden. Aan een deel van de gronden is tevens de aanduiding "specifieke vorm van wonen - gemeenschappelijke voorzieningen" toegekend.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1.1, onder a, van de planregels zijn de gronden aangewezen voor "Wonen" onder meer bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1.7. zijn ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - gemeenschappelijke voorzieningen" de in lid 23.1.1. bedoelde gronden mede bestemd voor zorgvoorzieningen en gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van bewoners.

4.2. De raad heeft toegelicht dat aan de in geding zijnde gronden in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied, 3e herziening" de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" was toegekend en dat deze gronden waren bestemd voor huisvesting voor religieuzen en voor ouderen, voor zorgverlening en ten behoeve daarvan ondersteunende functies en voor welzijnsvoorzieningen voor religieuzen en ouderen. De raad heeft verder gesteld dat alle bestemmingsplannen binnen de gemeente zijn geactualiseerd en dat daarbij steeds dezelfde systematiek is toegepast. Volgens deze nieuwe systematiek is de bestemming "Maatschappelijk" slechts aangewezen voor woonvormen in combinatie met zorgverlening, aldus de raad. Aangezien de woningen binnen het plandeel zelfstandige wooneenheden betreffen die niet zijn gekoppeld aan zorg, is het gebruik ondergebracht onder de bestemming "Wonen", aldus de raad. De raad gaat er verder vanuit dat het gebruik van de woningen niet kan worden beperkt tot ouderen.

4.3. De Afdeling overweegt dat bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient te worden uitgegaan van een representatieve invulling van hetgeen ingevolge het thans aan de orde zijnde plan planologisch maximaal mogelijk is. Ter zitting is gebleken dat de raad in het kader van het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan geen onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de bestemmingswijziging voor de parkeersituatie ter plaatse. Voor zover de raad erop heeft gewezen dat in het kader van het voorheen geldende bestemmingsplan wat betreft de seniorenwoningen is uitgegaan van een parkeernorm van 1,3 en voor de zorgwoningen van een parkeernorm van 0,6, overweegt de Afdeling dat een onderscheid tussen seniorenwoningen en zorgwoningen, gelet op artikel 23 van de planregels, geen representatieve invulling is van hetgeen ingevolge het thans aan de orde zijnde plan planologisch maximaal mogelijk is. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt wat een representatieve invulling is van hetgeen op grond van de planregels behorend bij de aan de orde zijnde bestemming maximaal mogelijk is. In het verlengde hiervan heeft de raad de gevolgen van de wijziging van de bestemming ten opzichte van die in het voorheen geldende bestemmingsplan voor de parkeersituatie ter plaatse niet voldoende in ogenschouw genomen. Daarnaast is ter zitting gebleken dat de raad ten aanzien van een deel van de in geding zijnde gronden niet heeft onderkend dat daar zorgvoorzieningen aanwezig zijn, zodat de raad in zoverre de feitelijke situatie op die gronden onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. Voorts valt niet in te zien dat een regeling voor ouderenhuisvesting, waarin het vorige bestemmingsplan voorzag, in een opvolgend bestemmingsplan niet zou kunnen worden gecontinueerd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de vaststelling van het aan de orde zijnde plandeel onzorgvuldig is voorbereid. De beroepsgrond slaagt. Het beroep van de Zusters Franciscanessen is gegrond en het besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen", zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Hetgeen de Zusters Franciscanessen voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

Het beroep van [appellant sub 1]

5. [appellant sub 1] richt zich tegen de wijzigingsbevoegdheid van artikel 14, lid 14.6.1, van de planregels, waarmee wordt voorzien in twee vrijstaande woningen op het perceel ten zuiden van de woning aan de [locatie] te Vogelenzang. [appellant sub 1] stelt dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan hier geen woningen mochten worden gebouwd.

[appellant sub 1] betoogt dat de twee voorziene woningen het woon- en leefklimaat ter plaatse zullen aantasten. [appellant sub 1] voert in dit verband aan dat er bomen gekapt moeten worden en dat de leefomgeving een minder landelijk karakter zal krijgen. Ook wijst [appellant sub 1] erop dat meer verkeer valt te verwachten vanwege de voorziene woningen. Wat betreft de woning van [appellant sub 1] wordt ten slotte gewezen op waardevermindering en planschade.

5.1. Op de verbeelding is de bestemming "Natuur - 1" en de gebiedsaanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied 3" opgenomen ter plaatse van voormeld perceel.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de gronden aangewezen voor "Natuur - 1" onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuur- en landschappelijke waarden.

Ingevolge lid 14.6.1 kan het bevoegd gezag de bestemming van de gronden, die op de verbeelding zijn voorzien van de gebiedsaanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied 3" wijzigen naar de bestemmingen "Wonen" en "Tuin", met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. er mogen maximaal 2 vrijstaande woningen worden gerealiseerd;

b. de maximale footprint per woning bedraagt 100 m²;

c. de maximale goot- en bouwhoogte bedraagt 6 respectievelijk 10 m;

[…];

f. de bestemmingsvlakken Wonen dienen ten minste 15 m uit de perceelsgrens te worden gesitueerd;

[…].

5.2. Voor zover [appellant sub 1] heeft gesteld dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Vogelenzang 2000" op de in geding zijnde gronden geen woningen mochten worden gebouwd, overweegt de Afdeling, dat de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden kan vaststellen. De raad heeft daartoe toegelicht dat het beleid wordt gevoerd om de bouwrechten voor onbebouwde woonpercelen uit de oude bestemmingsplannen te handhaven. In het bestemmingsplan "Vogelenzang Oost" uit 1976 was op de in geding zijnde gronden een bouwvlak van ongeveer 400 m² opgenomen bestemd voor een vrijstaande woning. In het bestemmingsplan "Vogelenzang 2000" was aan de in geding zijnde gronden een natuurbestemming toegekend. Het bouwvlak van het betrokken perceel was in dat plan per abuis niet opgenomen, aldus de raad. Deze omissie heeft de raad in het thans aan de orde zijnde plan hersteld door voormelde wijzigingsbevoegdheid daarin op te nemen. De raad heeft daarbij toegelicht dat de aanwezigheid van een groot aantal bomen beperkingen oplegt aan de bebouwingsmogelijkheden, waardoor de gronden zich beter lenen voor een zogenaamde boswoning. Ter compensatie van het feit dat de bouwmassa van een boswoning beperkt is, heeft de raad voorzien in twee boswoningen met beide een footprint van maximaal 100 m². In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het standpunt van de raad dat de omissie in het voorheen geldende plan dient te worden hersteld door thans te voorzien in voormelde wijzigingsbevoegdheid onredelijk is.

5.3. De Afdeling overweegt dat niet kan worden uitgesloten dat bij wijziging van de bestemming "Natuur - 1" naar de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" de daarmee voorziene woningen leiden tot enige aantasting van het uitzicht vanuit de achterkant van de woning van [appellant sub 1].

Er bestaat echter geen recht op een blijvend vrij uitzicht. Voorts bedraagt, gezien artikel 14, lid 14.6.1, aanhef en onder b, van de planregels, de maximale footprint per woning 100 m², wat relatief beperkt is.

Verder bedraagt, gezien artikel 14, lid 14.6.1, aanhef en onder c, van de planregels, de maximale goot- en bouwhoogte 6 respectievelijk 10 m, hetgeen ter plaatse niet ongebruikelijk is. Voorts is van belang dat, gezien artikel 14, lid 14.6.1, aanhef en onder f, van de planregels, de bestemmingsvlakken "Wonen" ten minste 15 m uit de perceelsgrens dienen te worden gesitueerd. Ter zitting is voorts gebleken dat de afstand tussen de voorziene woningen en de woning van [appellant sub 1] minimaal 25 m bedraagt. Gelet op het vorenstaande heeft de raad de aantasting van het uitzicht bij de belangenafweging niet als ernstig hoeven aanmerken. Het betoog faalt.

5.4. Voorts overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat uit een bomeninventarisatie van mei 2013 van Hoogendoorn Boomadvies B.V. blijkt dat op de in geding zijnde gronden 13 behoudenswaardige bomen (voornamelijk beuken) en 23 waardevolle linden aanwezig zijn. De raad heeft verder toegelicht dat diverse bomen moeten worden gekapt om de twee woningen mogelijk te maken, maar dat de woningen zodanig kunnen worden gepositioneerd dat er geen waardevolle bomen hoeven te worden gekapt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad aan de omstandigheid dat de wijzigingsbevoegdheid ertoe kan leiden dat bomen moeten worden gekapt niet de betekenis heeft hoeven toekennen die [appellant sub 1] daaraan toegekend wenst te zien. Datzelfde geldt voor de door [appellant sub 1] ingeroepen omstandigheid dat de leefomgeving bij wijziging van de bestemming "Natuur - 1" naar de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" een minder landelijk karakter zal hebben. Daarbij is tevens van belang dat de wijzigingsbevoegdheid op een beperkte oppervlakte betrekking heeft.

Het betoog faalt.

5.5. Wat betreft de vrees van [appellant sub 1] voor verkeersoverlast vanwege de voorziene woningen, overweegt de Afdeling dat de raad onbestreden heeft gesteld dat de ontsluiting van de voorziene woningen plaatsvindt op ongeveer 40 m afstand van de perceelsgrens aan de achterzijde.

Voorts bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat van de twee voorziene woningen een grote verkeersaantrekkende werking uit zal gaan.

Onder deze omstandigheden heeft de raad de gevolgen van de wijzigingsbevoegdheid voor de verkeerssituatie ter plaatse niet als ernstig hoeven aanmerken. Het betoog faalt.

5.6. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor eventuele vergoeding van planschade bestaat bovendien een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.

Voor zover [appellant sub 1] met zijn verwijzing naar mogelijke planschade heeft beoogd de uitvoerbaarheid te betwisten, overweegt de Afdeling dat uit pagina 83 van de plantoelichting, gelezen in samenhang met paragraaf 5.1 ervan, volgt dat de gemeente met de initiatiefnemer een planschadeverhaalovereenkomst heeft afgesloten. [appellant sub 1] heeft in dit verband geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven aan de financieel-economische uitvoerbaarheid te twijfelen. Het betoog faalt.

5.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Het beroep van LVN

6. LVN richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Natuur - 3" betreffende het landgoed Vogelenzang. Ook kan LVN zich niet verenigen met de aanduiding "specifieke vorm van Natuur 3 - agrarisch medegebruik" die aan een deel van dit landgoed is toegekend.

LVN voert aan dat de bestemmingsregeling voor het landgoed onduidelijk is. Voorts betoogt LVN dat de bestemming voor het landgoed te globaal is. In het landgoed komen verschillende functies voor - zoals onder meer parkbossen, moestuinen, siertuinen en weilanden - en deze dienen een afzonderlijke bestemming te krijgen, aldus LVN.

6.1. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de gronden aangewezen voor "Natuur - 3" bestemd voor:

a. het behoud, herstel en beheer van landgoederen, buitenplaatsen en landhuispercelen met de daarbij behorende natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;

b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

c. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;

d. landschappelijke, cultuurhistorische tuinen en moestuinen;

e. bestaande vergunde wegen, paden en parkeergelegenheid;

f. extensief recreatief medegebruik;

g. speel- en ligweiden;

h. fiets-, wandel- en ruiterpaden;

i. nutsvoorzieningen;

[…]

m. gronden binnen een landgoed bestemd voor agrarisch gebruik, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van Natuur 3 - agrarisch medegebruik"; […].

6.2. Op de verbeelding is de bestemming "Natuur - 3" opgenomen ter plaatse van de in geding zijnde gronden en op een deel van de gronden is ook de functieaanduiding "specifieke vorm van Natuur - agrarisch medegebruik" opgenomen. Bij de functieaanduiding ontbreekt de "3" die staat vermeld bij de aanduiding opgenomen in artikel 15, lid 15.1., onder m, van de planregels. Nu deze aanduiding is toegekend aan gronden met de bestemming "Natuur - 3" en deze bestemming geen aanduidingen kent met een vergelijkbare naam, is de Afdeling van oordeel dat zich in zoverre een kennelijke verschrijving voordoet en de functieaanduiding op de verbeelding moet worden gelezen als "specifieke vorm van Natuur 3 - agrarisch medegebruik".

6.3. Wat betreft de stelling van LVN dat de bestemmingsregeling voor het landgoed te globaal is, overweegt de Afdeling dat het tot de beleidsvrijheid van de raad behoort om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. De raad heeft in dit verband toegelicht dat het landgoed Vogelenzang een Natura 2000-gebied is en dat aan alle landgoederen in het landelijk gebied van Bloemendaal, waaronder landgoed Vogelenzang, de globale bestemming "Natuur - 3" is toegekend. De Afdeling ziet in hetgeen LVN heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze bestemming aan het landgoed heeft kunnen toekennen. Hierbij wordt betrokken dat LVN niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar belangen door toekenning van deze bestemming aan het landgoed zijn geschaad. Daarbij is van belang dat binnen deze bestemming met voormelde aanduiding alle in het landgoed voorkomende functies zijn toegestaan. In dit verband wordt in aanmerking genomen dat, zoals ter zitting is gebleken, de raad aan alle gronden die agrarisch worden gebruikt de aanduiding "specifieke vorm van Natuur 3 - agrarisch medegebruik" heeft toegekend, overeenkomstig een door LVN bij de zienswijze overgelegde kaart. Wat betreft de stelling van LVN dat de naamgeving van de bestemming "Natuur - 3" een onjuiste indruk kan wekken over de ter plaatse toegestane gebruiksmogelijkheden, wijst de Afdeling op de hiervoor onder 6.1 weergegeven planregels behorend bij de bestemming "Natuur - 3". Gelet op deze planregels kan LVN niet worden gevolgd in haar betoog dat de bestemmingsregeling voor het landgoed onduidelijk is. Het betoog faalt.

7. Voorts richt LVN zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschap" betreffende de gebouwen aan de Tweede Doodweg 24 en 26 te Vogelenzang. LVN betoogt dat deze gebouwen ten onrechte niet als woning mogen worden gebruikt.

Volgens LVN worden deze gebouwen feitelijk reeds lange tijd, naast de bedrijfswoning aan de Tweede Doodweg 28, als woning gebruikt en dient het bestaande gebruik te worden toegestaan. In een nader stuk heeft LVN in dit verband gewezen op een principebesluit van 10 september 2013. Volgens LVN geeft het college van burgemeester en wethouders hierin aan dat zij medewerking wil verlenen aan het behoud van de woningen.

7.1. Op de verbeelding is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" opgenomen ter plaatse van de Tweede Doodweg 24 en 26. De Afdeling overweegt dat op de verbeelding hier kennelijk is bedoeld de bestemming: "Agrarisch met waarden - Natuur en landschap".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1., van de planregels zijn de gronden aangewezen voor "Agrarisch met waarden - Natuur en landschap" onder meer bestemd voor grasland en het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden. De planregels voorzien op deze gronden niet in het gebruik van de panden als woning.

7.2. De Afdeling overweegt dat de raad bij het opstellen van het plan de relevante feiten dient vast te stellen en de nodige kennis over de af te wegen belangen dient te vergaren. Dit betekent dat de raad zich op de hoogte dient te stellen van de aard en omvang van bestaand gebruik en tevens of dit gebruik legaal of illegaal is, zodat een keuze gemaakt kan worden of een, en zo ja welke, regeling met betrekking tot het gebruik in het plan wordt opgenomen. Ter zitting is gebleken dat de raad zich bij de vaststelling van het plan, voor zover het de gebouwen aan de Tweede Doodweg 24 en 26 betreft, niet op de hoogte heeft gesteld van de aard en omvang van het bestaand gebruik. Nog daargelaten hetgeen in het principebesluit is vermeld, heeft de raad reeds hierom in dit geval gehandeld in strijd met de bij de voorbereiding van het besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepsgrond slaagt. Het beroep van LVN is gegrond en het besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschap", betreffende de Tweede Doodweg 24 en 26 te Vogelenzang wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van Staatsbosbeheer

8. Staatsbosbeheer richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Natuur - 3" betreffende de gebouwen aan de Elswoutlaan 16 en 18 te Overveen en betoogt dat het gebruik als woning hier ten onrechte niet is toegestaan. Het voorheen geldende bestemmingsplan stond dit gebruik, volgens Staatsbosbeheer, wel toe. Nu het thans aan de orde zijnde plan een conserverend karakter heeft, had het gebruik als woning wederom moeten worden toegestaan, aldus Staatsbosbeheer. Dat de gebouwen aan de Elswoutlaan 16 en 18 feitelijk niet als woning zijn gebruikt, maakt dat, volgens Staatsbosbeheer, niet anders. Daarbij wijst Staatsbosbeheer erop dat op hetzelfde landgoed bij boerderij Elswout een pensionstal is toegestaan, terwijl dat ook niet overeenkomstig het gebruik van de desbetreffende gronden is.

8.1. Op de verbeelding is de bestemming "Natuur - 3" opgenomen ter plaatse van de gebouwen aan de Elswoutlaan 16 en 18.

Uit artikel 15, lid 15.1, van de planregels volgt dat binnen deze bestemming het gebruik als woning niet is toegestaan.

8.2. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 2002" gold hier de bestemming "Doeleinden voor Natuur en Landschap" en was het gebruik ten behoeve van één woning toegestaan.

8.3. De raad heeft toegelicht dat hij als uitgangspunt hanteert dat in het thans aan de orde zijnde plan slechts de feitelijk gerealiseerde gebruiksmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan worden opgenomen en de hier aan de orde zijnde gebruiksmogelijkheid onbenut is gebleven. Ter zitting is gebleken dat de raad in verband hiermee geen onderzoek heeft verricht naar de planologische aanvaardbaarheid van het gebruik als woning. Daarbij heeft de raad mede van belang geacht dat niet is gebleken van concrete plannen om het gebruik als woning te doen aanvangen.

8.4. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in dit geval evenwel niet inzichtelijk gemaakt dat de planologische inzichten met betrekking tot het gebruik ter plaatse van voormelde gebouwen zijn gewijzigd. Niet is gebleken dat onderzoek is verricht naar de planologische aanvaardbaarheid van het gebruik als woning, hetgeen te meer klemt, nu de vaststelling van het bestemmingsplan in dit geval een ambtshalve genomen besluit betreft. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de planologische inzichten met betrekking tot het gebruik ter plaatse van voormelde gebouwen zijn gewijzigd, heeft de raad in dit geval het besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De omstandigheid dat niet is gebleken dat er concrete plannen zijn om op korte termijn alsnog één van de gebouwen als woning te gebruiken, maakt dat niet anders. Die omstandigheid laat immers onverlet dat dit gebruik binnen de planperiode van 10 jaar alsnog kan worden gerealiseerd. Ook de verwijzing van de raad ter zitting naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2013, nr. 201207598/1/R1 (www.raadvanstate.nl), leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe is van belang dat in de zaak die tot de uitspraak van 8 mei 2013 heeft geleid niet de situatie aan de orde was dat het gebruik als woning niet langer is gehandhaafd in het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt. Het beroep van Staatsbosbeheer is gegrond en het besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur - 3" betreffende de gebouwen aan de Elswoutlaan 16 en 18 te Overveen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Gelet hierop behoeft het betoog van Staatsbosbeheer dat ziet op de bestemmingsregeling bij voormelde pensionstal geen bespreking meer.

9. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

10. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Met betrekking tot de beroepen van Staatsbosbeheer en de Zusters Franciscanessen is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Met betrekking tot het beroep van LVN dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Vogelenzang Natuurschoon B.V., Staatsbosbeheer regio west en het bestuur van de Nederlandse provincie van de congregatie van de Zusters Franciscanessen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bloemendaal van 27 juni 2013, waarbij het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2013" is vastgesteld, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen", zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart;

b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden -Natuur- en landschap" betreffende de Tweede Doodweg 24 en 26 te Vogelenzang;

c. het plandeel met de bestemming "Natuur - 3" betreffende de gebouwen aan de Elswoutlaan 16 en 18 te Overveen;

III. draagt de raad van de gemeente Bloemendaal op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II.a, II.b en II.c. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Bloemendaal tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten ten aanzien van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Vogelenzang Natuurschoon B.V. tot een bedrag van € 44,74 (zegge: vierenveertig euro en vierenzeventig cent);

VI. gelast dat de raad van de gemeente Bloemendaal aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Vogelenzang Natuurschoon B.V.;

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor Staatsbosbeheer regio west en

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor het bestuur van de Nederlandse provincie van de congregatie van de Zusters Franciscanessen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Loo

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

418.