Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201305194/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2013, kenmerk 2013/15, heeft de raad het bestemmingsplan "Laren-Noord" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305194/1/R3.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij voor Huizen Bezit en Beheer (hierna: de vennootschap), gevestigd te Amsterdam, en anderen,

2. [appellant sub 2], wonend te Laren,

en

de raad van de gemeente Laren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2013, kenmerk 2013/15, heeft de raad het bestemmingsplan "Laren-Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de vennootschap en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De vennootschap en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2014, waar de vennootschap en anderen, in de persoon van mr. L.H.J.M. van Asch van Wijck, bijgestaan door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. S. Levelt, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.J.J.P. Engels, mr. F.R.M. van Lent en drs. E.J. de Jong, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. In haar uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201200104/1/R1 heeft de Afdeling het besluit van 28 november 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Laren-Noord" vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" en de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas" voor het perceel [locatie], zoals nader aangeduid op een bij de uitspraak behorende kaart en het plandeel met de bestemming "Bos" voor het perceel kadastraal bekend als gemeente Laren, sectie E, nummer 274. De Afdeling heeft de raad opgedragen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen voor deze plandelen. De raad heeft het plan vastgesteld ter uitvoering van deze opdracht.

Het beroep van de vennootschap en anderen

3. Ter zitting hebben de vennootschap en anderen hun beroep beperkt tot de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" voor het perceel [locatie]. De vennootschap en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld, voor zover geen zichtlijnen zijn voorzien voor de plandelen met de bestemmingen "Tuin" en "Wonen" voor het perceel. Naar hun mening had de raad in zichtlijnen moeten voorzien die het vrije uitzicht vanaf het Landgoed Larenberg waarborgen.

Zij voeren aan dat de raad niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 19 december 2012 om een belangenafweging te maken tussen het culturele belang bij het behouden van de zichtlijnen en het belang van [belanghebbenden] bij hun bouwmogelijkheden. De raad heeft nagelaten rekening te houden met het recht erfdienstbaarheid dat op het perceel is gevestigd ten behoeve van het uitzicht vanaf het landgoed. Volgens de vennootschap en anderen weegt het culturele belang bij het behouden van de zichtlijnen zwaarder dan het belang van [belanghebbenden] bij hun bouwmogelijkheden.

Voorts voeren de vennootschap en anderen aan dat de aanwezigheid van een boom er niet aan in de weg staat om voor het zuidwestelijke deel perceel in een zichtlijn te voorzien. Volgens hen had de raad bij de vaststelling van het plan kunnen voorzien in een regeling die bestaande solitaire bomen binnen een zichtlijn toestaat.

Ook stellen zij dat het gemeentelijk beleid tot het opnemen van de zichtlijnen noopt, omdat op grond van dit beleid rekening moet worden gehouden met historische zichtassen. Verder voeren de vennootschap en anderen aan dat het opnemen van een zichtlijn niet tot planschade zal leiden.

3.1. De raad stelt dat privaatrechtelijke erfdienstbaarheden los staan van de rechten en plichten die voortvloeien uit bestemmingsplannen. Volgens de raad hoeft bij de vaststelling van een bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden met een recht van erfdienstbaarheid, omdat privaatrechtelijke verhoudingen niet van doorslaggevende betekenis zijn bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Voorts is de raad van mening dat de cultuurhistorische waarde van landgoed Larenberg reeds wordt beschermd in het plan. Verder leidt het opnemen van zichtlijnen voor het perceel tot financiële onuitvoerbaarheid.

3.2. In de uitspraak van 19 december 2012 heeft de Afdeling met betrekking tot de bouwmogelijkheden voor het noordoostelijke deel van het perceel het volgende overwogen:

"De vennootschap en anderen betogen terecht dat de raad het niet opnemen in het plan van de meest noordelijk gelegen zichtlijn ondeugdelijk heeft gemotiveerd. In de reactie op de zienswijze van [belanghebbenden] staat dat deze zichtlijn uit het plan wordt gehaald omdat deze zichtlijn de bouwmogelijkheden van [belanghebbenden] beperkt, hetgeen kan leiden tot planschade. Zoals de vennootschap en anderen terecht betogen, heeft de raad geen afweging gemaakt tussen het culturele belang bij het behouden van de zichtlijnen en het belang van [belanghebbenden] bij hun bouwmogelijkheden. De raad heeft bovendien niet onderkend dat het verwijderen van de zichtlijn de privaatrechtelijke belemmering om op een deel van het perceel te bouwen onverlet laat, zodat [belanghebbenden] nog steeds niet ten volle gebruik kunnen maken van hun bouwmogelijkheden."

Over het toestaan van beplanting op het zuidwestelijke deel van het perceel heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"Volgens [belanghebbenden] staan op het perceel binnen de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas", zoals deze in het plan is opgenomen, een aantal beeldbepalende bomen. [belanghebbenden] betogen terecht dat deze bomen vallen onder opgaande beplanting die visuele hinder veroorzaakt, zoals opgenomen in artikel 12, lid 12.5.1, van de planregels. Dit zou betekenen dat deze bomen hier niet zijn toegestaan en dienen te worden verwijderd. Het is in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan bestemmingen op te nemen die niet binnen de planperiode zullen worden verwezenlijkt. De raad heeft ter zitting verklaard dat niet zeker is dat de bomen binnen de planperiode zullen worden verwijderd. Desgevraagd heeft de raad voorts verklaard dat niet zeker is dat de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas", voor zover deze is gelegen op het perceel aan de [locatie], binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. Gelet hierop bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad het wel opnemen van de overige twee zichtlijnen in het plan door middel van de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas", voor zover deze is gelegen op het perceel [locatie], eveneens ondeugdelijk heeft gemotiveerd."

3.3. Vast staat dat bij notariële akte van 1 mei 1886 een recht van erfdienstbaarheid van uitzicht is gevestigd ten behoeve van onder meer het landgoed Larenberg, kadastraal bekend als gemeente Laren, sectie E, nummer 376 en ten laste van onder meer het perceel aan de [locatie]. Het recht van erfdienstbaarheid houdt in dat op onder meer het perceel aan [locatie] nimmer enige gebouwen, werken, beplantingen of enige andere verhevenheden gesticht of geplaatst mogen worden die het uitzicht van het landgoed Larenberg belemmeren.

3.4. Uit de aan het besluit van 24 april 2013 ten grondslag liggende reactie op de zienswijzen blijkt dat de raad de door de vennootschap en anderen ter plaatse van de bestemming "Wonen" en de bestemming "Tuin" voor de percelen aan de Paviljoensweg, waaronder [locatie], gewenste zichtlijnen niet heeft willen opnemen in het plan. Daarbij is in aanmerking genomen dat locatie, reikwijdte en omschrijving ervan niet duidelijk gemotiveerd konden worden, planschade zou kunnen optreden en planologische verankering van privaatrechtelijke verplichtingen in een bestemmingsplan niet wenselijk wordt geacht. De raad heeft dusdoende aan de culturele waarde van de zichtlijnen ter plaatse van voormelde percelen minder gewicht toegekend dan aan de aan door hem aanwezig geachte bezwaren tegen een planologische vastlegging van die zichtlijnen in het plan. De raad heeft daarmee uitvoering gegeven aan de hem in de uitspraak van 19 december 2012 gegeven opdracht tot nadere motivering. Voor zover het betoog van de vennootschap en anderen ertoe strekt dat het besluit van 24 april 2013 aan die opdracht niet voldoet, slaagt het niet.

3.5. In aanmerking genomen de aan de raad toekomende beleidsvrijheid ter zake, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad op grond van voormelde motivering niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit de gevraagde planologische bescherming van de zichtlijnen te weigeren. Tegen de achtergrond dat onbetwist is dat voor de gronden behorend tot het landgoed in bescherming van culturele waarden toereikend is voorzien door de toekenning van de bestemming "Natuur - Landgoed" en de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie 2", is het standpunt van de raad om geen gevolg te geven aan het verzoek om de erfdienstbaarheid planologisch te borgen, niet onredelijk. Daarbij is van belang dat uit het besluit van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 18 juni 1998 tot aanwijzing van buitenplaats Larenberg als beschermd monument niet onmiskenbaar blijkt dat zichtlijnen over voormelde percelen onderdeel zijn van beschermenswaardige waarden van deze buitenplaats en dat ten tijde van het bestreden besluit een civielrechtelijke procedure liep over de gelding van de hier aan de orde zijnde erfdienstbaarheid. Gelet hierop kan de Afdeling de stelling van de vennootschap en anderen dat de raad ten onrechte rekening zou hebben gehouden met een mogelijke gehoudenheid aan een planschadeclaim in het midden laten. Voorts hebben de vennootschap en anderen naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de bij het plan gegeven tuin- en woonbestemming op generlei wijze verwezenlijkt kan worden binnen de planperiode.

Het betoog faalt.

3.6. Wat betreft de beplanting op het zuidwestelijke deel van het perceel, overweegt de Afdeling dat de raad in zijn afweging in aanmerking heeft mogen nemen dat niet zeker is dat de bestaande hoogopgaande beplanting die op dit deel van het perceel staat binnen de planperiode zal worden verwijderd. Het betoog van de vennootschap en anderen dat op dit deel van het perceel alleen een solitaire boom staat en dat de aanwezigheid van deze boom niet in de weg staat aan het opnemen van een zichtlijn, volgt de Afdeling niet. De door hen gewenste regeling die bestaande solitaire bomen binnen de zichtlijn toestaat, voor zover deze bomen die zichtlijn versterken en accentueren, is zonder nadere objectivering niet geschikt om te worden opgenomen in een bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

3.7. Dat de raad volgens de vennootschap en anderen op grond van het gemeentelijke beleid rekening dient te houden met het uitzicht vanaf historische landgoederen, betekent niet dat de raad voor het perceel in zichtassen had moeten voorzien. De vennootschap en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre in strijd met het gemeentelijke beleid is vastgesteld.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bos" voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Laren, sectie E, nummer 274, aan de Tafelbergweg hoek Legrasweg heeft vastgesteld. Hij is van mening dat aan het perceel een bestemming had moeten worden toegekend die het gebruik als sparrenkwekerij mogelijk maakt. Hij stelt dat het perceel altijd in gebruik is geweest als sparrenkwekerij en dat op dit perceel geen bos aanwezig is. [appellant sub 2] voert aan dat de raad niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201200104/1/R1 om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hierin over het perceel is overwogen. Volgens [appellant sub 2] heeft de raad dezelfde motivering voor een bosbestemming voor het perceel gegeven als die in de procedure tot vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Laren-Noord" en is deze motivering reeds onvoldoende geacht door de Afdeling.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan het perceel de bestemming "Bos" dient te worden toegekend, omdat op dit perceel feitelijk een bos aanwezig is en hij het wenselijk acht dat dit bos behouden blijft. Volgens de raad hoeft aan het perceel geen bestemming te worden toegekend die het gebruik als sparrenkwekerij mogelijk maakt, omdat het perceel al jaren niet meer als zodanig in gebruik is.

6. In haar uitspraak van 19 december 2012 heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

"[appellant sub 2] stelt dat hij het perceel in gebruik heeft als sparrenkwekerij. [appellant sub 2] betoogt terecht dat de bestemming "Bos" dit gebruik niet toestaat, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit onder het overgangsrecht is gebracht. De raad heeft ter zitting bevestigd dat hij heeft onderkend dat de sparrenkwekerij onder de bestemming "Bos" niet is toegestaan en dat dit gebruik derhalve onder het overgangsrecht is gebracht."

6.1. De Afdeling overweegt dat zij bij haar uitspraak van 19 december 2012 een motiveringsgebrek heeft geconstateerd. Dit betekent dat de raad opnieuw diende te bezien welke feiten en omstandigheden aan zijn eerdere planvaststelling ten grondslag hebben gelegen en of dit onderzoek aanleiding geeft om een betere onderbouwing te geven aan de destijds aan het perceel van [appellant sub 2] gegeven bestemming dan wel gemotiveerd een andere bestemming aan dat perceel toe te kennen. Naar aanleiding van die uitspraak heeft de raad onderzoek verricht naar het gebruik van het perceel.

[appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door de raad ingenomen standpunt, namelijk dat al gedurende een periode van ongeveer achttien jaar geen kwekersactiviteiten op het perceel plaatsvinden, onjuist is. De raad heeft gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat in het verleden een vergunning is geweigerd voor de kap van 243 bomen, welke weigering onherroepelijk is geworden. De enkele omstandigheid dat, zoals [appellant sub 2] ter zitting heeft verklaard, ten behoeve van de kerst met enige regelmaat een boom op het perceel wordt gekapt geeft geen aanleiding te oordelen dat ter plaatse een bedrijfsmatige activiteit wordt verricht. Daargelaten de vraag of op het perceel beeldbepalende bosstructuren en houtopstanden aanwezig zijn, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bosbestemming het meest aansluit bij de feitelijke situatie op het perceel. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid aan het perceel een bosbestemming kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

7. [appellant sub 2] voert aan dat het bestreden besluit in strijd met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vastgesteld. Daartoe stelt hij dat de raad er onvoldoende tegen heeft gewaakt dat het raadslid dat naast het perceel woont de besluitvorming heeft beïnvloed, zodat de raad zijn taak niet zonder vooringenomenheid heeft vervuld.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in strijd met artikel 2:4 van de Awb is vastgesteld.

7.2. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

Ingevolge het tweede lid waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

7.3. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 2:4 van de Awb is vastgesteld, reeds omdat het desbetreffende raadslid niet heeft deelgenomen aan de besluitvorming over het voorliggende plan.

Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Proceskosten

9. Ten aanzien van de beroepen van de vennootschap en anderen en [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij voor Huizen Bezit en Beheer en anderen en [appellant sub 2] ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

45-629.