Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201302563/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:1210, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het naturalisatieverzoek), afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/323 met annotatie van prof. mr. G.R. de Groot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302563/1/V6.

Datum uitspraak: 18 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Aruba,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2013 in zaak nr. 12/8496 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het naturalisatieverzoek), afgewezen.

Bij besluit van 25 juli 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.B. Boyce, advocaat in Aruba, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. P.M. Visbach, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

De staatssecretaris en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting van 13 mei 2014 behandeld, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.B. Boyce, advocaat in Aruba, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door R.V. van der Zeeuw, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker tegens wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN toegespitst op het gebruik in Aruba (hierna: de Handleiding), zoals die gold ten tijde van belang, strekt artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, ertoe te waarborgen dat het op grond van Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (hierna: de LTU(V)) gevoerde vreemdelingenbeleid en het naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen. De uiteindelijke beslissing of een verzoeker om naturalisatie wel of niet voldoet aan het criterium uit artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN ligt bij de Minister van Justitie van het Koninkrijk die oordeelt over de afwijzing of de inwilliging van het verzoek. Daartoe hanteert de Minister van Justitie van het Koninkrijk de dienaangaande in de Nederlandse Handleiding verwoorde uitgangspunten op verblijfsrechtelijk terrein.

De Handleiding vermeldt dat met de inwerkingtreding van de gewijzigde Landsverordening toelating en uitzetting (gepubliceerd in het Afkondigingsblad van Aruba 2006, no 30) op 1 juli 2006, een vergunning tot tijdelijk verblijf met de beperking ‘voor het verrichten van arbeid in loondienst’, een verblijfsrecht is dat tijdelijk van aard is. In het kader van de beoordeling of sprake is van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de RWN geldt, dat een vergunning tot tijdelijk verblijf in het kader van het verrichten van arbeid in loondienst die is aangevraagd op of na 1 juli 2006, leidt tot bedenkingen. Een verzoeker wordt in deze situatie ontraden om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Houdt de verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 4 van de toelichting bij dit artikellid. De Immigratie- en Naturalisatiedienst beoordeelt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument en het advies van de Gouverneur of sprake is van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Voor de beantwoording van de vraag of de vergunning voor of na 1 juli 2006 is aangevraagd, wordt verwezen naar de vreemdelingenadministratie (NAVAS).

De Handleiding vermeldt in paragraaf 4 van de toelichting bij dit artikellid dat hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, uiteindelijk doorslaggevend is of op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien ten tijde van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt dat als ten tijde van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, de verzoeker niet in aanmerking komt voor naturalisatie. Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar het Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero (hierna: DIMAS).

3. Niet in geschil is dat [appellante] op 20 juli 2010 het naturalisatieverzoek heeft ingediend. De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek afgewezen omdat bedenkingen bestaan tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba. De staatssecretaris heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellante] in het bezit is van een tijdelijke verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst', hetgeen een verblijfsrecht inhoudt dat tijdelijk van aard is.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij over een tijdelijk verblijfsrecht beschikt en de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba bedenkingen bestaan. Zij betoogt tevens dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat blijkens het door DIMAS toegepaste beleid niet langer een roulatiesysteem geldt waarbij de verblijfsduur op basis van een telkenmale verleende verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst' was beperkt tot drie of vier jaar, niet afdoet aan het tijdelijke karakter van haar verblijfsvergunning. [appellante] voert daartoe aan dat de aan haar telkenmale verleende verblijfsvergunningen zijn gebaseerd op Arubaans beleid waarin is bepaald dat artikel 7, derde lid, van de LTU(V) niet langer wordt toegepast. Zij beroept zich op dat beleid, dat consistent wordt toegepast en dat vooruitloopt op een aanpassing van de LTU(V) waardoor verblijfsvergunningen met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst' niet van tijdelijke aard zullen zijn, aldus [appellante]. Zij wijst daartoe op uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.

4.1. Ingevolge artikel 7, derde lid, van de LTU(V) draagt de verantwoordelijke minister zorg dat de periode waarin een persoon met een andere dan de Nederlandse nationaliteit, die in loondienst werkzaam is op grond van een vergunning tot tijdelijk verblijf, aaneengesloten tot Aruba toegelaten is, ten hoogste drie jaar bedraagt. In bijzondere gevallen kan de verantwoordelijke minister, op het gemotiveerde verzoek van een werkgever, aan een werknemer als vorenbedoeld, die op basis van vergunningen tot tijdelijk verblijf voor een aaneengesloten periode van drie jaar tot Aruba toegelaten is om bij de desbetreffende werkgever werkzaam te zijn, een vergunning verlenen die de toelating tot Aruba met maximaal een jaar verlengt.

Uit het ‘Herziene Toelatingsbeleid Vreemdelingen’ van 1 mei 2012 van de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu van Aruba, volgt dat aanvragen om afgifte van een vergunning tot tijdelijk verblijf niet onderhevig zijn aan de maximale verblijfsduur van drie jaren en dat aanvragen ook na verloop van de drie jaren kunnen worden ingewilligd. Desgevraagd heeft de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling op 22 augustus 2013 toegelicht dat onder meer naar aanleiding van voormeld ‘Herziene Toelatingsbeleid Vreemdelingen’ en de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 november 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7025, de Handleiding is aangepast. De aangepaste Handleiding (Stcrt. 2013, 15228) houdt in dat met ingang van 10 april 2013 van een verzoeker om naturalisatie aan wie na vier achtereenvolgende verblijfsvergunningen met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst' aansluitend een vijfde - of een daarop volgende - verblijfsvergunning ‘arbeid in loondienst’ is verstrekt, het verblijfsrecht met ingang van de vijfde verstrekking wordt beschouwd als van niet-tijdelijk van aard. Indien aan een verzoeker niet meer dan vier achtereenvolgende verblijfsvergunningen met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst' zijn verstrekt, is sprake van een verblijfsrecht dat tijdelijk van aard is.

4.2. De staatssecretaris heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat [appellante] ten tijde van het besluit van 25 juli 2012 in het bezit was gesteld van een vierde achtereenvolgende verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst'. De staatssecretaris heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] ten tijde van belang in het bezit was van een verblijfsrecht dat tijdelijk van aard is. De onder 4.1 vermelde beleidswijziging, wat hier ook van zij, kan haar niet baten. Daaraan kan de door [appellante] naar voren gebrachte jurisprudentie over het toepassen van consistent uitgevoerd beleid niet afdoen.

Het betoog van [appellante] dat aan haar, alvorens de haar verleende verblijfsvergunningen met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst', reeds acht verblijfsvergunningen met een ander verblijfsdoel zijn verstrekt en dat daarom tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba geen bedenkingen bestaan, zoals zij ter zitting op 22 augustus 2013 bij de Afdeling heeft aangevoerd, faalt. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat gelet op de Handleiding, zoals hiervoor weergegeven onder 2, het verblijfsdocument dat [appellante] heeft ten tijde van het naturalisatieverzoek en de beslissing daarop bepalend is voor het oordeel of bedenkingen bestaan tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba. Nu [appellante] gedurende die periode in het bezit was van een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst', zijn voor die beoordeling de eerder aan haar verleende verblijfsvergunningen met een ander verblijfsdoel niet relevant. De staatssecretaris heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat bedenkingen bestaan tegen het verblijf van [appellante] voor onbepaalde tijd in Aruba.

De betogen falen.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in het besluit van 25 juli 2012 geen zelfstandig oordeel heeft gevormd over het toelatingsbeleid in Aruba. Zij voert daartoe aan dat de staatssecretaris het Arubaanse vreemdelingenbeleid doorkruist en daarmee in strijd handelt door zich op het standpunt te stellen dat de aan haar verleende verblijfsvergunning tijdelijk van aard is. Zij stelt dat de staatssecretaris vanaf 2009 op de hoogte was van het door de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu van Aruba gevoerde beleid.

5.1. Nu, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] ten tijde van belang in het bezit was van een verblijfsrecht dat tijdelijk van aard is, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het betoog dat de staatssecretaris het Arubaanse vreemdelingenbeleid doorkruist niet slaagt. Ter zitting is niet gebleken dat de staatssecretaris, zoals [appellante] stelt, reeds sedert 2009 op de hoogte was van door de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu van Aruba in de praktijk gevoerde beleid dat verlening van een tijdelijke verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst' niet langer wordt beperkt tot drie of vier achtereenvolgende verleningen van een jaar. Met de door [appellante] overgelegde passage van voormeld ‘Herziene Toelatingsbeleid Vreemdelingen’ heeft zij haar stelling evenmin gestaafd, nu dat op 1 mei 2012 bekendgemaakt is.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014

164-692.