Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201306382/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:CA1723, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast om met ingang van 30 juni 2012 de met het bestemmingsplan strijdige situatie op een weiland aan de [locatie] te Kootstertille (hierna: het perceel) ongedaan te maken en ongedaan te houden, in die zin dat geen motorcross meer plaatsvindt op het perceel. Het heeft daarbij bepaald dat bij de eerste constatering van overtreding € 100,00 wordt verbeurd, bij de tweede constatering € 500,00, bij de derde constatering € 1.500,00 en bij de vierde en laatste constatering € 3.000,00, hetgeen resulteert in een maximale dwangsom van € 5.100,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306382/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kootstertille, gemeente Achtkarspelen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 juni 2013 in zaak nr. 12/3014 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast om met ingang van 30 juni 2012 de met het bestemmingsplan strijdige situatie op een weiland aan de [locatie] te Kootstertille (hierna: het perceel) ongedaan te maken en ongedaan te houden, in die zin dat geen motorcross meer plaatsvindt op het perceel. Het heeft daarbij bepaald dat bij de eerste constatering van overtreding € 100,00 wordt verbeurd, bij de tweede constatering € 500,00, bij de derde constatering € 1.500,00 en bij de vierde en laatste constatering € 3.000,00, hetgeen resulteert in een maximale dwangsom van € 5.100,00.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2014, waar [appellant], bijgestaan door C. van Vliet, en het college, vertegenwoordigd door B.J.H. Zuur en F. Kelderhuis, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft ter zitting van 21 januari 2014 het college opgedragen te onderzoeken of een invorderingsbeschikking is genomen.

Bij brief van 27 januari 2014 heeft het college meegedeeld dat bij drie onderscheiden besluiten van 25 september 2012 alsmede bij besluit van 27 november 2012 de voormelde dwangsombedragen bij [appellant] zijn ingevorderd. Deze reactie van het college is aan [appellant] toegezonden, die daarop bij brief van 17 februari 2014 heeft gereageerd. Het college heeft daarop gereageerd bij brief van 12 maart 2014.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan de rechtbank tot sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte [belanghebbende A] en [belanghebbende B], [belanghebbende C], [belanghebbende D] en [belanghebbende E] en [belanghebbende F] op de voet van de voormelde bepaling in de gelegenheid heeft gesteld aan het geding deel te nemen, omdat de door hen geuite klachten niet zijn onderzocht. Ter zitting heeft hij betoogd dat, mogelijk afgezien van [belanghebbende A], de afstand tussen de percelen van deze personen en het perceel, te groot is om belanghebbendheid te kunnen aannemen.

2.1. De afstand tussen het perceel en dat van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] bedraagt ongeveer 200 m, tussen dat van [belanghebbende C] en het perceel ongeveer 100 m, tussen dat van [belanghebbende E] en [belanghebbende F] en het perceel ongeveer 200 m en tussen dat van [belanghebbende D] en het perceel ongeveer 750 m. Afgezien van [belanghebbende C], hebben deze personen (hierna: [belanghebbende A] en anderen) geen dan wel nauwelijks zicht op het perceel. Onverlet deze afstanden, moet de ruimtelijke uitstraling van de motorcross, gelet op de daarmee gepaard gaande geluidhinder, van dusdanige omvang worden geacht dat niet valt uit te sluiten dat [belanghebbende A] en anderen daarvan hinder kunnen ondervinden. De enkele stelling van [appellant] dat niet vast staat dat [belanghebbende A] en anderen werkelijk hinder hebben ondervonden nu het college de klachten niet heeft onderzocht, wat daarvan zij, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat [belanghebbende A] en anderen belanghebbend zijn bij het besluit van het college om aan [appellant] de last onder dwangsom op te leggen.

Artikel 8:26, eerste lid, van de Awb strekt ertoe om hen die een belang hebben dat tegengesteld is aan dat van de appellant, tot het geding toe te laten ter voorkoming van een verslechtering van hun positie. Het belang van [belanghebbende A] en anderen is tegengesteld aan dat van [appellant]. Immers, de in bezwaar gehandhaafde last onder dwangsom strookt met hun wensen. Nu het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep ertoe kon leiden dat de in bezwaar gehandhaafde last zou worden vernietigd, waardoor zij in een nadeliger positie zouden komen te verkeren, heeft de rechtbank voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [belanghebbende A] en anderen niet als procespartij konden deelnemen aan het geding.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college hem de last onder dwangsom zonder vooraankondiging kon opleggen. Hij voert hiertoe aan dat onverwijlde spoed niet aan de orde was. Het besluit van 28 juni 2012 is daarom op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen, aldus [appellant].

3.1. Artikel 4:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, het die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

Ingevolge artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan toepassing van artikel 4:8 achterwege laten voor zover de vereiste spoed zich daartegen verzet.

3.2. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2006 in zaak nr. 200508018/1, terecht overwogen dat in het midden kan worden gelaten of het college al dan niet toepassing heeft mogen geven aan artikel 4:11 van de Awb, nu het college [appellant] in de bezwaarfase in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. [appellant] heeft zijn zienswijze en bezwaren met betrekking tot het besluit van 28 juni 2012 tijdens de hoorzitting in de bezwaarschriftenprocedure naar voren kunnen brengen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een eventuele schending van artikel 4:11, aanhef en onder a van de Awb daarmee genoegzaam is hersteld. De stelling van [appellant] dat de uitspraak van 5 april 2006 op zijn situatie niet van toepassing is doordat in zijn geval de vereiste spoed ontbreekt wordt niet gevolgd, nu in deze uitspraak in het midden wordt gelaten of het college toepassing heeft mogen geven aan artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Awb.

4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, kategorie AG-H".

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bij dit plan aan deze gronden en bouwwerken gegeven bestemming.

5. Vast staat dat het gebruik van het perceel waarop de last onder dwangsom ziet, in strijd is met de geldende bestemming, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden. Voorts staat vast dat [appellant] eigenaar is van het perceel.

6. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Daartoe wordt van belang geacht dat, naar ook de rechtbank heeft overwogen, [appellant] de motorcrossers in de gelegenheid heeft gesteld het perceel als crossterrein te gebruiken en tevens in de positie verkeert de overtreding te doen stoppen door de motorcrossers de toegang tot het weiland te ontzeggen.

7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Hiertoe voert hij aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, door gemeenteambtenaar Hoogendorp wel degelijk de toezegging is gedaan dat vergunning voor het motorcrossen zou worden verleend en dat dit laatste ter zitting van de rechtbank door een van de motorcrossers, te weten B. Middel, onder ede is verklaard. Hij voert tevens aan dat Hoogendorp door de rechtbank ten onrechte niet onder ede is gehoord.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 25 april 2012 in zaak nr. 201109410/1/A1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat, hoewel er niet aan behoeft te worden getwijfeld dat Middel en de andere motorcrossers de uitlatingen van Hoogendorp hebben opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging, [appellant] aan deze uitlatingen niet de rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat toestemming voor het motorcrossen zou worden verleend. In dat verband heeft zij terecht van belang geacht dat de bevoegdheid tot het verlenen van de benodigde vergunningen niet bij Hoogendorp berust. Dat Hoogendorp door haar niet onder ede is gehoord, maakt het voorgaande niet anders.

Het betoog faalt.

9. Het betoog van [appellant] dat concreet zicht op legalisering bestaat omdat kan worden volstaan met het verlenen van een vergunning op grond van de Algemene plaatselijke verordening faalt eveneens, reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, het motorcrossen op het perceel in strijd is met bestemmingsplan. De rechtbank heeft in dit verband, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, terecht overwogen dat ten tijde van het besluit van 31 oktober 2012 geen ontwerp ter herziening van het bestemmingsplan ter inzage lag. Voorts heeft zij terecht van belang geacht dat het college ten tijde van belang niet bereid was aan afwijking van het bestemmingsplan mee te werken, omdat het een motorcrossterrein op het perceel, met name gezien het geluid dat bij het motorcrossen wordt geproduceerd, niet passend acht, nu niet wordt voldaan aan de afstand tussen het perceel en de omliggende woningen, die in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt geadviseerd.

10. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld omdat het, naar hij stelt, ten onrechte niet handhavend optreedt tegen een zogeheten zuipkeet op een industrieterrein faalt, reeds omdat dit geen geval betreft dat met het motorcrossen op een weiland vergelijkbaar is.

11. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door het college gehanteerde begunstigingstermijn van twee dagen te kort is, faalt eveneens. De rechtbank heeft in dat verband met juistheid overwogen dat de termijn niet zodanig kort was dat in redelijkheid niet van [appellant] kon worden gevergd dat hij daarbinnen de overtreding zou beëindigen. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat [appellant] geen maatregelen hoefde te treffen om de overtreding te beëindigen, doch motorcrossers slechts de toegang tot het weiland hoefde te ontzeggen.

12. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

13. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, beslist het bestuursorgaan alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

14. Het college heeft aan zijn besluiten van 25 september 2012 en 27 november 2012 twee controles door een toezichthouder van de gemeente en twee controles door de politie ten grondslag gelegd, waarbij is geconstateerd dat werd gemotorcrosst op het perceel.

15. Het betoog van [appellant] dat het college niet tot invordering heeft kunnen overgaan voor zover de desbetreffende besluiten zijn gebaseerd op controles door de politie, aangezien, naar hij stelt, de bedoelde overtredingen niet door de daartoe bevoegde toezichthouder zijn vastgesteld, slaagt niet, reeds omdat [appellant] niet bestrijdt dat de desbetreffende overtredingen hebben plaatsgevonden.

16. Voor zover [appellant] bedoelt te betogen dat het college niet tot invordering kon overgaan vanwege het ontbreken van een vooraankondiging en het toepassen van een te korte begunstigingstermijn, wordt overwogen dat die bezwaren betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom, en in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking niet meer aan de orde kunnen komen.

17. Het beroep tegen de invorderingsbeschikkingen is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellant] tegen de invorderingsbeschikkingen van 25 september 2012 met kenmerk 041127, 041128 onderscheidenlijk 041205 en de invorderingsbeschikking van 27 november 2012 met kenmerk 041397, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

374-619.