Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
201304298/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304298/1/V3.

Datum uitspraak: 11 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 april 2013 in zaak nr. 12/34214 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorganger.

2. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich met de gegeven motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht uitgaat en het derhalve ongeloofwaardig is.

Daartoe voert de staatssecretaris onder meer aan dat de rechtbank, door aan die overweging mede ten grondslag te leggen dat de vreemdeling duidelijk heeft gemaakt wanneer het gestelde auto-ongeluk ongeveer heeft plaatsgevonden en dat het niet vreemd is dat hij zich de precieze datum niet kan herinneren, niet heeft onderkend dat dit ongeluk de kern van het asielrelaas is. Volgens de staatssecretaris mag van de vreemdeling dan ook worden verwacht dat hij concrete informatie verschaft over het moment waarop het gestelde auto-ongeluk heeft plaatsgevonden. De verklaring van de vreemdeling tijdens het nader gehoor dat dit ongeluk in 2010 heeft plaatsgevonden, is onvoldoende, aldus de staatssecretaris.

2.1. In het besluit van 3 oktober 2012 en het daarin ingelaste voornemen daartoe heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat van het asielrelaas van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht uitgaat en het derhalve ongeloofwaardig is. Daaraan heeft de staatssecretaris onder meer ten grondslag gelegd dat de vreemdeling vage verklaringen heeft afgelegd omtrent de datum waarop het gestelde auto-ongeluk heeft plaatsgevonden. Zo weet de vreemdeling niet precies wanneer en op welke dag dit ongeluk heeft plaatsgevonden, terwijl die gebeurtenis de kern van het asielrelaas is, aldus de staatssecretaris.

2.2. Vaststaat dat het gestelde auto-ongeluk de kern van het asielrelaas is. De staatssecretaris betoogt terecht dat om die reden van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij concrete informatie verschaft over het moment waarop dit ongeluk heeft plaatsgevonden. Dat heeft hij niet gedaan. De stelling van de vreemdeling in beroep dat hij de precieze datum niet kan noemen wegens de indrukwekkende gebeurtenissen die na het auto-ongeluk hebben plaatsgevonden, leidt niet tot het ermee beoogde doel, reeds nu hij die stelling niet heeft gestaafd.

Nu voorts het gestelde auto-ongeluk de directe aanleiding is geweest voor de overige door de vreemdeling aangevoerde gebeurtenissen en de door hem gestelde, daarmee verband houdende vrees, heeft de staatssecretaris zich reeds met de onder 2.1. weergegeven motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van het asielrelaas van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht uitgaat en het derhalve ongeloofwaardig is.

Grief 1 slaagt reeds hierom.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris overigens aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 3 oktober 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris in de omstandigheid dat hij tot de groep van koptische christenen in Egypte behoort, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Ter staving daarvan heeft de vreemdeling verwezen naar het thematisch ambtsbericht 'Christenen in Egypte' van juni 2012 (hierna: het ambtsbericht), een ongedateerde verklaring van de Algemene Raad van de Koptisch Orthodoxe kerken in Nederland, het persbericht van 11 mei 2011 inzake een verzoek van Europarlementariër Van Dalen om de positie van kopten topprioriteit te maken (hierna: het persbericht van 11 mei 2011), het 'International Religious Freedom Report - Egypt 2011' van 30 juli 2012 van het US Department of State (hierna: het rapport van 30 juli 2012) en het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11, Y. en Z. (www.curia.europa.eu; hierna: het arrest van 5 september 2012).

4.1. In het besluit van 3 oktober 2012 en het daarin ingelaste voornemen daartoe heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens zijn christelijke achtergrond in Egypte problemen heeft ondervonden.

In het verweerschrift van 11 maart 2013 heeft de staatssecretaris in aanvulling op het voorgaande erop gewezen dat het ambtsbericht aanleiding is geweest om het beleid voor christelijke asielzoekers uit Egypte te actualiseren. Dit beleid is neergelegd in de brief van 11 juli 2012 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kenmerk 2012-0000386005). Volgens de staatssecretaris geven de door de vreemdeling overgelegde documenten geen aanleiding om een beleid te gaan voeren waarbij het enkele behoren tot de christelijke bevolkingsgroep in Egypte voldoende is voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. De verklaring van de Algemene Raad van de Koptisch Orthodoxe kerken in Nederland betreft een uiteenzetting van voormeld beleid en behelst geen onderbouwing van een verslechterde situatie van christenen in Egypte sinds 11 juli 2012. Het persbericht van 11 mei 2011 dateert van vóór het ambtsbericht en het rapport van 30 juli 2012 gaat gelet op de titel over het jaar 2011. Ten slotte heeft de staatssecretaris erop gewezen dat hoewel het algemene beleid voor religieuze minderheden na het arrest van 5 september 2012 opnieuw is vastgesteld, dit gelet op het voorgaande geen aanleiding geeft voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

4.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 juni 2013 in zaak nr. 201207358/1/V2 overwogen dat uit de door de desbetreffende vreemdeling in die zaak overgelegde documenten blijkt dat christenen in Egypte problemen ondervinden en dat de veiligheidssituatie voor christenen na 11 februari 2011 is verslechterd. Uit de door de vreemdeling in de thans voorliggende zaak overgelegde documenten blijkt dit ook. Dit leidt er echter niet toe dat iedere christen afkomstig uit Egypte bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging of een onmenselijke behandeling, ook niet, indien hij daar openlijk invulling aan zijn geloofsovertuiging geeft. Het beroep van de vreemdeling op het arrest van 5 september 2012 faalt reeds hierom.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 april 2013 in zaak nr. 12/34214;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Waasdorp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014

714.