Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2189

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201306174/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2013, kenmerk PDN/2013-095, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Oostelijke Vechtplassen aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), en het besluit van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/326, tot aanwijzing van het gebied Oostelijke Vechtplassen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103; hierna: de Vogelrichtlijn), aangepast bij besluiten van 25 april 2003 en 20 april 2004, gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306174/1/R2.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A], [appellante sub 1 B] en [appellant sub 1 C], allen wonend te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord, gevestigd te Zwolle (hierna: LTO),

3. [appellante sub 3], gevestigd te Hilversum (hierna: [appellante sub 3]),

4. [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te Nieuwersluis, gemeente Loenen (hierna: [appellant sub 4] en anderen),

5. [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te Westbroek, gemeente De Bilt (hierna: [appellant sub 5] en anderen),

6. [appellant sub 6], wonend te Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren

7. [appellant sub 7], wonend te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren,

8. [appellante sub 8 A], en [appellant sub 8 B], gevestigd respectievelijk wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]),

9. Jachthaven De Wijde Blick, gevestigd te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren (hierna: De Wijde Blick),

10. Jachthaven Muyeveld, gevestigd te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren (hierna: Muyeveld),

11. [appellante sub 11], gevestigd te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht,

12. [appellante sub 12], gevestigd te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

13. Jachthaven Quo Vadis, gevestigd te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren (hierna: Quo Vadis),

appellanten,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013, kenmerk PDN/2013-095, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Oostelijke Vechtplassen aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), en het besluit van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/326, tot aanwijzing van het gebied Oostelijke Vechtplassen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103; hierna: de Vogelrichtlijn), aangepast bij besluiten van 25 april 2003 en 20 april 2004, gewijzigd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], LTO, [appellante sub 3], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], De Wijde Blick, Muyeveld, [appellante sub 11], [appellante sub 12] en Quo Vadis beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Wijde Blick heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2014, waar LTO, vertegenwoordigd door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Zwolle en bijgestaan door H. Hooijer, [appellant sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma, advocaat te Den Haag, De Wijde Blick, vertegenwoordigd door J.J. Ridder en mr. X. Wentink, advocaat te Amsterdam, Muyeveld, vertegenwoordigd door G.J. Krijger, [appellante sub 11], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en G.J. Krijger, [appellante sub 12], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en G.J. Krijger, Quo Vadis, vertegenwoordigd door J.T.B. Knegt-Bakker en G.J. Krijger, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.D. Strookman en E. Osieck, beiden werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998 wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het tweede lid bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval:

a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voor zover vereist ingevolge de Vogelrichtlijn of

b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voor zover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting. Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover thans van belang, stellen gedeputeerde staten na overleg met de eigenaar, gebruiker en andere belanghebbenden, voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze.

Ingevolge het derde lid van dit artikel behoren tot de inhoud van een beheerplan ten minste:

a. een beschrijving van de beoogde resultaten met het oog op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding in het aangewezen gebied mede in samenhang met het bestaande gebruik in dat gebied;

b. een overzicht op hoofdlijnen van de in de door het plan bestreken periode noodzakelijke maatregelen met het oog op de onder a bedoelde resultaten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, voor zover hier van belang, maakt de initiatiefnemer voor nieuwe projecten of andere handelingen waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, voor zover hier van belang, kent, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens hoofdstuk III van de Nbw 1998, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, het orgaan dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Het beroep van [appellant sub 1]

Procedure

2. [appellant sub 1] exploiteert een melkveebedrijf op percelen in en nabij het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (hierna: het gebied). [appellant sub 1] betoogt dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze is voorbereid. Hij stelt in dit verband dat voorafgaande aan de aanmelding van het gebied voor plaatsing op de communautaire lijst geen overleg met de individuele grondeigenaren en grondgebruikers heeft plaatsgevonden over het onderzoek dat aan de aanmelding ten grondslag is gelegd. Voorts stelt hij dat de individuele grondeigenaren en grondgebruikers niet zijn geattendeerd op de mogelijkheid om in te spreken en informatie te verkrijgen in de periode dat het ontwerpbesluit tot aanwijzing van het gebied ter inzage heeft gelegen.

2.1. De Afdeling overweegt dat de staatssecretaris noch op grond van de wet noch op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur gehouden was om voorafgaande aan de aanmelding van het gebied voor plaatsing op de communautaire lijst overleg te voeren met individuele grondeigenaren en grondgebruikers over het onderzoek dat aan de aanmelding ten grondslag is gelegd. Overigens is van de zijde van de staatssecretaris met vertegenwoordigers van diverse belangenorganisaties, waaronder LTO, vooroverleg gevoerd.

Voor zover [appellant sub 1] stelt dat individuele grondeigenaren en grondgebruikers in de fase van het ontwerpbesluit niet zijn geattendeerd op de mogelijkheid in te spreken en informatie te verkrijgen, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van 15 juni 2011 in zaak nr. 201003128/1/R2, overweging 2.1.2). Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris, los van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding gehouden was individuele grondeigenaren en grondgebruikers door middel van het toezenden van een afzonderlijke brief te attenderen op de mogelijkheid een zienswijze in te dienen en informatie te verkrijgen.

Het betoog faalt.

Eigendomsrecht en volledige schadeloosstelling

3. [appellant sub 1] betoogt dat de staatssecretaris het gebied niet had mogen aanwijzen, omdat artikel 31 van de Nbw 1998 geen volledige schadeloosstelling garandeert en een onteigeningsgarantie niet is gegeven. [appellant sub 1] wijst in dit verband op de toezegging die de Europese Commissie en de Raad hebben gedaan bij de aanneming van de Habitatrichtlijn, zoals blijkt uit de resolutie van het Europees parlement over de financiering van Natura 2000 (2004/2164 (INI) (hierna: resolutie). [appellant sub 1] acht het bestreden besluit dan ook in strijd met het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Verder betoogt [appellant sub 1] dat het bestreden besluit inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht en in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: Eerste Protocol bij het EVRM).

3.1. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris gesteld dat zo al sprake is van een aantasting van het eigendomsrecht, die aantasting gerechtvaardigd is nu op grond van de Habitat- en Vogelrichtlijn de verplichting bestaat beschermde habitattypen en soorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen en te houden. Verder heeft de staatssecretaris gewezen op artikel 31 van de Nbw 1998. Wat betreft de resolutie heeft de staatssecretaris in het verweerschrift erop gewezen dat deze zich niet richt tot de lidstaten maar tot de Europese Commissie en de Raad.

3.2. De Afdeling overweegt dat de resolutie uitdrukking geeft aan de politieke wil van het Europees Parlement, maar geen juridische verplichting behelst waaraan de lidstaten gebonden zijn. Anders dan [appellant sub 1] kennelijk meent en overigens niet heeft onderbouwd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met Verdrag betreffende de Europese Unie.

Overigens vormen het gegeven dat artikel 31 van de Nbw 1998, geen volledige schadeloosstelling garandeert en dat geen onteigeningsgarantie is gegeven, geen belemmering om het gebied aan te wijzen.

Het betoog faalt.

3.3. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM overweegt de Afdeling, mede onder verwijzing naar de uitspraak van 19 maart 2003 in zaak nr. 200201933/1, het volgende.

In artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is het volgende bepaald:

"Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft het recht op het ongestoorde genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren".

Bij een aanwijzingsbesluit grond van artikel 10a van de Nbw 1998 gaat het niet om ontneming van eigendom, maar om een regeling van gebruik in het algemeen belang als in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM bedoeld. Voorts is er geen reden om aan te nemen dat dit een individuele en buitensporige last voor de eigenaar of gebruiker met zich brengt, die de staatssecretaris op voorhand zou verplichten tot het toekennen van schadevergoeding of nadeelcompensatie teneinde een onevenredig zware last voor de eigenaar of gebruiker te voorkomen.

Het betoog faalt.

Selectie en begrenzing

4. [appellant sub 1] betoogt dat de staatssecretaris bij de selectie en de begrenzing van het gebied ten onrechte geen rekening heeft gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitattypen en de wilde flora en fauna. [appellant sub 1] voert aan dat agrarische gronden buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied dienen te vallen. Verder betoogt [appellant sub 1] dat de staatssecretaris onvoldoende heeft aangetoond dat uitbreiding van de begrenzing van het gebied noodzakelijk is.

4.1. De Afdeling overweegt dat het gebied reeds bij besluit van 24 maart 2000, gewijzigd bij besluiten van 25 april 2003 en 20 april 2004, is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het bestreden besluit strekt onder meer tot wijziging van de begrenzing van het destijds aangewezen gebied. Dit betekent dat thans, voor zover het de begrenzing van het gebied ter uitvoering van de Vogelrichtlijn betreft, in beginsel slechts de wijzigingen ten opzichte van de eerdere besluiten ter uitvoering van de Vogelrichtlijn in geschil zijn. Deze eerdere besluiten zijn immers rechtens onaantastbaar geworden. Dit is slechts anders indien nieuwe feiten of omstandigheden van na het rechtens onaantastbaar worden van de eerdere besluiten naar voren worden gebracht en deze feiten en omstandigheden voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn het besluit op onderdelen te wijzigen. [appellant sub 1] heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de staatssecretaris, los van de wijziging van de begrenzing die hij bij het aanwijzingsbesluit heeft aangebracht, in afwijking van de eerdere aanwijzing en wijzigingen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn de grens van het gebied diende te wijzigen.

4.2. Zoals volgt uit de uitspraak van 19 maart 2003 in zaak nr. 200201933/1, overweging 2.4 en volgende, kunnen bij de selectie en begrenzing van gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn slechts ornithologische en daarmee direct en noodzakelijkerwijs samenhangende landschapsecologische criteria worden gehanteerd. Hierbij heeft de Afdeling verwezen naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: Europese Unie) (hierna: het Hof) in de Lappel Bank zaak van 11 juli 1996 (C-44/95) en de Santoña zaak van 2 augustus 1993 (C-355/90) (www.curia.europa.eu). Dit betekent dat de staatssecretaris bij de selectie en begrenzing van het Vogelrichtlijn-gebied geen rekening mag houden met andere criteria dan de voornoemde en bij die selectie en begrenzing derhalve agrarische bedrijfsbelangen niet mag betrekken.

De begrenzing van het aangewezen gebied is op de in paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting bij het bestreden besluit aangegeven wijze aangepast. Voor zover het een verruiming van de eerdere begrenzing ter uitvoering van de Vogelrichtlijn betreft, gaat het om toevoeging van 14 ha van het zuidelijke deel van het beschermd natuurmonument Terra Nova, gelegen tussen Loenen en de Waterleidingplas. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris aan deze uitbreiding van de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied geen deugdelijke ornithologische en daarmee direct en noodzakelijkerwijs samenhangende landschapecologische criteria ten grondslag heeft gelegd.

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 november 2008 in zaak nr. 200802545/1 kunnen volgens vaste jurisprudentie van het Hof bij een besluit ter uitvoering van de Habitatrichtlijn uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de begrenzing van het gebied. Bij de vaststelling van een aanwijzingsbesluit mag volgens het arrest van het Hof van 7 november 2000 in zaak no. C-371/98 (First Corporate Shipping, punten 16 en 25; www.curia.europa.eu) geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn.

Dit betekent dat de staatssecretaris bij de begrenzing ter uitvoering van de Habitatrichtlijn geen rekening mag houden met andere dan ecologische criteria en ook bij die begrenzing derhalve agrarische bedrijfsbelangen niet mag betrekken. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris toegelicht dat de agrarische percelen in het ter uitvoering van de Habitatrichtlijn aangewezen gedeelte van het gebied onderdeel zijn van het plassen- en moerasgebied met de daarin voorkomende habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor het gebied is aangewezen [appellant sub 1] heeft niet met concrete gegevens onderbouwd dat de begrenzing van het gebied ter uitvoering van de Habitatrichtlijn niet op deugdelijke ecologische gronden heeft plaatsgevonden. Anders dan [appellant sub 1] stelt, was de staatssecretaris niet verplicht op de kaart die behoort bij het aanwijzingsbesluit aan te geven in welke delen van het gebied de kwalificerende habitattypen precies voorkomen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 27 december 2012 in zaak nr. 201112050/1/A4, overweging 2.1, speelt dit eerst een rol bij het vaststellen van een beheerplan en de vergunningverlening in het kader van de Nbw 1998.

4.4. De betogen falen.

Nadelige gevolgen van de aanwijzing

5. [appellant sub 1] betoogt dat de aanwijzing van het gebied nadelige gevolgen heeft voor zijn bedrijfsvoering vanwege de beperkingen die voortvloeien uit het stelsel van de Nbw 1998, waaronder de vergunningplicht als bedoeld in artikel 19d.

5.1. Artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 brengt met zich dat een vergunning op grond van die wet nodig is, indien sprake is van een project dat of andere handeling die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Of dat het geval is en of in voorkomend geval vergunning al dan niet zal kunnen worden verleend, kan niet in deze procedure worden beantwoord, maar zal van geval tot geval dienen te worden bepaald, zo volgt uit het systeem van de Nbw 1998. Daar komt bij dat het gebied al bij besluit van 24 maart 2000 is aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Ten aanzien van het gestelde omtrent het voortzetten van bestaand gebruik overweegt de Afdeling dat artikel 19c van de Nbw 1998 in de verplichting voor het bevoegd gezag voorziet ervoor zorg te dragen dat passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Of deze maatregelen worden genomen, en zo ja, welke maatregelen dat zullen zijn, kan in deze procedure niet worden beoordeeld. Voor niet als bestaand gebruik aan te merken projecten of andere handelingen die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, geldt dat daarvoor in beginsel ingevolge artikel 19d, eerste lid, een vergunning is vereist, tenzij de betrokken activiteit is opgenomen in een beheerplan voor het gebied. Of dergelijke projecten of andere handelingen kunnen worden voortgezet kan niet in deze procedure worden vastgesteld, maar dient van geval tot geval te worden bepaald.

Het betoog faalt.

Verhouding aanwijzingsbesluit en beheerplan

6. [appellant sub 1] betoogt dat de vereiste rechtszekerheid voor zijn bedrijf wordt aangetast nu het beheerplan eerst wordt vastgesteld na de vaststelling van het aanwijzingsbesluit.

6.1. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 5 november 2008 in zaaknr. 200802545/1, overweging 2.14.3, heeft overwogen, volgt uit artikel 19a van de Nbw 1998 noch uit enige andere wettelijke bepaling dat het aanwijzingsbesluit en het beheerplan voor een Natura 2000-gebied gelijktijdig moeten worden vastgesteld. Dat een nauwkeuriger vaststelling van de gevolgen van de aanwijzing eerst kan plaatsvinden na totstandkoming van het beheerplan vloeit daaruit voort dat, naar volgt uit de aangehaalde bepaling, eerst in het beheerplan de concreet te nemen instandhoudingsmaatregelen worden vastgelegd. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat het vaststellen van het beheerplan voor het gebied erg lang duurt, overweegt de Afdeling dat het vaststellen van het beheerplan voor het gebied in de voorliggende procedure niet ter beoordeling staat. De staatssecretaris heeft in redelijkheid reeds voor de totstandkoming van het beheerplan kunnen overgaan tot aanwijzing van het gebied.

Het betoog faalt.

Relatie met de ruimtelijke ordening

7. [appellant sub 1] betoogt dat de aanwijzing van het gebied een schending betekent van het systeem van ruimtelijke ordening, zoals dat is verankerd in de Wet ruimtelijke ordening.

7.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 juni 2011, in zaak nr. 201002616/1/R2, overweging 2.13.1, is Nederland op grond van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn verplicht om speciale beschermingszones aan te wijzen. Uit artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn vloeit voor Nederland de verplichting voort om de gebieden die tot gebied van communautair belang zijn verklaard zo spoedig mogelijk als speciale beschermingszone aan te wijzen. Als gevolg daarvan dient in nationale wet- en regelgeving en bij de toepassing daarvan rekening te worden gehouden met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en niet andersom.

Het betoog faalt.

8. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van LTO

Begrenzing

9. LTO betoogt dat percelen met een agrarische bestemming die niet primair nodig zijn voor de realisering van de instandhoudingsdoelstellingen buiten de begrenzing van het gebied hadden moeten worden gelaten.

9.1. Met betrekking tot dit betoog verwijst de Afdeling naar hetgeen zij hiervoor in 4.1 tot en met 4.3 heeft overwogen.

LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de begrenzing van het gebied, voor zover dat betrekking heeft op gedeelten die een agrarische bestemming hebben, niet op deugdelijke ecologische gronden heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

Instandhoudingsdoelstellingen

10. LTO betoogt dat voor het habitattype kranswierwateren (H3140) volstaan had moeten worden met het behoud van de oppervlakte en het behoud van de huidige kwaliteit. In dit verband voert zij aan dat het gebied niet behoort tot de vijf belangrijkste gebieden binnen Nederland met betrekking tot dit habitattype en dat dit habitattype niet in het gehele gebied voorkomt.

10.1. De staatssecretaris heeft voor het habitattype kranswierwateren (H3140) als instandhoudingsdoelstelling uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vastgesteld.

10.2. In de Nota van toelichting bij het bestreden besluit is vermeld dat voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de "vijf belangrijkste gebieden" zijn geselecteerd. Voor prioritaire habitattypen geldt dat in eerste instantie de "tien belangrijkste gebieden" zijn geselecteerd. De selectie van deze gebieden is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding. De in het bestreden besluit beschreven methode van selectie van Habitatrichtlijngebieden strookt met het daaraan ten grondslag liggende 'Verantwoordingsdocument' uit mei 2003, waarnaar in het bestreden besluit ook wordt verwezen.

In dit kader wijst de Afdeling erop dat indien een gebied op basis van bovenstaande selectiecriteria is aangemeld voor plaatsing op de lijst van gebieden van communautair belang en daarop is geplaatst, de aanmelding en plaatsing op die lijst niet uitsluitend zien op de habitattypen en habitatsoorten waarvoor het desbetreffende gebied is geselecteerd, omdat het daarvoor tot de vijf of tien belangrijkste gebieden behoort, maar betrekking heeft op alle habitattypen en habitatsoorten die in het bewuste gebied voorkomen in een meer dan verwaarloosbare oppervlakte dan wel populatie. Ook voor die habitattypen en soorten die niet direct tot de selectie van de gebieden hebben geleid, maar die wel in die gebieden voorkomen, dienen derhalve instandhoudingsdoelstellingen te worden geformuleerd. Het voorgaande is ook toegelicht in het bestreden besluit.

Uit het voorgaande volgt dat hetgeen LTO stelt over het niet behoren van het gebied tot de vijf belangrijkste gebieden in Nederland voor het habitattype kranswierwateren (H3140) - dat geen habitattype is waarvoor het gebied is geselecteerd - geen reden is om voor dit habitattype de instandhoudingsdoelstelling uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit niet vast te stellen voor het gebied.

Dit deel van het betoog faalt.

10.3. Zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2011 in zaak nr. 201003128/1/R2 kan, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, indien een gebied wordt aangewezen voor een habitattype of soort in het aanwijzingsbesluit niet worden volstaan met een instandhoudingsdoelstelling die ertoe leidt dat het desbetreffende habitattype of de desbetreffende soort op landelijk niveau in een ongunstige staat van instandhouding blijft verkeren dan wel komt te verkeren. Uit de Habitatrichtlijn volgt immers dat de lidstaat in beginsel is gehouden om alle benodigde maatregelen te treffen om habitattypen en soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden dan wel te herstellen.

De omstandigheid dat het habitattype kranswierwateren (H3140) niet in het gehele gebied aanwezig is en in ruimere mate voorkomt in andere Natura 2000-gebieden, waaronder Markermeer & IJmeer, staat er niet aan in de weg dat het gebied eveneens voor dit habitattype wordt aangewezen en dat daarvoor de instandhoudingsdoelstelling uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit wordt vastgesteld. Hierbij betrekt de Afdeling dat voor dit habitattype op landelijk niveau dezelfde doelstelling geldt en dat in bijlage B bij het bestreden besluit is gemotiveerd waarom voor het gebied deze instandhoudingsdoelstelling in plaats van een behouddoelstelling is geformuleerd voor het desbetreffende habitattype.

Het overige deel van het betoog faalt.

11. LTO betoogt dat voor het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) volstaan had moeten worden met een behouddoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit.

11.1. De staatssecretaris heeft voor het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) als instandhoudingsdoelstelling uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vastgesteld. In de Nota van toelichting bij het bestreden besluit staat dat verbetering van de waterkwaliteit van het oppervlaktewater voor dit habitattype moet leiden tot een grotere oppervlakte en herstel van de kwaliteit.

11.2. LTO heeft niet betwist dat het gebied één van de belangrijkste gebieden is voor het habitattype krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150). Verder heeft zij niet betwist dat de landelijke staat van instandhouding van dit habitatype op de aspecten oppervlakte en kwaliteit is beoordeeld als matig ongunstig. In bijlage B bij het bestreden besluit is beschreven dat het IJsselmeer het belangrijkste gebied voor dit habitattype is in de vorm van fonteinkruidvelden (ruim 1000 ha). Er zijn ook andere gebieden met minstens 100 ha van dit habitattype, waaronder de Oostelijke Vechtplassen, te weten 180 ha, met onder andere krabbenscheer. Deze gebieden doen recht aan de ecologische variatie binnen dit habitattype: grote meren met fonteinkruiden en plassen met krabbenscheer. In het Naardermeer betreffen de met waterplanten begroeide plassen vooral kranswierwateren (H3140) en is het aandeel van H3150 hooguit enkele tientallen hectaren. Ter zitting is van de zijde van de staatssecretaris toegelicht dat de achteruitgang van de kwaliteit van het habitattype te maken heeft met de waterkwaliteit. De trend is dat de waterkwaliteit van het gebied beter wordt. Het beleid blijft gericht op verbetering van de waterkwaliteit. De instandhoudingsdoelstelling uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van dit habitattype voor het gebied sluit hierop aan. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris in hetgeen LTO heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om voor het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) te volstaan met een behouddoelstelling.

Het betoog faalt.

12. LTO betoogt dat voor het habitattype blauwgraslanden (H6410) volstaan had moeten worden met een behouddoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit.

12.1. De staatssecretaris heeft voor het habitattype blauwgraslanden (H6410) als instandhoudingsdoelstelling behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit vastgesteld. In de Nota van toelichting bij het bestreden besluit staat dat dit habitattype sterk heeft geleden onder ontwatering en ontginning. Vooral aan de oostkant van het gebied worden goede resultaten geboekt met herstelbeheer, maar de kwaliteit is vooralsnog overwegend matig.

12.2. LTO heeft niet betwist dat de landelijke staat van instandhouding van het habitattype blauwgraslanden (H6410) op de aspecten oppervlakte en kwaliteit als zeer ongunstig is beoordeeld. De landelijke doelstelling uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit sluit hierop aan. In een aantal gevallen is hiervan afgeweken en is er gekozen voor een behoudsdoelstelling voor de oppervlakte of de kwaliteit. Buiten het huidig voorkomen in het betreffende gebied zijn niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden aanwezig. De landelijke doelstelling ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype kan dan ook niet in alle gebieden gerealiseerd worden. De staatssecretaris heeft toegelicht dat het gebied Oostelijke Vechtplassen tot de meer kansrijke gebieden behoort. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling het niet onredelijk dat de staatssecretaris voor het habitattype blauwgraslanden (H6410), naast een behouddoelstelling voor de oppervlakte, een verbeterdoelstelling voor de kwaliteit heeft vastgesteld.

Het betoog faalt.

13. LTO betoogt dat de huidige oppervlakte van de habitattypen overgangs- en trilvenen, trilvenen (H7140A) en overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (H7140B) te beperkt is en dat daarom geen instandhoudingsdoelstelling voor deze habitattypen had moeten worden opgenomen. Daarbij wijst zij erop dat de oppervlakte en de kwaliteit van deze habitattypen achteruit zijn gegaan door natuurlijke successie naar broekbos. Naar LTO stelt moet geaccepteerd worden dat natuurlijke successie plaats vindt. Daarbij merkt zij op dat ook in het kader van het principe ‘haalbaar en betaalbaar’ veel inspanning dient te worden verricht om een tussenstadium te behouden, terwijl de natuurlijke omstandigheden nu juist leiden tot opeenvolging van stadia.

13.1. De staatssecretaris heeft voor de habitattypen trilvenen (H7140A) en veenmosrietlanden(H7140B) als instandhoudingsdoelstelling uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vastgesteld. In de Nota van toelichting bij het bestreden besluit staat dat oorspronkelijk beide typen in uitstekende staat van ontwikkeling voorkwamen. Door natuurlijke successie naar broekbos en door externe factoren zijn de oppervlakte en kwaliteit sterk achteruit gegaan. Recente herstelmaatregelen zijn vooral gericht op het habitattype H7140A, maar zouden ook voor H7140B moeten worden getroffen. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris toegelicht dat de maatregelen ter uitvoering van de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitattypen voor het gebied realistisch zijn.

13.2. De Afdeling overweegt dat beide habitattypen voorkomen op bijlage I van de Habitatrichtlijn. Beide typen zijn aangemeld voor plaatsing op de communautaire lijst en vervolgens door de Europese Commissie op die lijst geplaatst. Dit brengt voor de staatssecretaris de verplichting mee voor deze typen gebieden aan te wijzen en daarbij instandhoudingsdoelstellingen vast te stellen. LTO heeft niet betwist dat de landelijke staat van instandhouding van het habitattype H7140A op de aspecten oppervlakte en kwaliteit is beoordeeld als zeer ongunstig. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Het relatieve aandeel van dit type voor het gebied valt in klasse B1(= 2-6%). Voorts heeft LTO niet betwist dat de landelijke staat van instandhouding van het habitattype H7140B op de aspecten oppervlakte en kwaliteit is beoordeeld als matig ongunstig. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Ook het relatieve aandeel van dit habitattype voor het gebied valt in klasse B1. LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitattypen voor het gebied niet in overeenstemming zijn met het uitgangspunt ‘haalbaar en betaalbaar’ dat de staatssecretaris bij de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau hanteert. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat de habitattypen trilvenen en veenmosrietlanden als gevolg van ongunstige hydrologische omstandigheden en teveel voedsel onder andere als gevolg van stikstof, kunnen verbossen. Bij een goed beheer kan verbossing worden voorkomen.

Het betoog faalt.

14. LTO betoogt dat voor het habitattype galigaanmoerassen (H7210) volstaan had moeten worden met een behouddoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit. In dit verband wijst zij op vermindering van oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype door natuurlijke successie. Verder stelt LTO dat dit habitattype minder voorkomt, te weten 5,5 ha, dan bij de aanmelding was verondersteld, te weten 32 ha.

14.1. De staatssecretaris heeft voor het habitattype galigaanmoerasen (H7210) als instandhoudingsdoelstelling uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vastgesteld. In de Nota van toelichting bij het bestreden besluit staat dat het gebied tot de kerngebieden in Nederland van dit habitattype behoorde. Momenteel is de oppervlakte galigaan niet groot. Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit is goed mogelijk samen met andere habitattypen. Galigaanmoerassen maken samen met de habitattypen H7140, H4010, H6410 en H91D0 deel uit van de vegetatie successie in zoete laagveengebieden (verlanding van petgaten en open water). Het habitattype galigaanmoerassen heeft een sterk versnipperd voorkomen dat doorgaans over kleine oppervlakten voorkomt. Van de ongeveer 100 ha galigaanmoerassen in Nederland is bijna de helft opgenomen in het Natura 2000-netwerk.

14.2. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype galigaanmoerassen (H7210) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als matig ongunstig. Ondanks dat ook de staat van instandhouding op het aspect oppervlakte matig ongunstig is, geldt voor de oppervlakte landelijk een behouddoelstelling. De reden hiervoor is dat het landschaps-ecologisch nauwelijks uitvoerbaar is om de aanwezige oppervlakten uit te breiden. Slechts in enkele gebieden zijn goede potenties voor uitbreiding van de oppervlakte. In deze gebieden wordt deze mogelijkheid benut en wijkt de doelstelling dan ook af van het landelijk doel. Dit betreft onder andere de Oostelijke Vechtplassen, waar uitbreiding van de oppervlakte beoogd wordt om het habitattype duurzaam te behouden en de kwaliteit te verbeteren.

Het landelijke doel ter verbetering van de kwaliteit van het habitattype galigaanmoerassen (H7210) biedt niet in alle gebieden evenveel potentie. Het meest kansrijk is de kwaliteitsverbetering in het Natura 2000-landschap Meren en Moerassen in combinatie met het habitattype overgangs- en trilvenen, trilvenen (H7140A). De verbeteropgave is daarom onder andere neergelegd in het gebied Oostelijke Vechtplassen.

14.3. LTO heeft niet betwist dat de landelijke staat van instandhouding van galigaanmoerassen (H7210) op de aspecten oppervlakte en kwaliteit is beoordeeld als matig ongunstig. De landelijke instandhoudingsdoelstelling sluit hierop aan. Het relatieve aandeel van dit habitattype voor het gebied valt in klasse B. LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype voor het gebied niet in overeenstemming is met het uitgangspunt ‘haalbaar en betaalbaar’ dat de staatssecretaris bij de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau hanteert. Daarbij heeft de staatssecretaris in aanmerking mogen nemen dat dit habitattype deel uitmaakt van de vegetatie successie van andere habitattypen in het gebied.

Voor zover LTO stelt dat dit habitattype minder voorkomt dan bij de aanmelding was verondersteld, heeft de staatssecretaris in het verweerschrift uiteengezet dat dit juist is en een gevolg is van de beperkingen van het systeem van aanmelding. Bij de aanmelding bestond niet de mogelijkheid om een oppervlakte in hectaren op te geven. Er is alleen een percentage, te weten 1%, opgegeven van de totale aangemelde oppervlakte van het gebied. Dit percentage kon in de Natura 2000-database alleen in hele cijfers worden vermeld, hetgeen betekent dat ook bij een oppervlakte van minder dan 32 ha, het voorkomen van een habitattype alleen kon worden opgegeven met een aanduiding van 1%. LTO heeft deze toelichting niet met concrete tegenargumenten weerlegd.

Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris in hetgeen LTO heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om voor het habittattype galigaanmoerassen (H7210) te volstaan met een behouddoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit.

Het betoog faalt.

15. LTO betoogt dat verdere bescherming van de kolgans en de grauwe gans niet noodzakelijk is, nu volgens het Faunabeheerplan Noord-Holland een aantal van ten hoogste 350 broedplaatsen moet worden nagestreefd.

15.1. De staatssecretaris heeft ter uitvoering van de Vogelrichtlijn het gebied onder meer aangewezen voor de kolgans en de grauwe gans als niet-broedvogels. Voor de kolgans is de instandhoudingsdoelstelling behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 920 vogels (seizoensgemiddelde). Voor de grauwe gans is de instandhoudingsdoelstelling behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.200 vogels (seizoensgemiddelde). Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaats- en een foerageerfunctie.

15.2. LTO heeft niet betwist dat de kolgans en de grauwe gans voor het gebied zijn aangewezen als niet-broedvogels. Hetgeen LTO stelt omtrent het Faunabeheerplan Noord-Holland heeft betrekking op broedplaatsen. De in geding zijnde instandhoudingsdoelstellingen hebben daarop geen betrekking.

Het betoog faalt.

16. Het beroep is ongegrond.

[appellante sub 3]

17. [appellante sub 3] exploiteert een melkveehouderij aan de [locatie 1] te Hilversum. Haar huiskavel beslaat 30 ha grasland. De afstand vanaf de boerderij tot de grens van het aangewezen gebied bedraagt ongeveer 500 m. Daarnaast heeft zij percelen in gebruik in Kortenhoef, welke percelen grenzen aan het aangewezen gebied. [appellante sub 3] vreest dat het aanwijzingsbesluit nadelige gevolgen heeft voor haar bedrijf. Voor haar beroepsgronden heeft [appellante sub 3] verwezen naar het beroepschrift van LTO.

17.1. Voor zover [appellante sub 3] nadelige gevolgen voor haar bedrijf vreest, verwijst de Afdeling naar overwegingen 4.1 tot en met 4.3 en 5.1. Voor het overige heeft [appellante sub 3] dezelfde beroepsgronden aangevoerd als LTO. De Afdeling verwijst daarvoor naar overwegingen 9 tot en met 15.2.

De betogen falen.

17.2. Het beroep is ongegrond.

[appellant sub 6]

18. [appellant sub 6] exploiteert een melkveebedrijf aan de [locatie 2] te Nederhorst den Berg. De percelen van [appellant sub 6] zijn gelegen buiten het gebied. De kortste afstand van de percelen tot de grens van het gebied bedraagt 700 m. [appellant sub 6] vreest dat het bestreden besluit nadelige gevolgen heeft voor zijn bedrijf, omdat hij dat in de nabije toekomst wil uitbreiden.

18.1. Voor zover [appellant sub 6] nadelige gevolgen voor zijn bedrijf vreest, verwijst de Afdeling naar overwegingen 4.1 tot en met 4.3 en 5.1. Voor het overige heeft [appellant sub 6] dezelfde beroepsgronden aangevoerd als LTO. De Afdeling verwijst daarvoor naar overwegingen 9 tot en met 15.2. De betogen falen.

18.2. Het beroep is ongegrond.

[appellant sub 7]

19. [appellant sub 7] exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [locatie 3] te Kortenhoef. [appellant sub 7] vreest dat het bestreden besluit nadelige gevolgen heeft voor de toekomstige gebruiksmogelijkheden van zijn percelen. Hij betoogt dat het bestreden besluit in strijd met de rechtszekerheid en onzorgvuldig is, omdat het gebied is aangewezen voordat duidelijk is welke voorschriften precies zullen gelden en wat de schade is die hij zal lijden. Verder betoogt hij dat bestaande agrarische activiteiten, die relevant zijn voor de habitattypen en soorten in het gebied, onvoldoende zijn meegenomen. Zijn percelen hadden buiten de aanwijzing moeten worden gehouden.

19.1. Voor zover [appellant sub 7] nadelige gevolgen voor zijn bedrijf vreest, verwijst de Afdeling naar overweging naar overwegingen 4.1 tot en met 4.3 en 5.1. Wat betreft de gestelde strijd met rechtszekerheid en zorgvuldigheid, verwijst de Afdeling naar overwegingen 2.1, 3.2 en 6.1.

De betogen falen.

19.2. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris uiteengezet dat de percelen van [appellant sub 7], afgezien van de bebouwing, integraal deel uitmaken van het aangewezen plassen- en moerasgebied. In en om het water bevinden zich kranswierwateren (H3140), meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) met op één plek langs de oever galigaanmoerassen (H7210). De percelen zijn leefgebied van de meervleermuis, bittervoorn en kleine modderkruiper.

[appellant sub 7] heeft geen gegevens overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van hetgeen de staatssecretaris heeft gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van waarden op de percelen. De staatssecretaris heeft de percelen dan ook in redelijkheid kunnen aanwijzen.

Het betoog faalt.

19.3. Het beroep is ongegrond.

[appellant sub 4] en anderen

20. [appellant sub 4] en anderen exploiteren agrarische bedrijven in Polder Mijnden. De bedrijven zijn gelegen buiten de grens van het aangewezen gebied. Zij vrezen nadelige gevolgen voor bestaande en toekomstige gebruiksmogelijkheden van hun percelen en beperking van hun woon- en leefgenot. Daarbij komt dat het beheerplan voor het gebied nog niet is vastgesteld. Als de aanwijzing van het gebied in stand blijft, wensen zij een schadeloosstelling voor economische schade.

20.1. De Afdeling is hiervoor ingegaan op de gestelde nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor agrarische bedrijven, bestaand en toekomstig gebruik, de verhouding met het beheerplan en schadevergoeding.

[appellant sub 4] en anderen hebben in essentie geen andere gronden aangevoerd dan de gronden die hiervoor in overwegingen 4.1 tot en met 4.3 en 5.1 zijn behandeld.

De betogen falen.

20.2. Het beroep is ongegrond.

[appellant sub 5] en anderen

21. [appellant sub 5] en anderen exploiteren allen een melkveebedrijf aan de Kerkdijk te Westbroek. Zij vrezen nadelige gevolgen voor bestaande en toekomstige gebruiksmogelijkheden van hun percelen, onder meer vanwege waterpeilverhogingen en beperkingen die aan maaien en bemesten zullen worden gesteld. Daarnaast vrezen zij faunaschade vanwege nieuw beheer van het aangewezen gebied. [appellant sub 5] en anderen betogen dat de staatssecretaris voor de habitattypen kranswierwateren (H3140), meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), overgangs- en trilvenen (H7140) en galigaanmoerassen (H7210) en voor de soorten gevlekte witsnuitlibel, gestreepte waterroofkever, noordse woelmuis, roerdomp, woudaap en zwarte stern ten onrechte de instandhoudingsdoelstelling uitbreiden oppervlakte van deze habitattypen en uitbreiden van het leefgebied van deze soorten in plaats van behoud heeft vastgesteld. Verder hebben zij gewezen op ongewenste gevolgen van de instandhoudingsdoelstelling voor de kolgans en de grauwe gans. Tevens achten zij de genoemde aantallen voor deze ganzen te hoog voor het gebied. Voor zover belemmeringen in hun bedrijfsvoering zullen ontstaan eisen zij bij voorbaat volledige schadeloosstelling.

21.1. De Afdeling is hiervoor ingegaan op de gestelde nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor agrarische bedrijven, bestaand en toekomstig gebruik en schadevergoeding. [appellant sub 5] en anderen hebben wat deze onderdelen betreft in essentie geen andere gronden aangevoerd dan de gronden die hiervoor in overwegingen 4.1 tot en met 4.3 en 5.1 zijn behandeld. Voor zover zij faunaschade vrezen vanwege onder andere ganzen en nieuw beheer, wijst de Afdeling erop dat het betoog in zoverre ziet op het treffen van beheermaatregelen. In het kader van deze procedure kunnen beheermaatregelen als zodanig echter niet aan de orde komen, maar eerst bij het vaststellen van een beheerplan voor het gebied.

De betogen falen.

21.2. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris uiteengezet dat binnen de door [appellant sub 5] en anderen aangegeven gedeelten van het gebied ten noorden van de Kerkdijk diverse habitattypen en leefgebieden van soorten, waarvoor het gebied is aangewezen, aanwezig zijn. In het aanwijzingsbesluit en ter zitting heeft de staatssecretaris nader toegelicht om welke redenen hij een uitbreidingsdoelstelling in plaats van een behouddoelstelling heeft vastgesteld voor de oppervlakte van de habitattypen en het leefgebied van de soorten. [appellant sub 5] en anderen hebben geen concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat de vaststelling van bedoelde uitbreidingsdoelstelling op onjuiste of onvolledige ecologische gronden heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

21.3. Wat betreft de kolgans en de grauwe gans verwijst de Afdeling naar overwegingen 15.1 en 15.2. [appellant sub 5] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop de staatssecretaris de aantallen voor de kolgans en de grauwe gans, respectievelijk 920 en 1.200, heeft vastgesteld onjuist is. Daarbij is in aanmerking genomen dat de staatssecretaris is uitgegaan van de landelijke doelstelling, een relatieve bijdrage van het gebied in categorie C (=>2%) en het seizoensgemiddelde. Het seizoensgemiddelde is het gemiddeld aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks van seizoenen (1999/2000 - 2003/2004).

Het betoog faalt.

21.4. Het beroep is ongegrond.

[appellant sub 8]

22. [appellant sub 8] exploiteert een recreatiebedrijf, waaronder een jachthaven, aan de [locatie 4] te Loosdrecht. Zij betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte een gedeelte van ongeveer 200 m2 aan de noord- en oostzijde, binnen de eigendomsgrenzen, van zijn perceel kadastraal bekend gemeente Loosdrecht sectie F nr. 1195 heeft aangewezen als Natura 2000-gebied. In dit verband voert [appellant sub 8] aan dat het betreffende perceel deel uitmaakt van haar bedrijf en dat de instandhoudingsdoelstellingen ter plaatse niet kunnen worden gehaald.

22.1. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris aan de hand van een detailkaart verklaard dat het door [appellant sub 8] genoemde perceel geheel buiten de begrenzing van het aangewezen gebied valt.

Nu gelet op genoemde detailkaart vast staat dat het perceel van [appellant sub 8] buiten het aangewezen gebied ligt, mist dat het beroep in zoverre feitelijke grondslag.

22.2. Voor zover het betoog ertoe strekt dat de staatssecretaris met het oog op de bedrijfsbelangen van [appellant sub 8] meer perceelsgedeelten die van belang zijn voor haar bedrijf had moeten uitsluiten van de aanwijzing, overweegt de Afdeling - onder verwijzing naar overwegingen 4.1. tot en met 4.3 - dat bedrijfsbelangen geen rol mogen spelen bij de begrenzing van het gebied. [appellant sub 8] heeft geen ecologische argumenten aangevoerd op grond waarvan, anders dan op grond van de algemene exclaveringsformule zoals uiteengezet op pagina 11 van het bestreden besluit, meer perceelsgedeelten buiten de begrenzing van het gebied hadden moeten worden gelaten.

Het betoog faalt.

22.3. Het beroep is ongegrond.

De Wijde Blick

23. De Wijde Blick exploiteert een jachthaven met werf aan Moleneind 65 te Kortenhoef. Hij betoogt dat een gedeelte van zijn bebouwde gronden ten onrechte binnen de Natura 2000-begrenzing valt. In dit verband wijst De Wijde Blick op de algemene exclaveringsformule op grond waarvan onder meer bestaande bebouwing, erven, tuinen en verhardingen buiten de begrenzing vallen. Hij beroept zich tevens op het gelijkheidsbeginsel, nu de woonarken van zijn buren wel buiten de begrenzing van het gebied vallen. Ook een andere jachtwerf aan het Moleneind en een jachthaven aan de Horndijk/Vuntus vallen buiten die begrenzing. Verder betoogt hij dat zijn jachthaven volgens het beleid van de staatssecretaris op de gebiedskaart behorende bij het aanwijzingsbesluit buiten de begrenzing had moeten worden gehouden. In dit verband wijst De Wijde Blick erop dat de staatssecretaris in een ander geval de begrenzing heeft aangepast die in het ontwerpaanwijzingsbesluit midden over de buitenste steiger van een jachthaven liep. De Wijde Blick stelt voorts dat volgens de kaart van 8 april 2003 de plas Wijde Blik niet is aangemeld voor plaatsing op de communautaire lijst, zodat deze plas niet zonder meer kan worden meegenomen als onderdeel van het aanwijzingsbesluit. Ten slotte betoogt hij dat eerst een beheerplan voor het gebied had moeten worden vastgesteld en daarna pas het aanwijzingsbesluit.

23.1. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift uiteengezet dat op het betrokken perceel, te weten nr. B3022, de aanwezige bebouwing is uitgezonderd op grond van de topografische kaart (2008, situatie 2003, topografische omschrijving: "overig bodemgebruik"). Overige bebouwing en woonschepen, die op kaart noch luchtfoto duidelijk herkenbaar waren, vallen volgens de staatssecretaris onder de algemene exclaveringsformule. Dat de uitzondering op de kaart op het perceel nr. B1650 ruimer is komt doordat het topografische vlak "overig bodemgebruik" daar, in combinatie met het water van de jachthaven, vrijwel het gehele perceel en aangrenzende percelen beslaat. In het verweerschrift en ter zitting heeft de staatssecretaris, onder verwijzing naar hoofdstuk 3.1 van bijlage C bij het bestreden besluit, toegelicht dat is besloten de exclaveringsformule voor havens, die van toepassing was bij de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied en op grond waarvan niet alleen de haven maar ook een zone van 100 meter vanaf de havenmond buiten de begrenzing werd gehouden, te laten vervallen, omdat de formule aanleiding gaf tot misverstanden vanwege de onduidelijkheid over de invulling van het begrip haven en de bepaling van de zone van 100 meter. De bestaande jachthaven van De Wijde Blick is thans op de gebiedskaart uitgezonderd. Op zichzelf staande aanlegvoorzieningen binnen het gebied, zoals aanlegsteigers, worden niet tot de jachthaven gerekend.

23.2. Voor zover het betoog van De Wijde Blick ertoe strekt dat de staatssecretaris op de gebiedskaart een zone van 100 meter vanaf de havenmond buiten de begrenzing had moeten laten, overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris op goede gronden heeft besloten deze zone niet buiten de begrenzing van het gebied te houden. Daarbij is in aanmerking genomen dat de exclaveringsformule voor havens, zoals die is toegepast bij de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied, aanleiding gaf tot misverstanden over met name de bepaling van de zone van 100 meter.

Het betoog faalt.

23.3. De Afdeling ziet in hetgeen De Wijde Blick heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de begrenzing op de gebiedskaart ter plaatse van de jachthaven met werf van De Wijde Blick op onjuiste of onvolledige informatie is gebaseerd. De staatssecretaris heeft zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het perceel dat direct aan de noordzijde van de bestaande uitgezonderde haven is gelegen en waar zich onder andere een woonboot bevindt, voor de toepassing van artikel 10a van de Nbw 1998 niet kan worden beschouwd als jachthaven. Weliswaar heeft De Wijde Blick het in haar opdracht door bureau Waardenburg opgestelde rapport "Natuurtoets jachtwerf/jachthaven "De Wijde Blick, Kortenhoef" van 7 april 2014 overgelegd, maar dat rapport toont niet aan dat de staatssecretaris de begrenzing van de uitzondering op de gebiedskaart ter plaatse van de jachthaven ruimer had moeten trekken. Daarbij is in aanmerking genomen dat op zichzelf staande aanlegvoorzieningen, zoals aanlegsteigers en verhardingen, die zich ten noorden van de bestaande haven bevinden, vallen onder de algemene exclaveringsclausule.

Voorts heeft de staatssecretaris terecht geen rekening gehouden met uitbreidingsplannen van De Wijde Blick, omdat - zoals hiervoor overwogen - bedrijfsbelangen geen rol mogen spelen bij de begrenzing van het gebied.

Het betoog faalt.

23.4. Voor zover De Wijde Blick betoogt dat de staatssecretaris in een aantal andere gevallen met betrekking tot de gebiedskaart percelen die bij havens, al dan niet in combinatie met een werf, horen buiten de begrenzing van het gebied heeft gebracht, heeft De Wijde Blick niet aannemelijk gemaakt dat in die gevallen sprake is van een gelijke situatie als bij haar bedrijf.

Het betoog faalt.

23.5. De staatssecretaris heeft de plas Wijde Blik ook aangewezen ter uitvoering van de Habitatrichtlijn wegens de aanwezigheid van de habitattype kranswierwateren (H3140), meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), galigaanmoerassen (H7210) en hoogveenbossen 9H91D0) en de aanwezigheid van leefgebieden van zeggekorfslak, gestreepte waterroofkever, meervleermuis, kleine modderkruiper en rivierdonderpad . Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200908058/1/R2, overweging 2.11.2 bestaat bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied een zekere beoordelingsruimte bij de exacte begrenzing. Door de uitbreiding van het gebied als gevolg van de aangepaste begrenzing wordt verdergaande bescherming geboden dan voortvloeit uit de Habitatrichtlijn. Een dergelijke uitbreiding doet geen afbreuk aan het door de Habitatrichtlijn beoogde doel van waarborging van biodiversiteit door instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna door middel van het vormen van een coherent Europees ecologisch netwerk van speciale beschermingszones. Deze richtlijn kent geen verplichting om uitbreiding van een Natura 2000-gebied voorafgaande aan de aanwijzing van het gebied bij de Europese Commissie te melden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het aanpassen van de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied met de plas Wijde Blik niet bij het bestreden besluit had mogen plaatsvinden.

Het betoog faalt.

23.6. Voor zover De Wijde Blick betoogt dat de staatssecretaris de vaststelling van het definitieve beheerplan voor het gebied had moeten afwachten alvorens het aanwijzingsbesluit vast te stellen, verwijst de Afdeling naar overweging 6.1.

Het betoog faalt.

23.7. Het beroep is ongegrond.

Muyeveld, [appellante sub 11], [appellante sub 12] en Quo Vadis

24. Muyeveld exploiteert een jachthaven aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 270 te Loosdrecht, gelegen aan de Derde plas van de Loosdrechtse Plassen.

[appellante sub 11] exploiteert een jachthaven aan de [locatie 5] te Breukelen die direct verbonden is met de vijfde plas van de Loosdrechtse Plassen.

[appellante sub 12] exploiteert een jachthaven aan de [locatie 6] te Loosdrecht, gelegen aan de Vuntusplas die deel uitmaakt van het aangewezen gebied.

Quo Vadis exploiteert een jachthaven aan de Horndijk 37 te Loosdrecht, gelegen aan de Vuntusplas die deel uitmaakt van het aangewezen gebied.

Zij betogen dat als gevolg van het aanwijzingsbesluit hun bedrijven worden benadeeld. Verder voeren zij aan dat de staatssecretaris ten onrechte geen rekening heeft gehouden met bestaand gebruik. Door het ontbreken van een vastgesteld beheerplan is het niet mogelijk een juiste afweging van hun bedrijfsbelangen te maken. Verder betogen zij dat de staatssecretaris de zone van 100 meter vanaf de havenmond, die gold bij de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied, ten onrechte niet op de gebiedskaart buiten de begrenzing van het gebied heeft gelaten.

24.1. Muyeveld, [appellante sub 11], [appellante sub 12] en Quo Vadis hebben wat betreft de gestelde nadelige gevolgen van het aanwijzingsbesluit voor hun bedrijven, bestaand en toekomstig gebruik en schadevergoeding geen andere gronden aangevoerd dan de gronden die hiervoor in overwegingen 4.1 tot en met 4.3 en 5.1 zijn behandeld. De bedrijfsbelangen, waaronder bestaand en toekomstig gebruik, van Muyeveld, [appellante sub 11], [appellante sub 12] en Quo Vadis kunnen niet worden betrokken bij de selectie en begrenzing van het gebied. Voor zover hun betoog zich richt tegen het ontbreken van een vastgesteld beheerplan, verwijst de Afdeling naar overweging 6.1.

Voor zover hun betoog ertoe strekt dat de staatssecretaris op de gebiedskaart een zone van 100 meter vanaf de havenmond van hun havens buiten de begrenzing van het gebied had moeten laten, verwijst de Afdeling naar overweging 23.2.

De betogen falen.

24.2. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

12.