Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201402842/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59a
Vreemdelingenwet 2000 106
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402842/1/V3.

Datum uitspraak: 5 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 maart 2014 in zaak nr. 14/6210 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 maart 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de rechtbank, door te overwegen dat hij de gronden dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen dan wel een poging daartoe heeft gedaan, zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan niet heeft betwist en deze gronden de maatregel zelfstandig kunnen dragen, is voorbijgegaan aan zijn betoog dat en waarom in zijn geval niettemin geen sprake is van een significant risico als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013 L 180/31; hierna: de Dublinverordening). De rechtbank heeft dan ook miskend dat in zijn geval een zodanig risico ontbreekt, aldus de vreemdeling.

1.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dublinverordening houden de lidstaten niemand in bewaring om de enkele reden dat hij aan de bij deze verordening ingestelde procedure onderworpen is.

Ingevolge het tweede lid mogen de lidstaten, wanneer er een significant risico op onderduiken van een persoon bestaat, de betrokken persoon in bewaring houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling en, enkel voor zover bewaring evenredig is, en wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Ingevolge artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de staatssecretaris vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening.

Ingevolge artikel 5.1a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan de vreemdeling in bewaring worden gesteld of kan aan hem een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd omdat het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, indien:

a. een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening; en

b. een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, wordt aan deze voorwaarden slechts voldaan indien zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid van dit artikel zich voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid.

2. In de memorie van toelichting behorende bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Vw 2000 en de Awb ter uitvoering van de Dublinverordening (Kamerstukken II 2012/13, 33 699, nr. 3, blz. 11), staat vermeld dat, zoals ook uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt, door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden tot de conclusie kunnen leiden dat ondanks de aanwezigheid van voldoende gronden, er geen risico op onderduiken bestaat.

2.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 6 september 2012 in zaak nr. 201207532/1/V3 overweegt de Afdeling dat het van belang is dat ook in die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, steeds, aan de hand van hetgeen door partijen omtrent het gedrag van de betrokken vreemdeling en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, dient te worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokken vreemdeling daadwerkelijk kunnen dragen.

2.2. In beroep heeft de vreemdeling een door hem op 6 februari 2014 ondertekend en, naar hij stelt, op dezelfde dag aan de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) gefaxt formulier overgelegd, waarin hij een telefoonnummer heeft opgegeven waarop hij voor de medewerkers van de DT&V bereikbaar is en waarin hij onder meer verklaart dat hij op de afgesproken tijd klaar zal staan voor vertrek en dat hij zich tot aan zijn vertrek aan de hem opgelegde meldplicht zal houden. De staatssecretaris heeft de ontvangst van dit formulier niet betwist. Hoewel de vreemdeling dit door hem ondertekende formulier niet binnen de afgesproken termijn aan de DT&V heeft verzonden, heeft hij onweersproken gesteld dat hieruit desondanks blijkt dat hij bereid was mee te werken aan de overdracht. Voorts heeft de vreemdeling onweersproken betoogd dat hij zich altijd aan zijn meldplicht heeft gehouden en altijd beschikbaar was voor de functionarissen van de DT&V op het asielzoekerscentrum waar hij verbleef.

Onder die omstandigheden bestond ten tijde van het opleggen van de maatregel, hoewel aan het in artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste werd voldaan, reeds hierom geen grond om aan te nemen dat er een significant risico bestond dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 maart 2014 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 12 maart 2014 tot 20 maart 2014, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 maart 2014 in zaak nr. 14/6210;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 665,00 (zegge: zeshonderdvijfenzestig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Vonk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2014

345-777.