Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2158

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201403678/1/A2 en 201403678/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de raad) het verzoek van [appellant] om een vierde mogelijkheid voor het afleggen van de toetsen Strafprocesrecht en Gedragsrecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403678/1/A2 en 201403678/2/A2.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nijmegen,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 april 2014 in zaken nrs. 14/324 en 14/2327 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Curatorium Beroepsopleiding Advocatuur.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de raad) het verzoek van [appellant] om een vierde mogelijkheid voor het afleggen van de toetsen Strafprocesrecht en Gedragsrecht afgewezen.

Bij besluit van 27 november 2013 heeft het curatorium het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2014 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het curatorium heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 mei 2014, waar [appellant], in persoon, en het curatorium, vertegenwoordigd door mr. A. Hessel en mr. M.W.J. Sloots, beiden werkzaam bij het curatorium, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Stageverordening 2005 (hierna: de Stageverordening) is aan de Beroepsopleiding een examen verbonden dat bestaat uit een aantal gedurende de cursuscyclus per onderdeel af te nemen toetsen. De stagiaire is verplicht aan alle toetsen deel te nemen.

Ingevolge het tweede lid kan een stagiaire één keer in alle onderdelen van het examen een toets afleggen, met de mogelijkheid van twee herkansingen per onderdeel.

Ingevolge het derde lid is de stagiaire verplicht deel te nemen aan de toetsmogelijkheid voor een bepaald onderdeel direct volgend op het gevolgde onderwijs voor dat onderdeel van de Beroepsopleiding in de eerste cursuscyclus.

Ingevolge het vierde lid is de stagiaire, indien een toets in één of meer onderdelen van het examen niet is behaald, verplicht deel te nemen aan de direct daaropvolgende herkansingsmogelijkheid voor het desbetreffende onderdeel. Het bepaalde in de voorgaande volzin betreft alleen de eerste herkansingsmogelijkheid.

Ingevolge het zesde lid zal, indien niet wordt voldaan aan de verplichting, als bedoeld in het derde en vierde lid, dit worden beschouwd als het niet behaald hebben van dat onderdeel van het examen.

Ingevolge het elfde lid kan de raad in gevallen waarin naar zijn oordeel de toepassing van het derde, vierde of zesde lid tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden, besluiten af te wijken van het gestelde in het zesde lid.

In verband met de hardheidsclausule van artikel 14, elfde lid, van de Stageverordening heeft de raad beleidsregels vastgesteld en deze in het Advocatenblad van 28 augustus 2009 gepubliceerd (hierna: de beleidsregels). Ter toelichting van de beleidsregels is daarin onder meer het volgende uiteengezet. Een geslaagd beroep op de hardheidsclausule is slechts mogelijk voor de eerste en tweede toetskans, omdat de eerste toetskans direct na het volgen van het onderwijs dient te worden gedaan en ook de tweede toetskans (de eerste herkansing) wat betreft het tijdstip is vastgelegd, namelijk direct na de eerste toetskans. Voor de derde toetskans kan geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule worden gedaan, omdat het tijdstip van het benutten van de derde toetskans door de stagiaire zelf is te bepalen. De stagiaire kan ervoor kiezen de derde toets niet te doen en deze op een ander moment in de stage af te leggen.

3. [appellant] is op 28 januari 2011 beëdigd als advocaat en vervolgens op 1 februari 2011 als advocaat-stagiaire gestart bij een advocatenkantoor. In het kader van de beroepsopleiding advocatuur heeft [appellant] op 14 oktober 2011, 10 februari 2012 en 11 oktober 2012 de toetsen voor de vakken Strafprocesrecht en Gedragsrecht afgelegd en daarbij voor deze toetsen onvoldoende resultaat behaald.

Op 3 januari 2013 heeft [appellant] een verzoek bij de raad ingediend om een vierde mogelijkheid voor het afleggen van de toetsen voor de vakken Strafprocesrecht en Gedragsrecht. Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de raad dat verzoek afgewezen. Daaraan is, voor zover nog van belang, ten grondslag gelegd dat in de Stageverordening geen bepaling is opgenomen die de raad de bevoegdheid geeft om een vierde mogelijkheid voor het afleggen van een toets te bieden. Bij besluit van 27 november 2013 heeft het curatorium het beroep daartegen ongegrond verklaard.

4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het niet opnemen van een hardheidsclausule voor artikel 14, tweede lid, van de Stageverordening in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Daarmee heeft de rechtbank miskend dat de derde mogelijkheid tot het afleggen van de toetsen geen reële mogelijkheid was. Het uitgangspunt is dat bij de derde toetsmogelijkheid geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule kan worden gedaan, omdat de stagiaire de vrije keuze heeft om een datum voor die toetsen te kiezen. Hij heeft echter nooit een vrije keuze gehad, omdat hij door zijn werkgever en patroon onder druk is gezet om op de eerstvolgende datum de toetsen af te leggen. Om die reden was de derde toetsmogelijkheid geen reële mogelijkheid.

4.1. Ingevolge artikel 14, vierde lid, laatste volzin, van de Stageverordening hebben stagiaires bij de derde toetsmogelijkheid de vrije keuze uit meerdere data. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, is het de verantwoordelijkheid van de stagiaire om hierin een keuze te maken. Indien [appellant] zich door zijn werkgever of patroon onder druk gezet voelde om de eerstvolgende mogelijkheid te benutten, dan had hij zich tot de deken kunnen wenden. Ook het betoog van [appellant] dat hij door die druk zich niet tot de deken durfde te wenden, kan hem niet baten, nu, zoals het curatorium ter zitting terecht heeft opgemerkt, van een advocaat mag worden verwacht dat hij in een dergelijke situatie zelfstandig beslissingen neemt. Voor zover [appellant] in dit verband nog een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, waarbij hij heeft gewezen op het besluit van het curatorium van 21 januari 2013 in zaak C-2012-23, is dit tevergeefs. In die zaak was onjuiste informatieverschaffing door de examencommissie aan de orde. De voorzieningenrechter is derhalve terecht tot de slotsom is gekomen dat beide gevallen niet gelijk zijn. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat het niet opnemen van een hardheidsclausule voor de derde toetsmogelijkheid niet in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij bij zijn huidige verzoek om behoud van de tweede mogelijkheid voor het afleggen van de toetsen geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een inhoudelijke beoordeling door de bestuursrechter rechtvaardigen.

5.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

5.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

5.3. [appellant] heeft eerder een verzoek gedaan om behoud van een tweede mogelijkheid voor het afleggen van toetsen voor de vakken Strafprocesrecht en Gedragsrecht. Bij besluit van 30 mei 2012 heeft het curatorium het administratief beroep tegen het besluit van 23 april 2012 van de raad, waarbij het verzoek van [appellant] is afgewezen, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend. Nu het besluit van 27 november 2013 in zoverre van gelijke strekking is als het besluit van 30 mei 2012 en het administratief beroep tegen de afwijzing ongegrond is verklaard, is het voornoemde toetsingskader van toepassing.

5.4. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zoals hiervoor bedoeld, zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat voor toetsing van het besluit van 27 november 2013 in zoverre geen plaats is.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de voorzieningenrechter rekening had moeten houden met zijn slechte gezondheidssituatie en zijn privéproblemen. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld is de Stageverordening een algemeen verbindend voorschrift en bestaat voor een belangenafweging als hier door [appellant] bepleit geen ruimte. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201201166/1/A2.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

85-705.